Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1791

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
10/281283-20 / TUL: 09/808244-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Veroordeling van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde jeugddetentie (60 dagen), waarbij de jeugddetentie wordt omgezet in een gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/281283-20

Parketnummer TUL: 09/808244-18

Datum uitspraak: 3 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan,

raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 09/808244-18.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdachte kan niet worden gelinkt aan de tas. De tas is niet onderzocht en op het vuurwapen is niet het DNA van de verdachte aangetroffen. Bovendien kwam de kleding die de verdachte aanhad bij zijn aanhouding niet overeen met de kleding van de persoon die de politie eerder met de tas had zien lopen.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, uit van de volgende feiten.

Op 6 november 2020 om 03:10 uur krijgen verbalisanten de melding dat er op de Majubastraat, ter hoogte van de De Wetstraat, te Ridderkerk twee jongens met capuchon op op een scooter zouden rijden en dat de melder het niet zou vertrouwen. Om 03:12 uur komen verbalisanten ter plaatse. De melder vertelde hen dat een van de jongens op de scooter is weggereden en dat de andere jongen te voet is vertrokken en nog ergens in de wijk moet zijn. Om 03:28 uur zien verbalisanten op de Generaal Smutsstraat te Ridderkerk, op de hoek met de De Wetstraat, een jongen lopen met een capuchon over zijn hoofd. Verbalisanten nemen waar dat deze jongen een zwart lederen schoudertas draagt en dat deze tas iets bol staat, vanwege de goederen die er in zouden zitten. Nadat verbalisanten hem aanspreken, rent hij weg op de Generaal Smutsstraat in de richting van de Maaslaan. Om 03:30 uur zien verbalisanten in de omgeving een man in een zijpad staan die aan het eerder genoemde signalement voldeed. Ze rijden de Generaal Smutsstraat op in de richting van het zijpad waar deze persoon zich bevond. De man was erg bezweet, de druppels zweet liepen van zijn gezicht af. Deze man bleek de verdachte te zijn. De verdachte heeft op dat moment geen schoudertas bij zich. Korte tijd later is ter hoogte van huisnummer [huisnummer] in de Generaal Smutsstraat een tas gevonden. Verbalisanten herkenden deze schoudertas als de tas die de persoon die zij eerder die nacht hadden waargenomen bij zich droeg voordat hij wegrende. In de schoudertas bevond zich een vuurwapen met bijbehorende kogelpatronen en een rijbewijs op naam van de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: medeverdachte). Voorts kwam de medeverdachte om 03.30 uur aan het einde van de Generaal Smutsstraat aangereden op een scooter.

Voorhanden hebben vuurwapen

De verdachte heeft ontkend dat de tas met het vuurwapen van hem was. De verbalisanten hebben die nacht een persoon met een tas waargenomen die, nadat hij werd aangesproken, is weggerend. De verdachte heeft niet ontkend dat hij die nacht kort voor zijn aanhouding werd aangesproken door de politie en dat hij toen is weggerend. Uit het dossier is niet gebleken van een ander persoon die die nacht door de politie is aangesproken en weggerend. Gelet hierop en mede gelet op het korte tijdsbestek, namelijk 2 minuten, tussen het moment dat de verbalisanten een persoon met een tas zien op de Generaal Smutssstraat en het moment dat de verdachte werd waargenomen in een zijpad van de Generaal Smutsstraat en het feit dat de tas kort daarop in diezelfde straat is gevonden, kan worden vastgesteld dat het de verdachte was die eerder met deze tas was waargenomen. Daarbij komt dat de aangetroffen tas door de verbalisanten werd herkend als de tas waarmee zij de eerder waargenomen persoon hadden zien lopen. Dat de verdachte volgens de verdediging niet geheel dezelfde kleding aan had als de persoon die door de verbalisanten is waargenomen, wat daar ook van zij, doet niet af aan het voorgaande. Bovendien pastte de verdachte volgens de verbalisanten in het signalement van deze persoon.

Op basis van het voorgaande, in onderling verband en in samenhang gezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte op 6 november 2020 de beschikkingsmacht had over het vuurwapen met de bijbehorende kogelpatronen.

Medeplegen

In de tas die de verdachte kort voor zijn aanhouding bij zich had, is voornoemd vuurwapen aangetroffen en het rijbewijs van de medeverdachte. Uit het NFI rapport is gebleken dat een relatief grote hoeveelheid DNA van de medeverdachte op de ruwe delen van het vuurwapen is aangetroffen. Daarbij komt dat de medeverdachte om 03.30 uur, rond hetzelfde tijdstip waarop verbalisanten de verdachte hebben zien staan in een zijpad van de Generaal Smutsstraat, aan het einde van de Generaal Smutsstraat kwam aangereden op een scooter. Gelet op het feit dat de melder kort daarvoor (om 03.10 uur) de ene jongen had zien wegrijden op de scooter en de andere jongen weg had zien lopen, alsmede nu beide verdachten kort daarop - de een op de scooter en de ander te voet - in diezelfde omgeving werden aangetroffen en het feit dat het wapen met DNA van de medeverdachte en zijn rijbewijs in de tas van de verdachte zijn aangetroffen, kan worden vastgesteld dat de medeverdachte eerder die avond met de verdachte de beschikking heeft gehad over het wapen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie bewezen.

4.1.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 06 november 2020 te Ridderkerk

tezamen en in vereniging met een ander

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens

en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm

van een pistool van het merk SIG Sauer, type P220, kaliber 9mm en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de

Wet wapens en munitie, te weten vier bij het vuurwapen behorende kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met een ander op de openbare weg een vuurwapen voorhanden gehad. Het patroonmagazijn van het wapen was gevuld met munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen vormt een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van personen en heeft een grote maatschappelijke impact. De ervaring leert immers dat het voorhanden hebben van wapens het gebruik ervan uitlokt. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens moet daarom streng worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

In een e-mail van de Reclassering Nederland van 9 november 2020 ten behoeve van de voorgeleiding is het volgende vermeld:

Onder parketnummer 09.808244-18 staat hij onder toezicht wegens een diefstal met geweldpleging. Op 21 april 2020 hebben wij een advies ten uitvoerlegging geschreven, welke bij zitting van 29 juni 2020 gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd wegens het onvoldoende meewerken aan het toezicht. De Waag had de behandeling gestopt, omdat cliënt te vaak afwezig was en hij geen hulpvraag had. Ook verscheen hij onvoldoende op de meldplichtafspraken en heeft hij meerdere malen het contactverbod overtreden.

In juli 2020 is cliënt aangehouden voor een gewapende overval, waarvan hij op 4 november is vrijgesproken (10.650041-20). Het baart ons dan ook grote zorgen dat hij nog geen twee dagen nadat hij vrijkwam opnieuw verdacht wordt van een delict. Ook was hij wederom samen met de heer [naam medeverdachte] waarmee een contactverbod is.

De heer [naam verdachte] heeft na het einde van de voorlopige hechtenis op 4 november geen contact

opgenomen met de reclassering. Wij hebben wel geprobeerd contact te leggen, maar het bij ons bekende telefoonnummer was buiten gebruik. De bijzondere voorwaarden zoals nu geformuleerd lijken onvoldoende effect te hebben. Wellicht zal een NIFP-onderzoek meer duidelijkheid geven.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 februari 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

Op het moment dat onderhavige feiten zich hebben afgespeeld, was er sprake van een proeftijd en een reclasseringstoezicht en bovendien was de verdachte reeds twee dagen op vrije voeten. Gedurende het toezicht voorafgaand aan zijn vorige hechtenis heeft de verdachte een wisselende houding en inzet en vaak een beperkte mate van openheid laten zien. Betrokkene heeft zich tot op heden ten aanzien van zijn meldplicht, behandelverplichting en het contactverbod onvoldoende gehouden aan de voorwaarden. Hierover geeft hij zelf te kennen dat het achteraf bezien een beetje gemakzucht is geweest. Hij vond het allemaal niet zo noodzakelijk en zag het nut niet in van de gesprekken. Ook geeft betrokkene aan dat hij eerst alles serieus nam maar hij op een gegeven moment in een gemakzuchtigere modus belandde en hij de afspraken niet zo nauw meer nam.

Risico’s ziet de reclassering vanuit reclasseringsperspectief in het netwerk van de verdachte en zeker in combinatie met het feit dat hij geen zinvolle dagbesteding heeft. De contacten met politie en justitie, zeker snel op elkaar volgend, vindt de reclassering een zorgelijke ontwikkeling.

Aanvankelijk was mogelijk beschermend de houding van de verdachte daar hij eerder aangaf zich in te willen zetten voor een constructieve toekomst. Bij een veroordeling voor onderhavige feiten kan de reclassering uitspraken over de wijze waarop hij invulling wil geven aan zijn leven in twijfel trekken. Om een positieve en constructieve weg te kunnen inslaan, schat de reclassering in dat meer structuur en controle noodzakelijk zal zijn. Om die reden heeft de reclassering in de onderstaande voorwaarden ook een locatiegebod middels elektronische controle geadviseerd. Verder zal binnen het toezicht naast een controlerend

element ook worden gewerkt aan de factoren die als criminogeen beschouwd kunnen worden. Positief is te noemen dat de verdachte bij zijn ouders terecht kan na zijn detentie. Met zijn zus, die namens het gezin spreekt, is contact geweest voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek elektronische controle, hetgeen uitvoerbaar blijkt te zijn. Het doel is nog steeds om ouders/familie te betrekken binnen het toezicht en de begeleiding. De combinatie van toezicht met elektronische controle en het betrokken zijn van familie kunnen beschermende factoren zijn.

De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling waarbij de lengte van de straf het toelaat dat de verdachte een voorwaardelijk strafdeel opgelegd krijgt, acht de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden geïndiceerd: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod, een locatiegebod en een inspanningsverplichting voor dagbesteding, inkomen en afbetaling van schulden. Daarbij acht de reclassering het van belang dat er een forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur wordt opgelegd.

Bij een veroordeling met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kunnen deze bijzondere voorwaarden worden meegenomen in het resocialisatieplan in het kader van de V.I. Verder ziet de reclassering geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze stukken.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De Reclassering Nederland heeft geadviseerd bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het dossier is echter gebleken dat een eerder opgelegde voorwaardelijke straf waaraan bijzondere voorwaarden waren gekoppeld deels tenuitvoer is gelegd omdat de verdachte zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden. Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat de verdachte zich tot op heden niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank – gelet op de ernst van het feit en voornoemde houding van de verdachte bij dit eerdere toezicht – geen aanleiding om een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 28 maart 2019 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage is de verdachte ter zake van medeplegen van poging tot diefstal, vergezeld van geweld, en medeplegen van mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek, waarvan een gedeelte groot 107 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 12 april 2019. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van 29 juni 2020 is de proeftijd verlengd en is een deel van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer gelegd.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het restant van de voorwaardelijke gevangenisstraf (zijnde 60 dagen) te gelasten.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van het vonnis van 28 maart 2019 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde jeugddetentie, voorzover deze niet reeds ten uitvoer is gelegd. Nu de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor een zodanige straf in aanmerking komt, zal de jeugddetentie worden vervangen door een gevangenisstraf van dezelfde duur.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op het artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de bij vonnis van 28 maart 2019 van de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage opgelegde jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen, in die zin dat deze vrijheidsstraf wordt omgezet in een gevangenisstraf van voormelde duur.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Bergen, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en A. Greve-Kortrijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 06 november 2020 te Ridderkerk

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens

en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm

van een pistool van het merk SIG Sauer, type P220, kaliber 9mm en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de

Wet wapens en munitie, te weten vier bij het vuurwapen behorende, althans voor

het vuurwapen geschikte kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft

gehad.