Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1888

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
ROT 20/1979
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag 2018. Toeslagpartner voldeed in 2018 niet aan de voorwaarden voor aanspraak op kinderopvangtoeslag zoals genoemd in artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, onderdeel 1, van de Wet kinderopvang. Niet is komen vast te staan dat de toeslagpartner een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling volgde. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-03-2021
FutD 2021-0857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1979


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

(gemachtigde: mr. E.J.M. van Daalhuizen),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de kinderopvangtoeslag over 2018 is ingetrokken.

Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan alle voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag over 2018, omdat haar toeslagpartner in 2018 niet heeft gewerkt en voor hem geen van de doelgroep- situaties om alsnog voor toeslag in aanmerking te komen, van toepassing was.

2. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. De toeslagpartner van eiseres, [naam 2] , ontvangt sinds zijn twintigste levensjaar een Wajong-uitkering van het UWV. Het UWV helpt hem bij het vinden en behouden van werk. [naam 2] heeft een brief gedateerd 18 februari 2019 gekregen waaruit blijkt dat hij zeven jaar hulp krijgt en daarom onder de voortgezette werkregeling valt. [naam 2] kampt met ernstige psychische problematiek, verslavingsproblematiek en fysieke problemen en valt onder beschermingsbewind. Hij is niet in staat om op een adequate wijze invulling te geven aan de opvoeding van hun kinderen. Eiseres en haar toeslagpartner waren in de veronderstelling dat zij aan alle volwaarden voldeden om in aanmerking te komen voor de kinderopvangtoeslag. Zij zijn bij de aanvraag te goeder trouw geweest en verkeerden in de veronderstelling dat de omstandigheden van [naam 2] gelijkgesteld waren aan een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling. Eiseres volgt een voltijdse opleiding om de leefomstandigheden te verbeteren. De terugvordering van de uitgekeerde voorschotten heeft een averechts effect daarop. Alle ontvangen voorschotten zijn besteed aan kinderopvang. Eiseres is van mening dat een teveel uitgekeerd bedrag aan kinderopvangtoeslag buiten invordering dient te worden gesteld. Door te beslissen dat de kinderopvangtoeslag moet worden terugbetaald, handelt verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat hij terecht heeft beslist dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2018. Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt niet dat de toeslagpartner vóór 25 september 2019 een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling volgde. Ook is tijdens de hoorzitting op

26 februari 2020 gebleken dat hij heel 2018 geen re-integratietraject volgde.

De toeslagpartner voldeed van 1 januari 2018 tot 25 september 2019 niet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1.6 van de Wet op de kinderopvang (Wko).

Medische omstandigheden vallen niet onder het bereik van Belastingdienst/Toeslagen bij het uitvoeren van de regeling voor de kinderopvangtoeslag. De enkele veronderstelling dat sprake was van een re-integratietraject, dan wel een daarmee gelijkgestelde situatie, maakt niet dat daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan. Er is geen wettelijke ruimte dan wel reden om voor eiseres een uitzondering te maken op het voorgaande.

Eiseres heeft haar standpunt dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, niet voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft conform de vereisten van de wet gehandeld.

Verweerder heeft het onverschuldigd betaalde voorschot over 2018 op grond van artikel 24, derde lid, van de Awir teruggevorderd. Op 22 april 2020 is het Verzamelbesluit Toeslagen gepubliceerd in de Staatscourant (besluit van 17 april 2020, nr. 2020-72441 (Stort. 2020, 22720)) en op 7 september 2020 is een actualisering van dit besluit gepubliceerd (besluit van 28 augustus 2020, nr. 2020-156992 (Stel, 2020, 45908). In het Verzamelbesluit Toeslagen is onder andere het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Het uitgangspunt is dat de belanghebbende de bijzondere omstandigheden voor matiging moet aandragen en bewijzen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Er is evenmin sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de terugvordering te matigen.

4. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

In artikel 1.3, tweede lid, van de Wet kinderopvang (Wko) is kort gezegd bepaald dat op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is.

Op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wko worden een ouder en diens partner die tevens ouder is voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Op grond van artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder a en i, onderdelen 1, 2 of 3, van de Wko heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de ouder tegenwoordige arbeid verricht of recht heeft op een uitkering en gebruik maakt van een in één van de genoemde onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling (re-integratietraject).

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In de memorie van toelichting bij de Wet basisvoorziening kinderopvang (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, blz. 13-15), thans de Wko, is vermeld dat ouders die van kinderopvang gebruikmaken omdat zij arbeid en zorg combineren, aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang hebben. Het gaat niet alleen om werknemers of zelfstandigen, maar ook om uitkeringsgerechtigden die van kinderopvang gebruik maken vanwege deelname aan toeleidingstrajecten naar betaald werk, of om nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen. De aanspraak bestaat niet als de ouder of partner niet deelneemt aan arbeid in deze zin.

5.2.

Niet is komen vast te staan dat de toeslagpartner in 2018 voldeed aan de voorwaarden voor aanspraak op kinderopvangtoeslag zoals genoemd in artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, onderdeel 1, van de Wko. Tijdens de hoorzitting op 26 februari 2020 is gebleken dat de toeslagpartner in 2018 thuis was en niet voor de kinderen kon zorgen en evenmin een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling heeft gevolgd. Ook uit de dossierstukken kan niet worden opgemaakt dat de toeslagpartner in 2018 een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling heeft gevolgd of dat sprake is geweest van een daarmee gelijk te stellen traject zoals eiseres heeft aangevoerd. In het bijzonder kan uit de brief van het UWV van 18 februari 2019 en de inkooporder van Pameijer van

25 september 2019 niet worden afgeleid dat er sprake was van een op arbeidsinschakeling gericht re-integratietraject in 2018. Dat eiseres en haar toeslagpartner in de veronderstelling verkeerden dat van een dergelijk traject wel sprake was, maakt dit niet anders.

Artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, onderdelen 1, 2 of 3, van de Wko biedt geen ruimte om uitzonderingen te maken op de daar gestelde eisen. Verweerder mocht zich daarom op het standpunt stellen dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2018.

5.3.

Dat de toeslagpartner vanwege zijn (sociaal-)medische omstandigheden niet in staat was om voor de kinderen te zorgen, zoals eiseres heeft aangevoerd, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. In geval van kinderopvang op sociaal-medische indicatie zijn gemeenten verantwoordelijk voor de kinderopvang. De wetgever heeft in de Wko uitdrukkelijk gekozen voor dit systeem en daarbij geen mogelijkheden opgenomen om in bijzondere gevallen een uitzondering te maken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1478) en 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2625).

5.4.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel. De rechtbank ziet ook onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder heeft gehandeld in strijd artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.5.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij en haar toeslagpartner te goede trouw waren, dat alle voorschotten zijn aangewend voor kinderopvang en dat de kosten voor kinderopvang zijn voldaan. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiseres, die haar best doet om de leefomstandigheden van haar gezin te verbeteren maar onder deze omstandigheden met een hoge terugvordering van kinderopvangtoeslag te maken krijgt,

ziet zij geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot terugvordering van de uitgekeerde voorschotten kinderopvangtoeslag.

5.6.

Verweerder heeft nader toegelicht dat hij geen aanleiding ziet om de terugvordering te matigen. In dat verband heeft verweerder erop gewezen dat volgens het Verzamelbesluit Toeslagen financiële omstandigheden in het algemeen geen bijzondere omstandigheden vormen om tot matiging van terugvordering over te gaan. Volgens verweerder bestaat in die gevallen de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling, waarbij met de financiële situatie van een belanghebbende rekening kan worden gehouden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan dit standpunt te twijfelen.

De gemachtigde van eiseres heeft in het aanvullend beroepschrift en ter zitting opgemerkt dat verweerder ruimhartig kan omgaan met de terugvordering en kan besluiten om het bedrag aan te veel uitgekeerde kinderopvangtoeslag niet langer actief van eiseres terug te vorderen en uiteindelijk formeel buiten invordering te stellen, hetgeen de rechtbank onder de gegeven omstandigheden kan onderschrijven.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H.I. Zwaneveld-Butter, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

5 maart 2021.

de griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.