Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1703

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
8737229 HA VERZ 20-87
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil, 7:658 BW. Ongeval op schip. Werkgever niet al het nodige gedaan om ongeval te voorkomen. Ervaring wn en (mede) verantwoordelijkheid wn voor werkproces doen niet af aan verantwoordelijkheid werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0289
PS-Updates.nl 2021-0227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8737229 HA VERZ 20-87

uitspraak: 4 maart 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

inzake het verzoek van:

[naam verzoeker] ,

wonende in [woonplaats verzoeker] (gemeente [gemeente] ),

verzoeker,

gemachtigde mr. A. Hansma,

in de zaak tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Wijngaarden Marine Services B.V. ,

gevestigd in Hardinxveld-Giessendam ,

verweerster,

gemachtigde: mr. T. Jumelet en mr. O. Yesildag.

Partijen worden hierna “ [naam verzoeker] ” en “ Van Wijngaarden ” genoemd.

1. De procedure

1.1.

De kantonrechter beslist op de volgende processtukken:

- het verzoekschrift met producties, dat op 2 september 2020 is ontvangen door de griffie;

- de aantekening dat de mondelinge behandeling op 29 oktober 2020 heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via beeld- en geluidverbinding;

- de brief van mr. Hansma van 4 december 2020 met zes bijlagen;

- de antwoordakte van Van Wijngaarden .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1.

[naam verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , dus op dit moment 46 jaar, is in dienst bij Van Wijngaarden als stuurman/werktuigkundige op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.2.

Op 17 september 2018 is [naam verzoeker] een ongeval overkomen tijdens zijn werkzaamheden op het schip de ‘ [naam vaartuig] ’, een sleepboot van Van Wijngaarden , bij een kade bij de Falklandeilanden. Bij het opdraaien van een nieuwe staaldraad van 45 mm op de lier is de [naam vaartuig] uit koers geraakt en is de staaldraad over het dek gezwiept en heeft [naam verzoeker] geraakt. [naam verzoeker] heeft drie ribben aan de rechterzijde van zijn borst gebroken, een klaplong opgelopen en knieletsel opgelopen, bestaande uit onder meer afgescheurde kniebanden. De kapitein van de [naam vaartuig] was de heer [naam kapitein] (hierna: de kapitein).

2.3.

[naam verzoeker] is in Chili geopereerd aan zijn knie en heeft gerevalideerd bij Revalidatie Friesland. De behandelingen daar zijn in oktober 2019 afgerond. Nadien heeft [naam verzoeker] nog fysiotherapie gehad.

2.4.

[naam verzoeker] heeft Van Wijngaarden per brief van 16 juli 2019 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt als gevolg van het ongeval.

2.5. (

De verzekeraar van) Van Wijngaarden heeft op 25 oktober 2019 een bedrag van
€ 11.000,- aan [naam verzoeker] overgemaakt als voorschot op de schadevergoeding.

2.6.

Op 25 november 2019 heeft [naam verzoeker] verzocht om een aanvullende voorschot van € 6.000,-.

2.7.

In zijn (niet gedateerde) verklaring schrijft bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] (hierna: de bedrijfsarts) – voor zover relevant – het volgende:

“Tijdens het spreekuur op 28 februari 2020 heb ik met bovengenoemde medewerker het volgende besproken:

[…]

De wn is ongeveer in een medische eindtoestand beland na zijn ernstige ongeval. Daarbij zijn nog forse beperkingen en veel verbetering is dus niet meer te verwachten. Hij is uitbehandeld.

[…]

Verbetering valt niet meer te verwachten. De 3 x 4 upw aangepast werk is maximaal haalbare.

[…]”

De bedrijfsarts heeft op 28 februari 2020 een nieuwe functionele mogelijkheden lijst (hierna: FML) opgesteld.

2.8.

Arbeidsdeskundig specialist dhr. [naam arbeidsdeskundige] (hierna: de arbeidsdeskundige) heeft in maart 2020 een Herbeoordeling Arbeidsdeskundig Onderzoek uitgevoerd. De arbeidsdeskundige concludeert in zijn rapport van 12 maart 2020 dat het eigen werk van werktuigkundige/stuurman blijvend ongeschikt is voor [naam verzoeker] en hij adviseert het tweede spoort-traject te continueren.

2.9.

[naam verzoeker] heeft een WIA-uitkering aangevraagd.

2.10.

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft onderzoek gedaan naar het ongeval. [naam verzoeker] heeft tegenover twee inspecteurs van de ILT – voor zover van belang – het volgende verklaard:

“V [ktr: inspecteur(s)]: Er is op de dag van het ongeval geen toolbox gehouden voorafgaand aan de werkzaamheden. Hoe kijk je daar tegenaan?

A [ktr: [naam verzoeker] ]: De beslissing om wel of geen toolbox te houden ligt niet alleen bij de kapitein. Ook de andere officieren, waaronder ikzelf, kunnen beslissen om een toolbox te houden.

V: Vond je het nodig om een toolbox te houden?

A: Toen vond ik dat niet noodzakelijk. Nu kijk ik daar anders tegenaan en zou ik

het wel doen.

V: Er is die dag wel een mondeling overleg geweest. Weet je nog wat er toen

besproken is?

A: Ik kan het me niet woordelijk herinneren. Maar in ieder geval ging het over de

werkzaamheden die verricht moesten worden. Met alle ervaring die iedereen heeft, weet iedereen wat hij moet doen.

[…]

V: Wist u dat de kapitein u niet kon zien op de positie waar u stond? En wat vond u daarvan?

A: Ja, dat wist ik. Maar er zijn meerdere manieren om te communiceren. Zowel de maroff als ikzelf hadden VHF en er is ook een intercom. Ik vond het niet gevaarlijk dat de kapitein mij niet kon zien.

V: Wilt u verder nog Iets verklaren?

A: Als de plotselinge manoeuvre niet was gebeurd, dan hadden we hier niet gezeten, dan was het ongeval niet gebeurd. Met de wetenschap van nu zou ik daar niet meer gaan staan, maar de draad moet wel schoon. Dus dan zou ik zo dicht mogelijk bij de beting gaan staan. […]”

2.11.

De ILT heeft op 11 december 2019 een verzoek tot tuchtrechtelijke behandeling ingediend bij het Tuchtcollege voor de scheepvaart (hierna: het Tuchtcollege) tegen de kapitein.

2.12.

Bij uitspraak van 20 november 2020 in de zaak tussen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, vertegenwoordigd door de inspecteur ILT, en de kapitein, heeft het Tuchtcollege onder meer het volgende overwogen:

“C. Betrokkene [ktr: de kapitein] verklaart tijdens het verhoor door de inspecteur (bijlage 13 bij het verzoekschrift) dat enkele dagen voor het ongeval wel een toolbox meeting was gehouden bij het spoelen van de draad van de haspel op de lier. Betrokkene verklaart dat het zijn stilzwijgende idee was dat alle gevaren toen wel besproken waren en iedereen daarvan op de hoogte was. Betrokkene verklaart dat hij op 17 september nog wel een mondeling overleg heeft gehad met de eerste stuurman en de maroff, waarbij de procedure is doorgenomen. Daar zijn echter niet opnieuw de gevaren besproken, aldus betrokkene. Van dit mondeling overleg is geen schriftelijk verslag gemaakt. Betrokkene verklaart dat hij nu bij iedere verandering ten opzichte van eerdere werkzaamheden een aparte toolbox zou organiseren. Uit de verklaring van betrokkene (bijlage 13 bij het verzoekschrift) blijkt eveneens dat betrokkene niet iedereen aan dek kon zien. Betrokkene verklaart dat hij niet heeft gezegd dat de bemanning uit de dode hoek moest staan omdat hij er van uit ging dat deze volgens hem ervaren bemanning zelf goed wist waar ze moesten staan. Betrokkene verklaart eveneens dat er op de brug niet genoeg ruimte is om met twee personen te manoeuvreren en gelijktijdig de hier te bedienen bij de achter console. Door ruimtegebrek is eenmansbediening de normale gang van zaken in dit soort situaties, aldus betrokkene. Uit de verklaring van betrokkene (bijlage 13 bij het verzoekschrift) blijkt voorts dat hij de ochtend van het ongeval had geconstateerd dat het gyrokompas ongeveer 10 0 afweek van het magnetisch kompas en dat dit kompas na enkele weken is vervangen. Over het gebruik van de auto-pilot verklaart betrokkene (bijlage 13 bij het verzoekschrift) dat hij van een collega had gehoord dat hij het opspoelen met de auto-pilot uitvoerde en dat dit de eerste keer was dat betrokkene dit met de auto-pilot

uitvoerde. Betrokkene verklaart dat toen de auto-pilot in alarm ging hij zag dat de roerhoek 45° naar stuurboord was (bijlage 13 bij het verzoekschrift). Om het alarm te accepteren, moet je naar de voor console lopen, aldus betrokkene. Op dat moment vond betrokkene dat te gevaarlijk omdat er op het achterdek gewerkt werd en dan zou hij het overzicht verliezen. Een andere manier is volgens betrokkene om de auto-pilot uit te schakelen en over te gaan op handmatig sturen. Betrokkene heeft voor dat laatste gekozen. Direct na het overschakelen op handmatig sturen is het roer van

45° stuurboord naar midscheeps gegaan, aldus betrokkene. Daardoor heeft het schip een abrupte beweging naar bakboord en naar voren gemaakt, waardoor de sleepdraad, die onder spanning stond, over de towing pin is gewipt en de eerste stuurman heeft geraakt, aldus betrokkene. […]

D. In het ongevalsrapport opgesteld door de rederij (bijlage 5 bij het verzoekschrift) staat dat op 17 september 201 8 aan boord van de [naam vaartuig] een ongeluk heeft plaatsgevonden dat heeft geleid tot ernstige verwonding van de Chief Mate. In dit rapport wordt geconcludeerd dat niemand van de bemanning een toolbox meeting heeft voorgesteld voorafgaand aan het opspoelen. Hierdoor zijn er geen afspraken gemaakt over de communicatie en zijn er geen gevaren en risico’s gedefinieerd en

beheerst, aldus het rapport van de rederij. In het rapport wordt voorts geconcludeerd dat onduidelijk was wie de supervisie had aan dek en dat er onvoldoende werd gecommuniceerd tussen de bemanning aan dek en betrokkene. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het zicht van betrokkene op het dek extra werd belemmerd doordat de kraan niet naar de achterkant van het schip was gericht. […]

E. Betrokkene heeft ter zitting – samengevat en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:

Betrokkene blijft bij zijn verklaring van 15 oktober 2019. Betrokkene is veertien jaar sleepbootkapitein, waarvan de laatste zes jaar op de [naam vaartuig] . Hij beschouwt het opspoelen onder spanning niet als een alledaagse routinematige operatie. Volgens betrokkene heeft hij voorafgaand aan het uitvieren en opspoelen de risico’s daarvan niet besproken met de bemanning. Het opspoelen gebeurde de vorige keer zonder auto—pilot, aldus betrokkene. Volgens betrokkene had hij een keer van een collega kapitein gehoord dat het mogelijk was de auto—pilot te gebruiken bij het opspoelen. Over het gyrokompas voert betrokkene aan dat hij voor het opspoelen zag dat het gyrokompas een grotere afwijking had dan normaal maar dat hij daar verder geen aandacht aan heeft besteed. Over het overschakelen op handmatig sturen voert betrokkene aan dat dit zijn eerste reactie was om de harde piep van het alarm uit te zetten. Volgens betrokkene kan je op het achter console de besturing op handmatig overzetten, dan houdt het op met piepen. Volgens betrokkene heeft hij het overgaan op handmatig sturen niet gecommuniceerd met de bemanning aan dek omdat het allemaal in zo’n korte tijd ging. Het was een kwestie van seconden. Over de leiding aan dek voert betrokkene aan dat de maroff daar altijd de leiding heeft omdat betrokkene niet alles kan zien en niet direct met mensen in contact kan treden, anders dan via de radio en de intercom. Betrokkene voert ook aan dat de rol van de eerste stuurman normaal gesproken is dat hij aan dek meewerkt (onderhoud en technisch) en een wacht kan draaien. De eerste stuurman is ook de ogen en oren van de kapitein, maar dat was meer de taak van de maroff volgens betrokkene. Betrokkene antwoordt desgevraagd dat het makkelijker zou zijn geweest als de winchbediening aan dek was gebeurd. Ten tijde van het ongeval waren er volgens betrokkene geen

camera’s aanwezig. Betrokkene heeft geen verklaring voor het feit dat hij de kraan niet naar achteren heeft weggedraaid. Betrokkene heeft niet nagevraagd of de eerste stuurman dit ooit eerder heeft gedaan.

[…]

6. Het oordeel van het Tuchtcollege

[…]

Betrokkene [ktr: de kapitein] heeft voorafgaand aan het opspoelen geen toolbox meeting met bijbehorende risico analyse gehouden hoewel daartoe gezien de risicovolle aard van de werkzaamheden wel een noodzaak bestond. Betrokkene heeft ervoor gekozen het opspoelen voor het eerst met behulp van de auto-pilot uit te voeren maar heeft deze methode onvoldoende voorbereid en onvoldoende met de bemanning doorgesproken. Betrokkene heeft geen duidelijke afspraken gemaakt over wie de leiding en het toezicht had over de werkzaamheden op het achterdek. De ervaring van de bemanning doet niet af aan het belang van dergelijke afspraken. Toen de auto-pilot in alarm ging heeft betrokkene daar niet adequaat op gereageerd door meteen en zonder daarover te communiceren met de bemanning over te schakelen op handmatige besturing teneinde het alarmgeluid zo snel mogelijk te stoppen. Betrokkene heeft hierdoor de overige bemanning in gevaar gebracht en de eerste stuurman is hierdoor ernstig gewond geraakt. […]

7. De tuchtmaatregel

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein met een ongeval als gevolg. Betrokkene heeft bij het opspoelen van de sleepdraad niet gehandeld zoals een verantwoordelijk kapitein betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden in gevaar is gebracht. […]”

3. Het deelgeschil

3.1.

[naam verzoeker] verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat Van Wijngaarden aansprakelijk en/of schadevergoedingsplichtig is voor de door [naam verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, voortvloeiende uit het ongeval van 17 september 2018;

II. Van Wijngaarden

  1. primair te veroordelen tot het uitkeren van een aanvullend voorschot op de schade van [naam verzoeker] van € 20.000,-;

  2. subsidiair te veroordelen tot het uitkeren van een aanvullend voorschot op de schade van [naam verzoeker] ten belope van een in goede justitie te bepalen bedrag;

zowel primair als subsidiair: te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking;

III. de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [naam verzoeker] te begroten en toe te wijzen ten laste van Van Wijngaarden .

3.2.

[naam verzoeker] baseert zijn verzoek op de aansprakelijkheid van Van Wijngaarden als werkgever (artikel 7:658 lid 2 BW). [naam verzoeker] stelt in dit verband dat aan hem een arbeidsongeval is overkomen in de uitoefening van de aan hem opgedragen werkzaamheden. [naam verzoeker] stelt dat Van Wijngaarden het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de schade van [naam verzoeker] vergoed zou worden, door zonder het maken van enig voorbehoud de schade met [naam verzoeker] te gaan regelen en hem in eerste instantie te bevoorschotten. Dit staat er aan in de weg dat Van Wijngaarden de aansprakelijkheid en schadevergoedingsplicht nog kan betwisten. Van Wijngaarden dient zich te gedragen als een goed werkgever (artikel 7:611 BW). [naam verzoeker] stelt voorts dat de kapitein is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens [naam verzoeker] en onrechtmatig heeft gehandeld en dat Van Wijngaarden hiervoor aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW in samenhang bezien met artikel 6:76 BW.

Subsidiair baseert [naam verzoeker] zijn vordering op artikel 6:170 BW. Van Wijngaarden is aansprakelijk jegens [naam verzoeker] voor schade door een fout van een ondergeschikte. De kapitein heeft gevaarzettend gehandeld waardoor [naam verzoeker] schade lijdt.

Meer subsidiair baseert [naam verzoeker] zijn vordering op artikel 6:171 BW, voor zover de kapitein niet kan worden aangemerkt als ondergeschikte.

Meer subsidiair baseert [naam verzoeker] zijn vordering op artikel 7:611 BW, op grond waarvan Van Wijngaarden gehouden was om een behoorlijke verzekering af te sluiten voor het geval een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden een verkeersongeval zou overkomen. Dit geldt ook voor ongevallen op het water, aldus [naam verzoeker] .

[naam verzoeker] stelt voorts dat hij tot en met juli 2020 € 14.092,08 aan schade lijdt (op basis van de huidige inzichten en onder aftrek van de bevoorschotting van € 11.000,-) en dat het maandelijkse verlies aan verdienvermogen neerkomt op ongeveer € 1.216,08.

3.3.

Van Wijngaarden voert aan dat aan het oordeel van het Tuchtcollege dat de kapitein in strijd heeft gehandeld met de normen van goed zeemanschap niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de kapitein civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van zorgvuldigheidsnormen en dat Van Wijngaarden daarvoor eveneens aansprakelijk is. Voorts voert Van Wijngaarden aan dat [naam verzoeker] , als eerste stuurman met geruime ervaring, ook zijn eigen verantwoordelijkheid had moeten en kunnen nemen ten aanzien van de veiligheid en de werkmethode aan dek van de [naam vaartuig] . [naam verzoeker] heeft (mede) beslist om geen toolboxmeeting te houden en wist dat de kapitein hem niet kon zien op de positie waar hij stond.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Omdat het ongeval heeft plaatsgevonden buiten Nederland, heeft het geschil een internationaal karakter.

4.2.

Partijen hebben in artikel 17.2 van de arbeidsovereenkomst een forumkeuze opgenomen. Aangezien het forumkeuzebeding is overeengekomen vóór het ontstaan van het onderhavige geschil en dit beding [naam verzoeker] geen ruimere mogelijkheden biedt om andere gerechten aan te zoeken, wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening). Het forumkeuzebeding mist in dit geval dus toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 21 lid 1 sub a van de EEX-verordening is dan de kantonrechter in Dordrecht bevoegd kennis te nemen van het verzoek van [naam verzoeker] .

4.3.

Partijen hebben in artikel 17.1 van de arbeidsovereenkomst Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat Nederlands recht in dit geval van toepassing is.

Aansprakelijkheid Van Wijngaarden

4.4.

Dit geschil is een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv. Partijen twisten over de vraag of Van Wijngaarden aansprakelijk is voor de schade die [naam verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval van 17 september 2018. Een oordeel hierover kan eventuele onderhandelingen tussen partijen op gang brengen en zou kunnen leiden tot de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.5.

Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de werkplek en de werktuigen en gereedschappen waarmee wordt gewerkt zodanig in te richten en te onderhouden alsmede zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Artikel 7:658 lid 1 BW vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding en ook van de organisatie van de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.

Op grond van het tweede lid van dit artikel is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.6.

Vast staat dat [naam verzoeker] letsel heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat Van Wijngaarden in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [naam verzoeker] hierdoor lijdt, tenzij Van Wijngaarden aantoont dat zij aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [naam verzoeker] .

4.7.

Gelet op het voorgaande is het aan Van Wijngaarden om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij al die (adequate) maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [naam verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Weliswaar is met deze zorgplicht niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van een werknemer tegen arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht, kan niet snel worden aangenomen dat een werkgever daaraan heeft voldaan en daarom niet aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. De inhoud van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten onoplettendheid van de werknemer en de mate van bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen.

4.8.

Uit de uitspraak van het Tuchtcollege kan worden afgeleid dat het opspoelen onder spanning van de staaldraad naar zijn aard een risicovolle operatie is. De kapitein heeft verklaard dat hij de uit te voeren manoeuvre ook niet beschouwde als een alledaagse routinematige operatie en dat hij het opspoelen voor de eerste keer met auto-pilot uitvoerde. Desalniettemin heeft de kapitein de werkzaamheden niet vooraf met de bemanning doorgesproken en/of een toolboxmeeting gehouden. Voorts kan uit de uitspraak van het Tuchtcollege worden afgeleid dat onduidelijk was wie de supervisie had aan dek, dat er onvoldoende werd gecommuniceerd tussen de bemanning aan dek en de kapitein en dat het zicht van de kapitein op het dek extra werd belemmerd doordat de kraan niet naar de achterkant van het schip was gericht (onder D van de uitspraak). Nadat de auto-pilot in alarm ging, is de kapitein overgestapt van auto-pilot naar handmatig sturen, zonder dit met de bemanning aan dek te communiceren. Het schip heeft vervolgens een abrupte beweging gemaakt, waardoor de staaldraad over de zogeheten towing pin is gewipt en [naam verzoeker] heeft geraakt.

4.9.

Op grond van de hiervoor geschetste omstandigheden waaronder het ongeval zich heeft voorgedaan, wordt geconcludeerd dat sprake was van een gevaarlijke situatie en dat Van Wijngaarden onvoldoende maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft gegeven om mogelijke ongelukken te voorkomen. Van Wijngaarden voert in dit kader nog aan dat [naam verzoeker] als eerste stuurman geruime ervaring heeft en wist dat de kapitein hem niet kon zien. Dit doet echter niet af aan de plicht van Van Wijngaarden om de veiligheid op de werkplek te waarborgen. Een werkgever moet er nu eenmaal rekening mee houden dat ook ervaren werknemers wel eens nalaten de zorgvuldigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken nodig is en een inschattingsfout kunnen maken ten aanzien van mogelijk gevaar. Voor zover Van Wijngaarden [naam verzoeker] verwijt dat hij (mede) heeft beslist om geen toolboxmeeting te houden, miskent Van Wijngaarden daarmee dat zij haar verantwoordelijkheid als werkgever voor een veilige werkomgeving als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW niet kan uitbesteden aan een werknemer. Ook als [naam verzoeker] mede verantwoordelijk was voor de veiligheid van de werkmethode aan dek en hierbij steken heeft laten vallen, betekent dit nog niet dat de schade die hij hierdoor oploopt voor zijn eigen rekening moet blijven. Artikel 7:658 lid 2 BW bepaalt immers dat alleen als de schade het gevolg is van opzet of roekeloosheid van de werknemer, dit de aansprakelijkheid van de werkgever opheft. Van opzet of roekeloosheid is in dit geval geen sprake.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat Van Wijngaarden niet alles heeft gedaan wat van haar verwacht mocht worden om te voorkomen dat [naam verzoeker] schade zou lijden in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Van Wijngaarden heeft dan ook haar zorgplicht geschonden en is aansprakelijk is voor de schade die [naam verzoeker] hierdoor lijdt. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.

Gevraagde voorschot

4.11.

[naam verzoeker] verzoekt Van Wijngaarden te veroordelen tot het uitkeren van een aanvullend voorschot op zijn schade van € 20.000,-.

4.12.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Van Wijngaarden verklaard dat zij inmiddels nog een bedrag van € 14.000,- aan (aanvullend) voorschot had overgemaakt aan [naam verzoeker] . Uit het door [naam verzoeker] als bijlage 3 bij zijn akte overgelegde voorlopig schadeoverzicht wordt afgeleid dat hij dit bedrag op 12 november 2020 heeft ontvangen. [naam verzoeker] begroot zijn schade vooralsnog op een bedrag van € 31.172,48, zo volgt uit zijn voorlopige schadeoverzicht. Omdat inmiddels een bedrag van in totaal € 25.000,- aan voorschot op de schade is betaald, zal het restant van het verzochte bedrag, € 6.000,-, worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

4.13.

De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Bij de begroting van de kosten moet de dubbele redelijkheidstoets worden gehanteerd; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.14.

[naam verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 5.084,-. Uitgaande van het tijdens de mondelinge behandeling overgelegde overzicht heeft de gemachtigde van [naam verzoeker] in totaal 18 uur besteed aan deze procedure. De mondelinge behandeling heeft korter geduurd dan de verwachte twee uur, maar hier staat tegenover dat de gemachtigde van [naam verzoeker] na de mondelinge behandeling nog een akte heeft genomen, naar aanleiding van de uitspraak van het Tuchtcollege. Daarom zal bij de begroting van de kosten worden uitgegaan van 18 uur. Uitgaande van het uurtarief van € 210,- exclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 3.780,- (in plaats van € 3.790,- exclusief btw, zoals op het overzicht staat vermeld). Dit bedrag, vermeerderd met 21% btw en € 499,- aan griffierecht komt in totaal neer op een bedrag van € 5.072,80 aan totale kosten voor deze procedure. Van Wijngaarden voert geen verweer tegen de begrote kosten. Gelet op de omvang en de complexiteit van de zaak en de gestelde werkzaamheden is het aantal in rekening gebrachte uren redelijk, evenals het gehanteerde uurtarief. De redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW worden daarom begroot op € 5.072,80 inclusief btw en griffierecht en dit bedrag zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart voor recht dat Van Wijngaarden aansprakelijk en/of schadevergoedingsplichtig is voor de door [naam verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, voortvloeiend uit het ongeval van 17 september 2018;

veroordeelt Van Wijngaarden tot het uitkeren van een aanvullend voorschot op de schade van [naam verzoeker] van € 6.000,-, te betalen binnen 14 dagen na vandaag;

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.072,80 inclusief btw en inclusief griffierecht en veroordeelt Van Wijngaarden tot betaling van dit bedrag aan [naam verzoeker] .

Deze beslissing is gegeven door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

424