Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1881

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
ROT 20/561
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leaseauto. Niet gebleken is dat het gebruikmaken van een leaseauto blijvend, en ongeacht eisers functie, als arbeidsvoorwaarde met eiser is afgesproken. Uit de arbeidsvoorwaarden blijkt dat het gebruikmaken van deze leaseauto aan de voorwaarden uit de leaseregeling is gebonden, waaronder wanneer tot beëindiging daarvan wordt overgegaan. Partijen zijn het erover eens dat eiser in zijn huidige functie niet aan de voorwaarden van de leaseregeling voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. E. van Haasteren,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een nieuwe leaseauto afgewezen.

Bij besluit van 20 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is als Programmamanager Wijkgestuurd werken bij verweerder werkzaam.

2

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor eiser geen arbeidsvoorwaarde is dat hij altijd en ongeacht zijn functie van een leaseauto gebruik kan maken en dat er geen toezeggingen in dat verband zijn gedaan.

3

3.1

Eiser betoogt dat bij zijn aanstelling het gebruikmaken van een leaseauto als persoonsgebonden arbeidsvoorwaarde is afgesproken. Dit blijkt volgens eiser uit zijn aanstellingsbesluit met de bevestiging daarvan in 2019 door de concerndirecteur,
[naam persoon 1] ( [naam persoon 1] ), uit het e-mailbericht van 7 juni 2018 van de directeur
Schone Stad, [naam persoon 2] ( [naam persoon 2] ), uit het e-mailbericht van 14 januari 2020 van de vroegere directeur ontwikkeling handhaving van stadstoezicht, [naam persoon 3] ( [naam persoon 3] ), en uit het
e-mailbericht van 29 oktober 2008 en de verklaring tijdens de zitting van de vroegere directeur, [naam persoon 4] ( [naam persoon 4] ).

4

4.1

De rechtbank stelt vast dat partijen niet met elkaar van mening verschillen over de vraag of eiser thans aan de voorwaarden uit de Leaseregeling Rotterdam 2008 (leaseregeling) voldoet. Beide partijen beantwoorden deze vraag ontkennend. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of het blijvend en ongeacht de functie gebruikmaken van de leaseauto voor eiser een arbeidsvoorwaarde is. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2

Uit de ‘aanstellingsvoorwaardenbrief’ van 11 mei 2009 blijkt niet dat eiser altijd van een leaseauto gebruik mag maken. Dit wordt niet expliciet in de brief vermeld, terwijl in de brief wel naar randvoorwaarden wordt verwezen die op de aanschaf en het gebruik van de leaseauto van toepassing zijn. In beroep heeft eiser niet ontkend dat met de randvoorwaarden de leaseregeling wordt bedoeld of dat hij deze leaseregeling heeft gekregen. Het gebruik van de leaseauto is dan ook aan de voorwaarden uit de leaseregeling verbonden, waaronder artikel 9 dat over de beëindiging daarvan gaat.

4.3

De verklaring van [naam persoon 4] tijdens de zitting maakt dit niet anders. [naam persoon 4] heeft bevestigd dat hij met eiser heeft afgesproken dat eiser van een leaseauto gebruik mag maken zolang hij bij verweerder werkzaam is. [naam persoon 4] heeft echter ook verklaard dat hij ervan uit ging dat als hij iets afsprak wat niet mogelijk was, P&O ervoor was om dat te herstellen. Hij verklaarde niet op de hoogte te zijn van de inhoud van de leaseregeling en niet te kunnen uitsluiten dat na het gesprek dat hij met eiser heeft gehad, P&O nog met eiser heeft gesproken. In dat kader heeft eiser ter zitting verteld dat hij met [naam persoon 5] ( [naam persoon 5] ), destijds hoofd van de afdeling P&O, drie arbeidsvoorwaardengesprekken heeft gevoerd. Uiteindelijk heeft P&O de afspraken in de aanstellingsvoorwaardenbrief opgenomen. Hierbij heeft P&O alleen naar de leaseregeling en niet naar individuele, daarvan afwijkende, afspraken verwezen. [naam persoon 4] heeft deze brief gelezen en ondertekend en hij heeft daarbij niet aangegeven dat met eiser individuele afspraken zijn gemaakt die van de leaseregeling afwijken. Eiser heeft evenmin aangegeven dat met hem andere afspraken zijn gemaakt en ook hij heeft de brief voor akkoord ondertekend. Dat P&O een controlebevoegdheid heeft en een streep door afspraken zet die niet kunnen worden gemaakt, heeft verweerder op zitting bevestigd. De rechtbank kan hieruit niet anders dan concluderen dat P&O de afspraken, voor zover dat nodig was, in lijn heeft gebracht met wat mogelijk is (de leaseregeling) en dit in de arbeidsvoorwaardenbrief heeft opgenomen. [naam persoon 4] en eiser hebben met de arbeidsvoorwaardenbrief ingestemd en eiser heeft tegen deze voorwaarden ook geen bezwaar gemaakt.

4.4

Deze conclusie komt overeen met een ter zitting door verweerder voorgelezen verklaring van [naam persoon 5] . In deze verklaring bevestigt [naam persoon 5] dat hij bij de arbeidsvoorwaardengesprekken aanwezig is geweest en dat is afgesproken dat de auto conform de leaseauto functiegebonden was. Als [naam persoon 4] zou hebben toegezegd dat de auto persoonsgebonden was, was [naam persoon 5] daar niet bij en is dit volgens [naam persoon 5] ook niet vastgelegd.

4.5

Ook uit het e-mailbericht van 7 juni 2018 van [naam persoon 2] over eisers overstap naar Plan Oost en uit de ongedateerde brief van [naam persoon 1] over eisers rolwijziging per 1 april 2019 blijkt niet dat met eiser is afgesproken dat hij altijd van de leaseauto gebruik mag maken. Beide verwijzen naar de afspraken / arbeidsvoorwaarden die bij eisers aanstelling zijn gemaakt en, zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, zijn de voorwaarden van de leaseregeling toen op het gebruik van de leaseauto van toepassing verklaard. Daarbij geldt voor het e-mailbericht van [naam persoon 2] nog dat daaruit alleen kan worden afgeleid dat eiser bij zijn aanstelling met verweerder heeft afgesproken dat hij van een leaseauto gebruik mag maken en dat vervolgens is afgesproken dat eiser van die auto gebruik mocht blijven maken toen hij naar Plan Oost was overgestapt. Dit laatste was vanuit zijn werkzaamheden gerechtvaardigd. Hierbij geeft [naam persoon 2] zelfs nog aan dat hij de precieze inhoud van de afspraken niet kent.

4.6

Verder leiden ook de verklaring van 14 januari 2020 van [naam persoon 3] en het
e-mailbericht van 29 oktober 2008 van [naam persoon 4] niet tot een andere conclusie.

4.7

Eiser, verweerder en ook [naam persoon 3] zelf geven aan dat [naam persoon 3] niet bij de arbeidsvoorwaardengesprekken aanwezig is geweest. De verklaring van [naam persoon 3] lijkt dan ook niet van eerste hand te zijn en dateert daarnaast ook van tien jaar nadat de gesprekken hebben plaatsgevonden.

4.8

Het e-mailbericht van [naam persoon 4] gaat niet over eiser maar over een onbekende derde. Daarbij blijkt ook uit dit e-mailbericht niet dat met de onbekende derde is afgesproken dat hij altijd van een leaseauto gebruik mag maken.

4.9

Dit geheel maakt dat de rechtbank niet is gebleken dat met eiser is afgesproken dat hij altijd, ongeacht zijn functie, van een leaseauto gebruik mag maken. Nu partijen het daarnaast ook met elkaar eens zijn dat eiser op basis van de leaseregeling niet voor een leaseauto in aanmerking komt, ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat verweerder eisers verzoek om een leaseauto had moeten toewijzen.

5.1

Het beroep is ongegrond.

5.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, rechter,
in aanwezigheid van mr. P.F.H.M. Terstegge, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.