Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1928

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
10/701009-20 / TUL: 10/270908-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging zware mishandeling en een diefstal in vereniging. 135 dagen jeugddetentie waarvan 90 dagen voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/701009-20

Parketnummer vordering TUL: 10/270908-19

Datum uitspraak: 4 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2004,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. I. Car namens mr. R. Moghni, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van 18 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag in vereniging;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 135 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 90 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte dient mee te werken aan de therapie FAST van de Waag, dat de verdachte naar school gaat en dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van een jongerencoach;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 1 primair impliciet subsidiair

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vindt de onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft op 30 november 2019 de aangever [naam slachtoffer 1] met een mes in de rug gestoken.

4.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 integrale vrijspraak bepleit. In het dossier bevindt zich geen enkel bruikbaar bewijsmiddel dat de verdachte aanwijst als de persoon die de aangever [naam slachtoffer 1] heeft gestoken dan wel dat erop duidt dat de verdachte betrokken is geweest bij het openlijke geweld.

De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte 1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat deze onvoldoende betrouwbaar zijn. [naam medeverdachte 1] heeft bij de politie als verdachte en bij de rechter-commissaris als getuige tegenstrijdig verklaard. Zo heeft [naam medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte het mes heeft weggegooid terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat iemand anders het mes heeft weggegooid. Daarnaast heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat hij de aangever heeft geholpen nadat deze was gestoken, terwijl duidelijk is dit [naam medeverdachte 2] is geweest.

4.3.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de inhoud van het dossier, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft gepleegd.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaringen van [naam medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. [naam medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte aangever [naam slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes. Bij de rechter-commissaris is [naam medeverdachte 1] bij deze verklaring gebleven. De rechtbank onderkent dat [naam medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat hij op een filmpje heeft gezien dat de verdachte het mes in het water heeft gegooid en bij de rechter-commissaris dat iemand anders het mes voor de verdachte moest weggooien. Aan een wisselende verklaring over een dergelijk ondergeschikt punt, dat slechts ziet op de vraag wat er na afloop van het steekincident met het mes is gebeurd, verbindt de rechtbank geen consequenties. Daarnaast vindt de rechtbank, anders dan de verdediging, wel degelijk steun in het dossier voor de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat hij aangever [naam slachtoffer 1] na het steken heeft geholpen. Immers verklaart de aangever zelf in zijn aangifte dat hij door twee onbekende jongens is geholpen, waarbij het aan de hand van deze verklaring en de verklaring van [naam medeverdachte 1] zeer goed mogelijk is dat [naam medeverdachte 1] de tweede jongen is geweest.

De rechtbank concludeert dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [naam medeverdachte 1] en dat er daarom geen aanleiding bestaat zijn verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 30 november 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om

opzettelijk [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 1] - met een mes, in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

2.

hij op 26 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een scooter (merk SYM), die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair impliciet subsidiair

poging tot zware mishandeling

2.

diefstal in vereniging

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Op 30 november 2019 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] . De verdachte heeft [naam slachtoffer 1] in zijn rug gestoken toen [naam slachtoffer 1] door meerdere jongens in elkaar werd geslagen. [naam slachtoffer 1] heeft aan de messteek van de verdachte een snijwond in de rug links naast het rechterschouderblad overgehouden. De wond moest zowel in de diepere laag van de huid als in de bovenste laag van de huid gehecht worden. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft het feit zich op klaarlichte dag, op de openbare weg, afgespeeld. Dit brengt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met twee medeverdachten op 26 maart 2020 schuldig gemaakt aan de diefstal van een scooter. De verdachte heeft door zijn gedrag laten zien geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen.

De rechtbank rekent de verdachte de feiten zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten als onder 1 ten laste gelegd.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitiarapportage van 10 december 2020 van arts in opleiding tot psychiater dr. [naam psychiater] onder supervisie van kinder- en jeugdpsychiater dr. [naam kinder-en jeugdpsychiater] , opgesteld naar aanleiding van het als feit 1 ten laste gelegde. Hieruit komt onder meer naar voren dat er bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Daarnaast is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Deze diagnoses waren tijdens het als feit 1 ten laste gelegde aanwezig. Ten gevolge van de ontkennende houding van de verdachte konden de onderzoekers niet bepalen of er een relatie bestaat tussen het als feit 1 ten laste gelegde en de gestelde diagnoses en konden zij geen uitspraak doen over de mate van toerekenbaarheid. Desondanks schatten de onderzoekers het risico op recidive hoog in. Gezien de ernst van het feit en de problematiek bij de verdachte adviseren zij behandeling, zoals FAST (Forensische Ambulante Systeem Therapie) van de Waag, om de ontwikkeling van de verdachte zoveel mogelijk bij te sturen en om recidive te voorkomen. De onderzoekers zijn van mening dat eerst zoveel mogelijk moet worden ingezet op een ambulante behandeling, omdat er nog nauwelijks behandeling heeft plaats gevonden en omdat de verdachte nog jong is. De onderzoekers adviseren de verdachte in een verplicht kader te behandelen, waarbij een stevige stok achter de deur nodig is.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de Pro Justitiarapportage van 9 december 2020 van GZ-psycholoog drs [naam GZ-psycholoog] , eveneens opgesteld naar aanleiding van het als feit 1 ten laste gelegde. Hieruit komt onder meer naar voren dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, wat betekent dat er sprake is van een patroon bestaand uit brutaal/uitdagend gedrag of een boze/prikkelbare stemming. Uit het beeld van het functioneren van de verdachte komt naar voren dat hij regelmatig opstandig reageert op gezagsfiguren en zich verzet tegen regels of verzoeken van hen. De verdachte geeft anderen de schuld van zijn fouten of wangedrag. Hij is hierdoor moeilijk aanspreekbaar op zijn gedrag en neemt weinig verantwoordelijkheid hiervoor. De verdachte neigt tot het rechtvaardigen van zijn (probleem)gedrag. Daarnaast lijkt er sprake van een disharmonie in gedragspatronen bij de verdachte, waardoor hij zich buitenshuis - in tegenstelling tot zijn gevoeglijke, gewillige houding binnenshuis - eerder oppositioneel, onverschillig en/of agressief opstelt. De stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde onder feit 1, waarbij sprake was van beïnvloeding van de gebleken stoornis en de problematiek op de gedragskeuzes en het handelen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit. Het ten laste gelegde kan de verdachte volgens de psycholoog in verminderde mate worden toegerekend. De recidivekans wordt als groot ingeschat.

Vanwege de gebleken problematiek, de als hoog ingeschatte recidivekans en een zo gunstig mogelijke bijsturing van de verdere ontwikkeling van de verdachte wordt interventie noodzakelijk geacht. Aanbevolen wordt dat de hulpverlening plaatsvindt in het verplichtende kader en dat er een duidelijke vinger aan de pols wordt gehouden vanuit een hulpverleningsinstantie. Dit wordt nodig geacht vanwege het tekortschietende probleembesef van de verdachte en zijn ouders alsmede hun neiging om de problematiek toe te dekken, vanwege de weerstand bij de verdachte tegen bemoeienis van autoriteiten en het negatieve beeld dat de verdachte heeft van hulpverlening. Ingeschat wordt dat systeembehandeling zoals FAST passend is bij de gebleken problematiek van de verdachte. Als blijkt dat de behandeling in een ambulant kader ontoereikend is of onvoldoende intensief voor de voorgestelde behandeldoelen dan wordt geadviseerd om de behandeling op te schalen naar een dagbehandeling of zelfs een klinische behandeling. In de behandeling dient aandacht besteed te worden aan de agressieregulatievaardigheden en conflicthanteringsvaardigheden van de verdachte. Ook moet er aandacht worden besteed aan zijn neiging om aanwijzingen niet op te volgen en aan zijn gewetensontwikkeling.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 8 februari 2021, waarin als bijzondere voorwaarden onder meer behandeling zoals FAST van de Waag wordt geadviseerd alsmede de inzet van een jongerencoach. Deskundige [naam deskundige 1] , werkzaam bij deze instelling, heeft ter terechtzitting genoemd rapport gehandhaafd en nader toegelicht. De verdachte is in de laatste paar maanden niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De verdachte en zijn ouders hebben laten zien dat zij open staan voor hulpverlening. De deskundige is van mening dat de voorgestelde voorwaarden aan de verdachte dienen te worden opgelegd in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 februari 2021, waarin als bijzondere voorwaarden onder meer behandeling zoals FAST van de Waag wordt geadviseerd, evenals de inzet van een jongerencoach. Deskundige [naam deskundige 2] heeft ter zitting namens de Raad het rapport gehandhaafd en als volgt toegelicht. Inmiddels is de ambulante behandeling in het gezin opgestart. Als deze behandeling vroegtijdig wordt stopgezet zal moeten worden overgegaan tot een dagbehandeling dan wel een klinische opname. In dat geval zal een wijziging van de bijzondere voorwaarden worden verzocht. Het is van groot belang dat de verdachte behandeling krijgt.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling die ook aanwezig was ten tijde van het als feit 1 ten laste gelegde, acht de rechtbank de verdachte voor dat feit verminderd toerekeningsvatbaar.

Gezien de ernst van het de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal afzien van het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie, omdat het in het belang van de verdachte wordt geacht dat hij behandeling krijgt. De rechtbank zal om die reden een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De verdachte zal binnen het kader van de bijzondere voorwaarden, die gekoppeld zijn aan een voorwaardelijke jeugddetentie, moeten laten zien dat hij zich aan de voorwaarden kan houden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel [naam slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 299,84 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Uit de aangifte blijkt niet welke kleding is beschadigd door het ten laste gelegde feit, laat staan dat het om zulke dure kleding gaat. De jas die [naam slachtoffer 1] op de foto’s in het dossier aan heeft lijkt een andere jas dan waarvan een aankoopbewijs aan de vordering benadeelde partij is gehecht. Daarnaast is de immateriële schade onvoldoende onderbouwd ten aanzien van de gestelde psychische schade.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering voor een deel genoegzaam is onderbouwd, zal dit deel, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. Dit leidt er toe dat de rechtbank het gehele gevorderde bedrag van € 129,95 voor het trainingspak zal toewijzen. Daarnaast zal de schade aan de jas, gezien de betwisting, door de rechtbank worden geschat op een bedrag van € 100,-- en dit deel zal als vergoeding voor de schade aan de jas worden toegewezen. In totaal zal hiermee een bedrag van € 229,95 ter zake van geleden materiële schade worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De beoordeling hiervan vergt nader onderzoek en dat is een onevenredige belasting van dit strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 november 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.729,95, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast.

9. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel Ekici

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 650,30 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het gaat hier om een scooter met het bouwjaar 2010. De gevorderde schade komt overeen met de aanschafwaarde van een tweedehands scooter uit dit bouwjaar. Het is niet duidelijk waarom er niet gekozen is voor goedkopere onderdelen. Er zijn geen bonnen bijgevoegd. Bovendien zou er een voorscherm en een windscherm zijn aangeschaft. Het is onduidelijk waarom beide onderdelen zijn aangeschaft terwijl maar één van deze onderdelen nodig is.

9.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 .Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 11 februari 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging veroordeeld voor zover van belang tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 26 februari 2020.

10.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.

10.3.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ter zitting niet uitgelaten over de vordering tenuitvoerlegging.

10.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit 2 is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

11 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 135 (honderdvijfendertig) dagen,

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- meewerkt aan een de behandeling FAST of een soortgelijke behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt;

- meewerkt aan de begeleiding van een jongerencoach;

- gedurende de proeftijd zal beschikken over een passende dagbesteding bestaande uit school/stage en/of werk;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

-
de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 2.729,95 (zegge: zevenentwintighonderd en negenentwintig euro en vijfennegentig eurocent), bestaande uit € 229,95 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 november 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen € 2.729,95 (zevenentwintighonderd en negenentwintig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 11 februari 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank onder parketnummer 10-270908-19 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en A.L. Pöll, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 maart 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

701009-20

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het voornemen om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen,

met dat opzet die [naam slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal

- in/op/tegen het hoofd en/of het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of

- met een mes, althans enig scherp voorwerp, in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Rotterdam.

op of aan de openbare weg, te weten de Ranonkelstraat en/of Asterstraat,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] ,

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal

- stompen/slaan van die [naam slachtoffer 1] in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd

- met een mes, althans enig scherp voorwerp, steken in de rug van die [naam slachtoffer 1] ;

2.

691045-20

hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scooter (merk SYM), in eik geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan

[naam slachtoffer 2] , heeft v/eggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe

te eigenen;