Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1625

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/4023
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek herziening weigering Wajong uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4023

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. F.S. Jansen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd zijn besluit van 4 september 2017 te herzien.

Bij besluit van 3 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard met aanpassing van de motivering.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet te kennen gegeven om in de gelegenheid te worden gesteld om in een zitting te worden gehoord. De rechtbank sluit het onderzoek.

Overwegingen

1.1.

Eiseres, geboren op [geboortedatum eiseres], heeft op 3 december 2015 ten behoeve van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend bij verweerder. Bij besluit van 4 september 2017 is deze uitkering geweigerd op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek. Bij besluit van 17 mei 2018 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar op basis van een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2018 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het door eiseres ingestelde beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 30 oktober 2018 een aanvullende rapportage uitgebracht.

1.2.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2019 (zaaknummer ROT 18/3400) is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek van verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig verricht is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullende rapportage van 30 oktober 2018 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat en waarom in beroep geen nieuwe medische inzichten naar voren zijn gekomen op basis waarvan gesteld kan worden dat eiseres niet vier uur per dag respectievelijk één uur achtereen belastbaar is. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op een Wajong-uitkering om de reden dat zij over arbeidsvermogen beschikt.

1.3.

Eiseres heeft op 29 november 2018 opnieuw een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen met het oog op een Wajong-uitkering (nieuwe aanvraag) ingediend bij verweerder. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd de nieuwe aanvraag als een verzoek om herziening van het besluit van 19 juni 2018 te beschouwen en dat uit de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet blijkt dat de medische informatie is gewijzigd ten opzichte van de vorige aanvraag.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er in het primaire besluit weliswaar ten onrechte van uit is gegaan dat eiseres heeft verzocht om herziening van een eerder besluit, maar dat ook op basis van haar actuele situatie geen recht op een Wajong-uitkering bestaat. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat in 2017 is vastgesteld dat eiseres arbeidsvermogen heeft en - zo begrijpt de rechtbank - dat van een mogelijke toename van haar beperkingen binnen een periode van vijf jaar na haar achttiende levensjaar of na afloop van haar studie, niet is gebleken.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het evident is dat zij niet over arbeidsvermogen beschikte binnen de periode van vijf jaar na haar achttiende levensjaar en na het einde van haar studie en dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is. Eiseres stelt dat zij vanaf haar dertiende levensjaar bekend is met diabetes en dat zij door de daarmee gepaard gaande klachten niet in staat is langer dan één uur een taak te verrichten of vier uur per dag belastbaar is. Eiseres heeft in 2002 een whiplash opgelopen, is sinds april 2007 bekend met een auto-immuunziekte, is in juni 2015 gediagnosticeerd met fibromyalgie, heeft sinds 2018 met bloedarmoede, bijnieruitputting en een burn-out. Daarnaast is zij sinds 2018 bekend met een carpaal tunnelsyndroom waarvan de klachten - die hebben te gelden als novum - verergeren en niet zijn meegenomen door verweerder. Ook is eiseres bekend met een zogeheten triggerfinger. Als gevolg van de lichamelijke klachten is eiseres meer dan regelmatig fysiek en mentaal uitgeput en moet zij bijkomen. Eiseres krijgt wekelijks hulp in het huishouden en met het doen van boodschappen. Van sommige activiteiten moet zij dagen bijkomen. Het gestelde novum dient te leiden tot herziening en toewijzing van een Wajong-uitkering.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 1:1a, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

4.2.

Artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit bepaalt dat een betrokkene geen mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

5. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres niet als jonggehandicapte in de zin van artikel 1:1a van de Wajong kan worden aangemerkt. In het bijzonder ligt de vraag voor of de door eiseres in beroep overgelegde medische gegevens twijfels zaaien aan de in de medische rapportages van

15 mei 2018 en 30 oktober 2018 getrokken conclusies, zoals aangehaald in de onder 1.1. genoemde uitspraak van deze rechtbank. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De in beroep overgelegde medische informatie van de behandelaars van eiseres (huisarts, neuroloog, maag-, darm- en leverarts, reumatoloog, internist-endocrinoloog, vasculair internist/geneeskundige) acht de rechtbank daartoe ontoereikend. Dat de aan verweerders besluitvorming ten grondslag liggende medische rapportages uitgaan van een onjuist ziektebeeld van eiseres, is met deze informatie niet aannemelijk geworden. Daarbij acht de rechtbank niet zonder belang dat eiseres niet (genoegzaam) heeft aangegeven waarom zij het oneens is met het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het betoog dat sprake is van nieuwe klachten die verweerder ten onrechte niet heeft meegenomen, zoals die voortkomend uit het carpaal tunnelsyndroom, slaagt evenmin. Niet is gebleken dat deze klachten bestonden op de dag dat eiseres 18 jaar werd of gedurende ten minste zes maanden studerende was, of binnen vijf jaar na die dag hun oorsprong vinden uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij op die dag beperkingen ondervond.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van

mr. drs. C.M. Steemers, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.