Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
C/10/607605 / HA ZA 20-1084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident handel-kanton. Incident niet-ontvankelijkheid. Vordering VvE tegen een derde op grond van art. 6:74 BW (overeenkomst) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). Artt. 93 sub a, sub b en sub d Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/607605 / HA ZA 20-1084

Vonnis in incident van 3 maart 2021

in de zaak van

de vereniging van eigenaars

[naam eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

advocaat mr. D. Vermaat te Barendrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINTER BAHLMAN VVE BEHEER B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

advocaat mr. H. van der Wilt te Ridderkerk.

Partijen zullen hierna [naam eiseres] en Winter Bahlman genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 november 2020, met producties 1 t/m 18,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie tot (relatieve) onbevoegdheid tevens houdende exceptie tot niet-ontvankelijkheid, met één productie,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met productie 19.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert [naam eiseres] – kort weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

  1. te verklaren voor recht dat Winter Bahlman toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van haar overeenkomst met [naam eiseres] , alsmede te verklaren voor recht dat Winter Bahlman aansprakelijk is voor de schade die [naam eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg daarvan,

  2. Winter Bahlman te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van de door [naam eiseres] geleden schade van € 24.313,03, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 juni 2019,

Subsidiair

  1. te verklaren voor recht dat Winter Bahlman onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiseres] , alsmede te verklaren voor recht dat Winter Bahlman aansprakelijk is voor de schade die [naam eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Winter Bahlman jegens [naam eiseres] ,

  2. Winter Bahlman te veroordelen tot betaling aan Winter Bahlman van de door [naam eiseres] geleden schade van € 24.313,03, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 juni 2019,

Zowel primair als subsidiair als meer subsidiair

  1. Winter Bahlman te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 1.018,13, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,

  2. Winter Bahlman te veroordelen in de kosten van het geding en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis plaatsvindt – te vermeerderen met wettelijke rente.

3. Het geschil in de incidenten

Incident (relatieve) onbevoegdheid

3.1.

Winter Bahlman vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om over de vorderingen van [naam verweerster] te oordelen en deze zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Rotterdam, met veroordeling van [naam verweerster] in de kosten van dit incident.

3.2.

Winter Bahlman voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Ad I. De kantonrechter is (relatief) bevoegd op grond van artikel 93 sub d Rv

3.2.1.

Uit boek 5 titel 9 BW volgt dat voor vrijwel ieder onderwerp aangaande de rechtsverhouding tussen de VvE en derden, de kantonrechter (exclusief) bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen.

3.2.2.

Voorts is de exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond op artikelen 5:125 en 5:126 BW in combinatie met artikel 41 lid 5 van de splitsingsakte en het KNB-modelreglement januari 1992. In het KNB-modelreglement wordt in diverse artikelen verwezen naar de kantonrechter. Dergelijke in de splitsingsakte en het modelreglement genoemde onderwerpen, waaronder de bevoegdheid om namens de VvE in rechte te kunnen optreden, behoren bij uitstek tot het terrein van de kantonrechter.

3.2.3.

Daarnaast is de kantonrechter op grond van artikel 5:138 BW ook bevoegd om kennis te nemen van geschillen over herstel of de wijze van herstel in relatie tot de rechten uit verzekeringsovereenkomsten. [naam verweerster] heeft een gebouwenverzekering en het is relevant voor de rechtspositie van Winter Bahlman in het kader van de omvang van de gevorderde herstelkosten en de op [naam verweerster] rustende schadebeperkingsplicht of [naam verweerster] haar gebouwenverzekering heeft aangesproken voor het herstel van de door haar geleden schade.

Ad II De kantonrechter is (relatief) bevoegd op grond van artikel 93 sub a en b Rv

3.2.4.

Verder voert Winter Bahlman aan dat het totaalbedrag dat door [naam verweerster] wordt gevorderd niet de competentiegrens van € 25.000,00 uit artikel 93 sub a Rv overstijgt. De buitengerechtelijke incassokosten, zoals deze door [naam verweerster] gevorderd worden, kennen geen deugdelijke juridische grondslag en kunnen daarom niet worden meegeteld bij de bepaling van de hoogte van de vordering.

3.3.

[naam verweerster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Winter Bahlman, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident. Zij stelt daartoe het volgende. In het appartementsrecht wordt de kantonrechter als bevoegde rechter aangewezen in de procedures die voortvloeien uit de artikelen 5:106 lid 7, 5:121 leden 1 en 3, 5:128 lid 2, 5:130 lid 1, 5:138, 5:140 lid 1, 5:144 lid 1 en 5:145 BW. Deze artikelen zijn niet van toepassing op de onderhavige kwestie. Verder is de verwijzing van Winter Bahlman naar het Modelreglement 1992 zonder grond. Daarnaast overschrijdt de vordering van [naam verweerster] wel de competentiegrens. De vordering betreft ook de wettelijke rente ad 2% vanaf 4 juni 2019 tot 13 januari 2021 van € 790,64, waardoor de totale vordering van [naam verweerster] € 25.103,67 bedraagt.

Incident niet-ontvankelijkheid

3.4.

Voorts vordert Winter Bahlman, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat [naam verweerster] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen in de hoofdzaak, met veroordeling van [naam verweerster] in de kosten van dit incident.

3.5.

Winter Bahlman voert daartoe – kort samengevat – aan dat het bestuur van [naam verweerster] niet beschikt over een procesvolmacht van de vergadering van eigenaars om jegens Winter Bahlman een procedure te starten.

3.6.

[naam verweerster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Winter Bahlman, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident. [naam verweerster] betwist dat zij niet over een procesvolmacht van de vergadering van eigenaars beschikt om te procederen jegens Winter Bahlman.

4. De beoordeling in de incidenten

Incident (relatieve) onbevoegdheid

Ad I Artikel 93 sub d Rv

4.1.

Artikel 93 sub d Rv bepaalt dat zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Winter Bahlman verzorgde het beheer van het flatgebouw “ [naam flatgebouw] ” vanaf 1 januari 2014 t/m 31december 2018.

[naam verweerster] vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van Winter Bahlman op grond van artikel 6:74 BW, dan wel op grond van artikel 6:162 BW. Volgens [naam verweerster] is Winter Bahlman toerekenbaar tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, of op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk jegens [naam verweerster] voor de schade die [naam verweerster] heeft geleden doordat Winter Bahlman de firma Martinu B.V. niet in gebreke heeft gesteld. De procedure vloeit hiermee voort uit een geschil over de nakoming van de overeenkomst tussen [naam verweerster] en Winter Bahlman, dan wel over een onrechtmatige daad van Winter Bahlman tegenover [naam verweerster] . Het betreft geen procedure voortvloeiende uit één van de in boek 5 titel 9 BW genoemde bepalingen op grond waarvan de kantonrechter exclusief bevoegd is.

4.2.

De stelling van Winter Bahlman dat de bevoegdheid om namens de VvE in rechte te kunnen optreden tot het terrein van de kantonrechter behoort, kan aan het voorgaande niet afdoen. De verwijzing van Winter Bahlman naar artikel 5:125 en artikel 5:126 BW in combinatie met artikel 41 lid 5 van de splitsingsakte en het KNB-modelreglement januari 1992 laat onverlet dat, zoals onder 4.1 is overwogen, in het onderhavige geval geen sprake is van een zaak ten aanzien waarvan de wet bepaalt dat deze door de kantonrechter wordt behandeld en beslist.

4.3.

Voor zover Winter Bahlman stelt dat de kantonrechter ingevolge artikel 5:138 BW bevoegd is om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, gaat dat standpunt evenmin op. Artikel 5:138 BW ziet op geschillen tussen de gezamenlijke appartementseigenaren over herstel en niet – zoals in dit geval aan de orde – op geschillen tussen een vereniging van eigenaars en derden.

Ad II Artikel 93 sub a en b Rv

4.4.

Op dit punt dient beoordeeld te worden of de vordering van [naam verweerster] de competentiegrens van € 25.000,00 uit artikel 93 sub a Rv overschrijdt.

4.5.

De stelling van [naam verweerster] dat de wettelijke rente over de periode van 4 juni 2019 tot 13 januari 2021 ook moet worden meegeteld houdt geen stand, omdat uitsluitend de opeisbare rente tot aan de dag van dagvaarding mag worden meegerekend. Desondanks overstijgt de vordering de competentiegrens, omdat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten (€ 1.018,13) moet worden meegerekend. Samen met de gevorderde hoofdsom van € 24.313,03 wordt het bedrag van € 25.000,00 overschreden. Anders dan Winter Bahlman stelt, is het voor de vraag of de competentiegrens wordt overgeschreden niet relevant of de in de vordering begrepen buitengerechtelijke kosten al dan niet toewijsbaar zijn.

4.6.

Conclusie uit het voorgaande is dat de incidentele vordering tot (relatieve) onbevoegdheid moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

4.7.

Winter Bahlman zal als de in het ongelijk gesteld partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld, tot op heden begroot op € 563,00 aan salaris advocaat (1 punt x tarief € 563,00). Deze veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu de vordering daartoe is gegrond op de wet en niet is weersproken.

Incident niet-ontvankelijkheid

4.8.

Bij de conclusie van antwoord in het incident heeft [naam verweerster] productie 19 overgelegd. Aan de hand van deze productie stelt [naam verweerster] dat haar leden bij stemming van 20 maart 2019 unaniem besloten hebben tot het voeren van de onderhavige procedure en het bestuur daartoe hebben gemachtigd. Winter Bahlman heeft nog geen gelegenheid gehad om hierop te reageren. De rechtbank acht het noodzakelijk in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor om Winter Bahlman die gelegenheid alsnog te bieden.

4.9.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de hierna te noemen rolzitting, waarbij Winter Bahlman de gelegenheid krijgt om (in haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak) te reageren op de door [naam verweerster] overgelegde productie 19.

4.10.

De rechtbank houdt iedere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Winter Bahlman in de proceskosten, tot op heden begroot op

€ 563,00,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tot niet-ontvankelijkheid

5.4.

houdt iedere beslissing aan,

in de hoofdzaak

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 maart 2021 voor conclusie

van antwoord, waarbij Winter Bahlman zich tevens kan uitlaten als hiervoor onder 4.9.

bedoeld,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend door mr. C. Bouwman, rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.

3360/1977/638