Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1877

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
8886264 CV EXPL 20-42062
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8886264 CV EXPL 20-42062

uitspraak: 5 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de vereniging

Woningbouwvereniging Goeree-Overflakkee,

gevestigd te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

die procedeert in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘WGO’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding van 10 november 2020, met producties;

• de conclusie van antwoord, alsmede de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van gedaagde;

• de conclusie van repliek, met producties;

• de conclusie van dupliek.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] huurde van WGO de woning aan het adres [adres] .

2.2

De huurovereenkomst is inmiddels beëindigd. Op het moment van beëindiging bestond er een achterstand in de betaling van de huurpenningen. [gedaagde] heeft het openstaande bedrag niet volledig voldaan.

3. Het geschil

3.1

WGO vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan WGO van een bedrag van € 906,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 750,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Het door WGO gevorderde bedrag van € 906,49 bestaat uit € 1.536,10 aan achterstallige huurpenningen, € 136,13 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw en € 20,36 aan vervallen wettelijke rente, waarop in mindering is gebracht een reeds door [gedaagde] voldaan bedrag van € 786,10.

3.3

WGO heeft nakoming van voornoemde huurovereenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] was op grond van de huurovereenkomst verplicht de maandelijkse huur te betalen. Hij is deze verplichting niet (volledig) nagekomen, waardoor een huurachterstand is ontstaan. Ten tijde van de beëindiging van de huurovereenkomst stond er nog een bedrag van € 1.536,10 aan achterstallige huur open, welk bedrag middels een eindafrekening nogmaals bij [gedaagde] in rekening is gebracht. Ondanks aanmaning heeft [gedaagde] nagelaten het verschuldigde bedrag volledig te voldoen. Over het openstaande bedrag is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd vanaf de verzuimdatum. De wettelijke rente bedraagt tot 10 november 2020 € 20,36. Nu [gedaagde] ook na de zogenaamde 14–dagenbrief van 6 oktober 2020 de vordering niet volledig heeft betaald, is hij tevens de in deze brief aangezegde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] twee betalingen gedaan. De procedure is daarmee echter niet voorkomen omdat nog niet de gehele vordering betaald is.

3.4

[gedaagde] is het niet eens met de vordering van WGO. Hij voert - kort samengevat - het volgende aan. [gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is ontstaan. Er was sprake van financiële omstandigheden. Hij heeft een betalingsregeling van € 50,- toegezegd en de achterstand is nu ingelopen op een bedrag van € 250,- na. Het was daarom niet nodig om de deurwaarder in te schakelen en een dagvaardingsprocedure te starten. [gedaagde] is niet bereid de deurwaarderskosten en de kosten van deze procedure te betalen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat dat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een bedrag van € 750,- aan huurachterstand openstond. Voorts is niet in geschil dat [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding twee betalingen van € 500,- in totaal heeft gedaan en dat aan huurachterstand daarom thans nog een bedrag van € 250,- openstaat. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag erkend. De door [gedaagde] gestelde financiële omstandigheden ontslaan hem niet van zijn betalingsverplichtingen jegens WGO.

4.2

[gedaagde] heeft gesteld dat hij met WGO een betalingsregeling van € 50,- per maand is overeengekomen. Uit dit verweer van [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat hij van mening is dat de vordering van WGO niet opeisbaar is. WGO heeft in haar conclusie van repliek het bestaan van een betalingsregeling van € 50,- per maand gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat [gedaagde] weliswaar een voorstel heeft gedaan om € 50,- per maand af te lossen, maar dit voorstel is door haar niet geaccepteerd. Wel is een tegenvoorstel gedaan voor een regeling van € 100,-- per maand. Dit tegenvoorstel is echter door [gedaagde] niet geaccepteerd en ook niet nagekomen, waarna dit is komen te vervallen en het restant in zijn geheel opeisbaar is geworden, aldus WGO. Het lag gelet hierop op de weg van [gedaagde] om zijn stelling dat sprake was van een betalingsregeling van € 50,- per maand nader te onderbouwen. Dat heeft hij echter niet gedaan, waardoor het bestaan van die betalingsregeling niet vast is komen te staan.

4.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot betaling van de hoofdsom opeisbaar is en wordt toegewezen tot een bedrag van € 250,-.

4.4

Voorts dient beoordeeld te worden of [gedaagde] wettelijke rente en/of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

4.5

Ingevolge artikel 6:119 BW is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat de hij met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. Niet in geschil is dat [gedaagde] de verschuldigde huurpenningen niet volledig heeft voldaan. Hij is dus in verzuim geraakt en als gevolg daarvan de wettelijke rente verschuldigd geworden. WGO heeft onbetwist gesteld dat de wettelijke rente tot 10 november 2020 € 20,36 bedraagt. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding zal worden toegewezen als in het dictum van dit vonnis bepaald.

4.6

WGO maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij de bij dagvaarding overgelegde aanmaning van 6 oktober 2020 heeft ontvangen waarin hem wordt verzocht het openstaande bedrag binnen 14 dagen vanaf de dag nadat de brief bij hem is bezorgd alsnog te voldoen. Naar aanleiding van deze brief is [gedaagde] niet tijdig tot (volledige) betaling overgegaan. De aanmaning voldoet aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW en het hierin aangezegde bedrag is in overeenstemming met de toepasselijke tarieven berekend. Het gevorderde bedrag van € 136,13 is dan ook toewijsbaar.

4.7

Ingevolge artikel 6:29 BW heeft de kantonrechter niet de bevoegdheid om WGO een betalingsregeling op te leggen. Indien gewenst kunnen partijen hierover met elkaar in overleg treden.

4.8

[gedaagde] stelt dat hij ten onrechte gedagvaard is en daarom geen proceskosten verschuldigd is. Vaststaat echter dat hij op het moment van dagvaarden nog een bedrag moest betalen aan WGO en dat daarvoor op dat moment geen betalingsregeling liep. WGO mocht daarom een procedure starten. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan WGO te betalen een bedrag van € 406,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag dat vanaf de dag van dagvaarding aan huurachterstand heeft opengestaan tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WGO vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 105,09 aan dagvaardingskosten en € 248,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416