Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1802

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2221
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

belastingrecht; zuiveringsheffing bedrijfsruimte vogelopvang; niet gelijk aan rioolheffing; vogelopvang is ondanks bassins niet als zwembad aan te merken, waarvoor een lagere afvalwatercoëfficiënt geldt; dus restcategorie; bob goed gemotiveerd; ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-03-2021
V-N Vandaag 2021/602
FutD 2021-0880
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2221

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [vestigingsplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: [naam],

en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Wilhelmy Damsté.

Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 31 januari 2020 heeft verweerder aan eiseres voor het belastingjaar 2020 een aanslag waterschapsbelastingen zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd van € 4.691,83 (hierna: de aanslag).

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 april 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de aanslag ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 30 april 2020.

Van eiseres zijn aanvullende stukken ingekomen, gedateerd 18 mei 2020 en 7 januari 2021.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die telefonisch aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is op 22 januari 2021 geschorst.

Van verweerder is op 27 januari 2021 nadere informatie ingekomen. Bij brief van 2 februari 2021 heeft eiseres hierop gereageerd.

Op 3 februari 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De aanslag is opgelegd voor het object [adres], waar de door eiseres gedreven vogelopvang ‘[naam opvang]’ is gevestigd. Voor het belastingjaar 2020 is de aanslag, zoals daarop is vermeld, gebaseerd op 50,18 vervuilingseenheden.

2. Eiseres voert aan dat de aanslag met 57,5% dient te worden verlaagd tot een bedrag van € 2.709,53, overeenkomstig het percentage niet op het riool geloosd drinkwater waarover door verweerder geen rioolheffing is geheven. Door het gebruik van drinkwater om de vogelbassins te vullen, wordt dat deel van het gebruikte drinkwater niet op het riool geloosd, aldus eiseres.

2.1.

De belasting die op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet onder de naam rioolheffing wordt geheven, is niet op één lijn te stellen met de zuiveringsheffing bedoeld in artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet. Verweerder betoogt terecht dat het forfaitaire karakter van de wettelijke regeling in de weg staat aan verlaging van de aanslag overeenkomstig het aantal kubieke meters ingenomen maar niet geloosd water (vergelijk rechtsoverweging 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4974). Dit betoog slaagt niet.

3. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel onder verwijzing naar de vermelding “U betaalt geld voor het schoonmaken van afvalwater. Als u dit loost op het riool betaalt u zuiveringsheffing” op de website van het Hoogheemraadschap van Delfland, slaagt ook niet.

3.1.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694). Algemene voorlichting is volgens rechtsoverweging 11.2 van die uitspraak niet aan te merken als een toezegging.

3.2.

De mededeling op de website van het Hoogheemraadschap van Delfland is aan te merken als algemene voorlichting, omdat die informatie niet is toegesneden op de concrete situatie. Verweerder heeft toegelicht dat die zinsnede ertoe dient om de zuiveringsheffing te onderscheiden van de verontreinigingsheffing, die betaald wordt als men afvalwater direct op het oppervlaktewater loost. Aan deze mededeling kan niet het vertrouwen worden ontleend dat alleen het via het riool afgevoerde deel van het ingenomen water wordt belast.

3.3.

De enkele stelling van eiseres dat het op de website van verweerder voor de berekening verwijzen naar telefonische informatie onjuist is gebleken omdat ‘de telefonisch medewerker’ het niet wist of verkeerde informatie gaf, leidt niet tot een ander oordeel. Welke informatie deze medewerker zou hebben verstrekt, licht eiseres niet toe. Hieruit blijkt daarom niet van een welbewuste standpuntbepaling van verweerder over de manier waarop in het geval van eiseres een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

4. In reactie op het verweerschrift voert eiseres aan dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd omdat daaruit niet blijkt op welke gegevens het aantal vervuilingseenheden en het bedrag van de aanslag is gebaseerd. Dit betoog slaagt niet.

4.1.

De juistheid van het aantal vervuilingseenheden en het bedrag van de aanslag heeft eiseres in bezwaar niet betwist. Zij heeft alleen een verlaging van de aanslag bepleit, overeenkomstig het percentage niet op het riool geloosd drinkwater. Verweerder is daar in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan. Voor het oordeel dat het bestreden besluit in dat opzicht ontoereikend is gemotiveerd bestaat daarom geen grond.

4.2.

Met de nadere informatie die verweerder op 27 januari 2021 heeft verstrekt, heeft hij inzichtelijk gemaakt op basis van welke gegevens het bedrag van de aanslag is berekend. Uit het beroepschrift van 22 april 2020 blijkt niet dat de vraag naar die informatie voor eiseres aanleiding was om beroep in te stellen; die vraag is pas tijdens de beroepsprocedure opgekomen. Als eiseres die informatie (eerder) had willen hebben, had zij verweerder daar in de bezwaarfase om kunnen vragen. Voor zover zij betoogt dat verweerder die informatie (ongevraagd) had dienen te verstrekken, wordt zij hierin niet gevolgd (vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:95).

5. De stelling van eiseres dat de door verweerder gehanteerde formule (A × B) onvolledig is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft het aantal vervuilingseenheden berekend aan de hand van de formule in artikel 122k, eerste lid, van de Waterschapswet. Dat verweerder de uitkomst vermenigvuldigd heeft met het tarief van € 93,50 per vervuilingseenheid volgens artikel 20 van de Verordening Zuiveringsheffing Delfland 2020, maakt de formule niet onvolledig. De manier waarop het aantal vervuilingseenheden wordt berekend is constant, terwijl het tarief per vervuilingseenheid per gemeente en belastingjaar in hoogte kan variëren.

6. Eiseres betoogt dat verweerder haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als zwem- en badinrichting als bedoeld in de Klasse-tabel Afvalwatercoëfficiënten en dat hij ten onrechte niet een afvalwatercoëfficiënt 0,0039 heeft toegepast, uitgaande van een waterverbruik van circa 2.100 m³. Dat betoog slaagt niet.

6.1.

De hiervoor bedoelde tabel, die op de website van verweerder is te vinden (https://www.derbg.nl/zakelijk/belastingoverzicht/zuiveringsheffing-bedrijfsruimte/ onder een link genaamd ‘tabel afvalwatercoëfficiënten’), maakt geen melding van ‘vogelopvang’ als zelfstandige tabelcategorie. Dat brengt mee dat een vogelopvang per definitie valt onder de restcategorie ‘niet in deze tabel vermelde bedrijven of onderdelen daarvan’ waarvan de klasse 8 is, en de coëfficiënt voor de berekening van de aanslag 0,023 (ondergrens 0,018 – bovengrens 0,029).

6.2.

Dat een vogelopvang gelijk is te stellen aan een ‘zwem- en badinrichting’ maakt eiseres met haar enkele, eerst in beroep aangevoerde stelling dat 90% van het ingenomen water wordt gebruikt voor het vullen van bassins, niet aannemelijk. Dat wordt niet anders als eiseres in die stelling zou worden gevolgd. De tabel voorziet niet in de mogelijkheid om een andere bedrijfscategorie aan een zwem- of badinrichting gelijk te stellen, enkel op basis van het percentage ingenomen water en het gebruik daarvan. De restcategorie blijft dan over. Verweerder was in redelijkheid niet gehouden de keuze voor die categorie nader te motiveren.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).