Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1779

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
C/10/609395 / KG ZA 20-1128
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, toepassing art. 245 Rv. Opdrachtgever tot voeren kort geding wordt veroordeeld in de proceskosten.

zie ook ECLI:NL:RBROT:2021:2209

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/609395 / KG ZA 20-1128

Vonnis in kort geding van 18 januari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 1] ,

met dien verstande dat is verzocht de naam van eisende partij te wijzigen in

[naam eiser 2] , handelende onder de naam [handelsnaam],

wonende [woonplaats eiser 2] , zaakdoende te [plaatsnaam] ,

eisende partij,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.H. Hordijk te Capelle aan den IJssel.

Gedaagde wordt hierna [naam gedaagde] genoemd.

1. Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 januari 2021;

- de fax van 11 januari 2021 van mr. Van Voskuilen.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. Rechtsoverwegingen

1. Hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 11 januari 2021 geldt als hier overgenomen.

2. In het tussenvonnis heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vorderingen van eisende partij worden afgewezen. Voorts is overwogen en beslist dat de door eisende partij verzochte rectificatie niet wordt toegestaan, omdat [naam gedaagde] niet tijdig bekend is geraakt met haar processuele wederpartij. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat hij aanleiding ziet de advocaat van eisende partij op de voet van artikel 245 Rv in de kosten te veroordelen en eisende partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

3. Bij fax van 11 januari 2021 heeft mr. Van Voskuilen zich op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is overgegaan tot rectificatie van eisende partij en dat [naam eiser 2] (hierna: [naam eiser 2] ) in de proceskosten dient te worden veroordeeld, omdat hij de opdracht tot het voeren van het geding heeft gegeven.

4. Zoals hiervoor is overwogen is in het tussenvonnis al over de rectificatie beslist. De (herhaalde) argumenten van eisende partij geven geen aanleiding om terug te komen op deze bindende eindbeslissing. In de mededeling van mr. Van Voskuilen dat [naam eiser 2] de opdracht tot het voeren van het geding heeft gegeven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om [naam eiser 2] is de proceskosten te veroordelen. Artikel 245 Rv gaat immers uit van een draagplicht bij de opdrachtgever.

5. De slotsom is dat de vordering van eisende partij wordt afgewezen. [naam eiser 2] zal op de voet van artikel 245 Rv in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.284,00

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt [naam eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 1.284,00;

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2021.

3077/676