Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1622

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/576208 / HA ZA 19-560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening. Pensioenverrekening niet uitdrukkelijk uitgesloten in huwelijksvoorwaarden. Beperkende werking redelijkheid en bilijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/576208 / HA ZA 19-560

vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. M.G.A. Kok te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 28 augustus 2019 en de daarin genoemde processtukken,

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, van de man,

  • -

    de weigering van de rechtbank om kennis te nemen van de conclusie van antwoord in reconventie (omdat er geen vordering in reconventie was ingesteld),

  • -

    de akte (brief) met producties, tevens akte eiswijziging, van de vrouw,

  • -

    de conclusie van repliek, van de vrouw,

  • -

    de conclusie van dupliek, van de man,

  • -

    de overgelegde producties,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 28 januari 2021, de spreekaantekeningen van de advocaten met een eiswijziging van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. Partijen zijn op 30 december 1961 gehuwd onder het aangaan van huwelijksvoorwaarden houdende algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen. Het huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 4 februari 1997 van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 1996.

De man is geboren op 26 maart 1946 en de vrouw op 22 april 1949.

2.2.

Partijen hebben in het kader van hun echtscheiding een (ongedateerd) echtscheidingsconvenant gesloten. In het echtscheidingsconvenant staat over pensioen:

“5. Pensioen

5.1

Zodra de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt zal hij in maandelijkse termijnen bij vooruitbetaling de helft van het tijdens de huwelijkse periode opgebouwde pensioen aan de vrouw betalen. Als uitgangspunt voor de waarde van het ouderdomspensioen, polisnummer [nummer polis 1] , zal de opgave van het Pensioenfonds Nationale Nederlanden te Rotterdam gelden, zoals die opgemaakt wordt per datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.2

Met ingang van de pensioengerechtigde leeftijd van de man neemt de

uitkering tot levensonderhoud, zoals beschreven in artikel 3 een einde.”

2.3.

De man ontvangt uitkeringen krachtens zijn pensioen bij Nationale Nederlanden vanaf 1 april 2004.

2.4.

De Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij heeft de vrouw bij brief van ‘oktober 2018’ medegedeeld dat de man pensioen heeft opgebouwd bij dit pensioenfonds (hierna ook te noemen: het tweede pensioen). Over het tweede pensioen staat niets in het echtscheidingsconvenant.

2.5.

De man ontvangt uitkeringen krachtens zijn pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij per 1 maart 2011.

2.6.

De vrouw heeft de man op 24 december 2018 verzocht een overzicht te verstrekken van al zijn pensioenen. De vrouw heeft dit verzoek herhaald op 9 januari 2019. De man heeft op 20 maart 2019 geantwoord dat hij (alleen) pensioenen heeft opgebouwd bij Nationale Nederlanden en bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij en dat dit laatste pensioen niet met de vrouw verrekend hoeft te worden.

3. De vorderingen

3.1.

De vrouw verzoekt (de rechtbank begrijpt: vordert) na akte eiswijziging en na eisvermindering ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, de man te veroordelen:

I. tot betaling aan de vrouw van een bedrag groot € 50.134,21 bruto voor de periode 1 april 2004 t/m 31 december 2019, zowel voor het door de man opgebouwde pensioen bij Nationale Nederlanden als bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;

II. vanaf 1 januari 2020 jaarlijks aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.638,24 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;

III. vanaf 1 januari 2020 jaarlijks aan de vrouw te betalen een bedrag van € 6.758,20 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door de man opgebouwde levenslange ouderdomspensioen bij Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 2] ;

IV. vanaf 1 januari 2020 jaarlijks aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.002 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, van het door de man opgebouwde levenslange ouderdomspensioen bij Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 3] .

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en weren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De rechtbank acht de eiswijzigingen niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, en mitsdien toelaatbaar.

4.2.

Het geschil komt op het volgende neer: in het echtscheidingsconvenant is verrekening overeengekomen (het is dus geen verevening want de man, en niet het pensioenfonds, betaalt de vrouw haar aandeel) ten aanzien van één pensioen van de man. De vrouw heeft ontdekt dat de man nog een tweede pensioen heeft bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij. De vrouw stelt dat ook het tweede pensioen verrekend moet worden. De man betwist dat.

De vrouw heeft gesteld dat de man ook het eerste pensioen (bij Nationale Nederlanden) niet goed verrekend heeft. De uiteindelijke hoofdvordering van de vrouw vanwege achterstand in de betalingen bedraagt € 50.134,21 bruto en bestaat uit:

- € 49.200,05 bruto ten aanzien van het tweede pensioen, gerekend vanaf 2012,

- € 934,16 bruto ten aanzien van het eerste pensioen.

het tweede pensioen: hoofdvordering € 49.200,05 bruto

4.3.

Op 1 mei 1995 is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) in werking getreden. Deze wet is toepasselijk op echtscheidingen vanaf deze datum. Partijen zijn op 4 februari 1997 gescheiden. De Wvps is hier dus in beginsel toepasselijk.

4.4.

Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald (artikel 11 Wvps).

4.5.

In de huwelijksvoorwaarden van partijen, noch in het echtscheidingsconvenant, is uitdrukkelijk anders bepaald. Daarom dient ook het tweede pensioen van de man in beginsel verevend te worden. Dit volgt (reeds) uit de wet. Of de vrouw mede een beroep komt op dwaling bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant, dan wel op wanprestatie door de man (in beide gevallen door verzwijging van het tweede pensioen), kan in het midden blijven.

4.6.

Het verweer van de man, die in zijn werkzame leven stuurman was op de grote vaart, dat hij destijds ‘overdonderd’ was door de mededeling van de vrouw dat zij wilde scheiden, dat hij niet betrokken is geweest bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant en dat een psychotherapeut verklaart dat de man een lage score op dominantie heeft, hetgeen volgens deze therapeut er op kan (niet: moet) wijzen dat de man het moeilijk vindt om voor zichzelf op te komen, faalt. Het is hier niet de man, maar de vrouw die (gesteld) financieel is benadeeld. Dan komt aan het verweer van de man als zou hij de zwakkere partij zijn sowieso geen gewicht toe. De Wvps maakt bovendien geen uitzondering op de wettelijke plicht tot verevening van pensioenen in het geval de ene ex-echtgenoot (gesteld) wat assertiever is dan de andere ex-echtgenoot.

4.7.

De man beroept zich op rechtsverwerking. Dit verweer faalt. Voor rechtsverwerking is meer nodig dan stilzitten. De man stelt geen verklaringen en/of gedragingen van de vrouw waaruit hij heeft mogen begrijpen dat de vrouw haar rechten heeft verwerkt. Niet voldoende is de stelling van de man dat het de vrouw was die tijdens het huwelijk de administratie van partijen voerde. Kennelijk bedoelt de man te stellen dat de vrouw zich bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant het bestaan van het tweede pensioen moet hebben herinnerd maar dat zij daar toch niets over gezegd heeft. Dat is echter nog steeds een kwestie van stilzitten van de vrouw, hetgeen zoals gezegd een beroep op rechtsverwerking niet rechtvaardigt. Het stilzitten van de vrouw betekent geenszins dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen om het pensioen niet te verrekenen.

4.8.

Volgens de man is verevening van zijn tweede pensioen met de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en onaanvaardbaar. De man stelt dat hij zijn lasten niet meer kan dragen als dit pensioen verevend moet worden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat verevening vanaf nu eventueel zou kunnen maar dat hij niet de gestelde achterstand (ook niet als het verjaringsverweer opgaat) kan betalen.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wet is dat pensioenverevening moet plaatsvinden. Het ligt dan ook in beginsel op weg van de man om zijn uitgavenpatroon aan te passen als hij moet verevenen.

Ten aanzien van het niet kunnen betalen van de gestelde achterstand, wordt overwogen dat de veroordeling van de man hierna tot betaling van bruto bedragen met zich brengt dat partijen zelf hun aangiften inkomstenbelasting over die jaren dienen te wijzigen. Het bedrag dat de man uiteindelijk netto verschuldigd is, zal dan ook lager zijn. Een aangifte wijzigen kan tot 5 jaar na het jaar waarover de aanslag gaat.

De man stelt terecht dat de vrouw na verevening van het tweede pensioen een wezenlijk hoger inkomens-/welstandsniveau heeft dan hijzelf. Dit verschil in niveau heeft twee oorzaken.

Ten eerste ontvangt de man blijkens de door hem overgelegde productie VII AOW voor iemand die gehuwd is of samenwoont. Deze omstandigheid kan niet voor rekening van de vrouw komen. Ook niet nu uit het door de man overgelegde overzicht van zijn uitgaven volgt dat hij geen gemeenschappelijke huishouding met zijn huidige echtgenote voert.

Ten tweede wordt op de AOW uitkering een korting van 12% toegepast omdat de man zes jaar niet verzekerd is geweest. Uit productie VII van de man blijkt dat deze korting ziet op vijf perioden van afgerond zes jaar tijdens het huwelijk van partijen. Dit betekent dat het inkomen van de man en dus het gezinsinkomen van partijen in die periode hoger was nu er geen AOW-premie werd afgedragen. Dit maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat alleen de man de gevolgen dient te dragen van de 12% korting op zijn (bruto) AOW-uitkering. Bij de berekening van het bedrag dat aan de vrouw dient toe te komen, zal hiermee rekening moeten worden gehouden.

De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook nog aangevoerd dat hij tijdens het huwelijk zijn AOW-premie heeft aangewend om de hierna te noemen schuld van f 47.000,- bij Vola Financieringen af te lossen. Hij kreeg door middel van een belastingconstructie die AOW-premie terugbetaald en daarom wordt hij nu gekort op zijn AOW, ondanks dat hij de AOW premie vrijwillig heeft betaald, aldus de man. Dit argument wordt gepasseerd omdat het in strijd is met genoemde productie VII van de man zelf.

4.9.

De man beroept zich op verjaring ex artikel 3:308 BW. Volgens dit artikel verjaart een periodieke vordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De vordering van de vrouw is volgens de man opeisbaar geworden op het moment dat de man zijn eerste uitkering krachtens het tweede pensioen ontving. De man stelt dat de vrouw voor het eerst per 28 mei 2019 aanspraak heeft gemaakt op verevening van het tweede pensioen, zodat haar vordering is verjaard voor de periode tot 28 mei 2014.

4.10.

De vrouw voert het volgende verweer:

- primair: de onderhavige vordering kán niet verjaren, gelet op HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762, in welk arrest volgens de advocaat van de vrouw “korte metten” is gemaakt met bestaande divergentie over verjaring van een vordering als de hare,

- subsidiair: artikel 3:308 BW is niet toepasselijk. Er geldt een verjaringstermijn van 20 jaar geldt ex artikel 3:306 BW, welke termijn nog niet verstreken is,

- meer subsidiair: de man heeft een onrechtmatige daad gepleegd door zijn tweede pensioen te verzwijgen. De verjaringstermijn is pas gaan lopen in oktober 2018, toen de vrouw bekend werd met het tweede pensioen van de man (art. 3:310 lid 1 BW), zodat de vordering nog niet is verjaard.

4.11.

Het primaire verweer faalt. De onderhavige vordering kan wel verjaren. De advocaat van de vrouw beroept zich op rechtspraak van de Hoge Raad die hier niet toepasselijk is. Onder het oude recht, van voor inwerkingtreding van de Wvps per 1 mei 1995, maakte krachtens jurisprudentie van de Hoge Raad (het arrest Boon - van Loon), een pensioenrecht onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap. Een vordering tot verdeling van een gemeenschap kan volgens de wet in beginsel “te allen tijde” ingesteld worden, en kan zodoende niet verjaren. Maar dat is hier niet aan de orde. Hier gaat het om een pensioen waarop de Wvps toepasselijk is. Een dergelijk pensioen valt volgens de wet niet in een huwelijksgemeenschap.

4.12.

De rechtbank onderschrijft de stelling van de man dat de verjaringsregeling van artikel 3:308 BW toepasselijk is, nu het hier gaat om een periodieke uitkering als bedoeld in dit artikel. Het verweer als zou de verjaringstermijn van 20 jaar in artikel 3:306 BW toepasselijk zijn, faalt.

4.13.

Over het meer subsidiaire verweer van de vrouw wordt als volgt geoordeeld.

4.14.

Het bezwaar van de man dat de vrouw dit verweer pas in ‘dupliek' (de rechtbank begrijpt: repliek) heeft gevoerd, hetgeen volgens de man te laat is, faalt. De goede procesorde is niet geschonden. De conclusie van repliek was de eerste gelegenheid van de vrouw om te kunnen reageren op het verjaringsverweer van de man en de man heeft op deze uitbreiding in stellingname kunnen reageren, zowel in dupliek als tijdens de mondelinge behandeling.

4.15.

Het gaat hier om de vraag of de vordering van de vrouw (toch) niet is verjaard, omdat zij zich mede beroept op een onrechtmatige daad van de man, in welk geval de verjaringstermijn pas later is gaan lopen en thans nog niet is verstreken. Kort gezegd is het de rechtsvraag: moet artikel 3:308 BW in een geval als hier aan de orde wijken voor artikel 3:310 BW?

4.16.

In een geval van samenloop van twee op zichzelf toepasselijke rechtsgronden, is uitgangspunt dat deze gronden artikelen cumulatief van toepassing zijn. Indien echter de rechtsgronden tot verschillende rechtsgevolgen leiden die niet tegelijkertijd kunnen intreden mag de eisende partij daaruit naar eigen inzicht kiezen, tenzij de wet uitdrukkelijk anders bepaalt of onvermijdelijk meebrengt (vgl. HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1414).

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de vrouw faalt omdat de kortste verjaringstermijn heeft te gelden. Art. 3:308 BW geniet voorrang boven art. 3:310 BW. Dat er sprake is van een onrechtmatige daad van de man is niet althans onvoldoende komen vast te staan. De vordering van de vrouw is derhalve verjaard voor de periode voorafgaand aan 28 mei 2014. In dat licht kan de discussie over de vraag over de aard van de betalingen door de man aan de vrouw in 2011 (alimentatie of pensioen) in het midden blijven.

4.18.

De man beroept zich op verrekening. De man stelt daartoe dat:

- in het echtscheidingsconvenant is overeengekomen om de echtelijke woning te verkopen aan een derde en om de opbrengst van de woning (circa ƒ 42.000) aan te wenden ter delging van schulden van partijen,

- de vrouw echter kenbaar had gemaakt onvoldoende geld hebben,

- de overwaarde bij helfte is verdeeld,

- dat de man daarop zelf de lening van partijen bij Vola Financieringen (ƒ 47.372/€ 21.496) geheel heeft afgelost, zodat hij een regresrecht heeft op de vrouw van de helft ad € 10.748.

De man stelt niet meer te beschikken over de bankafschriften maar wel over bewijsstukken waaruit blijkt dat de schuld op 1 februari 1997 nog € 44.471,56 bedroeg (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is ƒ 14.471,56) en per 1 februari 1998 nihil.

4.19.

De vrouw betwist dat zij tegen de man gezegd heeft geen geld hebben. Dit verweer is niet van belang, omdat dit geen voorwaarde is voor een recht op verrekening.

4.20.

De vrouw stelt überhaupt nooit de helft van de overwaarde van de woning gekregen te hebben van de man. Het gehele bedrag van de overwaarde is volgens de vrouw door de notaris overgemaakt op een bankrekening ten name van de man en de man heeft de schuld nagenoeg geheel in één keer afgelost. De vrouw beroept zich daarbij op haar productie 21 (afrekening van de notaris). De vrouw gaat er daarom van uit dat de schuld is voldaan uit de overwaarde, en dus ook met haar aandeel daarin, zodat de man geen verrekeningsrecht heeft.

4.21.

De reactie van de man komt op het volgende neer: het is juist dat de overwaarde op “de gemeenschappelijke bankrekening” van partijen is gestort, maar volgens de man heeft de vrouw ƒ 10.000 van deze rekening opgenomen omdat zij een startkapitaal nodig had. De man beroept zich te dien aanzien op verrekening.

4.22.

De rechtbank verwerpt het verrekeningsverweer van de man. Voor zover al niet de voormelde reactie van de man niet begrepen mag worden als een erkenning dat de vrouw gelijk heeft, kan dat de man niet baten, op grond van het volgende.

In het echtscheidingsconvenant is afgesproken dat de gemeenschappelijke schuld bij Vola Financieringen uit de overwaarde van de woning zou worden voldaan. Uit de stellingen van de man valt niet of althans onvoldoende af te leiden dat deze afspraak niet is nagekomen.

Het was het standpunt van de man dat hij met zijn eigen geld de gemeenschappelijke schuld bij Vola Financieringen heeft gedelgd. Vervolgens stelde de vrouw dat de overwaarde op een bankrekening ten name van de man is overgemaakt en dat kort daarop de gemeenschappelijke schuld was gedelgd. De (merkwaardige) reactie daarop van de man is dat de overwaarde inderdaad op een gemeenschappelijke rekening is gestort (maar dat stelt de vrouw dus niet).

De vrouw legt haar productie 21 over. Dat is de afrekening van de notaris. Daar staat handgeschreven op vermeld dat de overwaarde moet worden overgemaakt naar Vola Financieringen, maar die tekst is doorgekrast en vervangen door de eveneens handgeschreven tekst dat de overwaarde moet worden overgemaakt naar een ING bankrekeningnummer eindigend op 335 ten name van “ [gedaagde] .” Dat is de man. De man betwist ook niet de stelling van de vrouw dat haar nooit de helft van de overwaarde is uitbetaald. Wel stelt de man dat de vrouw ƒ 10.000 heeft gekregen, maar die stelling gaat niet vergezeld van enige onderbouwing. Alles wijst er op dat de overwaarde is overgeboekt naar een bankrekening van de man. De stelling van de man dat de vrouw niet haar aandeel in de schuld aan Vola Financieringen heeft gedragen maar dat hij dit zelf heeft gedaan, faalt. De stelling van de man dat hij de schuld aan Vola Financieringen heeft afgelost met gebruik van de in 4.8 laatste overweging door de man beschreven constructie is evenmin komen vast te staan.

4.23.

Slotsom is dat de man, ten aanzien van zijn tweede pensioen, gehouden is om aan de vrouw de helft te betalen van zijn bruto pensioenuitkering, genoten vanaf 28 mei 2014 te verminderen met de helft van de maandelijks op zijn (bruto) AOW toegepaste korting van 12%.

het andere (eerste) pensioen: hoofdvordering € 934,16 bruto

4.24.

Het gaat hier om een pensioen bij Nationale Nederlanden dat bestaat uit twee gedeelten: een tijdelijk ouderdomspensioen, uitgekeerd over de periode 1 april 2004 tot en met 1 april 2011, en een levenslang ouderdomspensioen, bestaande uit een vast en een variabel deel. Volgens de vrouw is ten aanzien van beide pensioenen verrekend tot een te laag bedrag omdat niet goed met de indexering rekening is gehouden.

4.25.

Ten aanzien van het tijdelijke ouderdomspensioen beroept de man zich op verjaring. Dit verweer slaagt. Dit pensioen liep af in 2011. Toen de vrouw de verjaring stuitte (in 2019) was de verjaringstermijn van vijf jaar al verstreken. De rechtbank herhaalt daartoe haar eerdere oordeel waarom het verjaringsverweer ten aanzien van het tweede pensioen gedeeltelijk slaagt.

4.26.

Ten aanzien van het levenslange ouderdomspensioen beroept de man zich eveneens op verjaring. Dit verweer slaagt gedeeltelijk, namelijk voor de periode tot 28 mei 2014. De rechtbank herhaalt wederom haar eerdere oordeel waarom het verjaringsverweer ten aanzien van het tweede pensioen gedeeltelijk slaagt.

4.27.

De man rekent voor ten aanzien van het levenslange ouderdomspensioen:

- over de periode vanaf 28 mei 2014 tot en met 2019 had de vrouw recht op € 39.846,62 (waarvan € 34.252,12 variabel deel en € 5.594,50 vast deel)

- volgens haar eigen opgave heeft de vrouw over die periode ontvangen: € 39.835

- zodat de man concludeert dat de vrouw (maar) € 11,62 te weinig heeft gekregen.

Tegen de feitelijke juistheid van deze rekensom heeft de vrouw geen argumenten ingebracht, zodat uitgegaan zal worden van de juistheid daarvan. De man zal de vrouw € 11,62 moeten betalen.

4.28.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man ter zake van het door hem opgebouwde pensioen bij

de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij tot betaling aan de vrouw van

de helft van zijn bruto pensioenuitkering, genoten vanaf 28 mei 2014 te verminderen met de helft van de maandelijks op zijn (bruto) AOW-uitkering toegepaste korting van 12%;

5.2.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag groot € 11,62 ter zake van het door de man opgebouwde pensioen bij Nationale Nederlanden;

5.3.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw vanaf 1 januari 2020 van een bedrag van € 6.758,20 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door de man opgebouwde levenslange ouderdomspensioen bij Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 2] ;

5.4.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw vanaf 1 januari 2020 van een bedrag van € 1.002 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door de man opgebouwde levenslange ouderdomspensioen bij Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 3] ,

5.5.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw vanaf 1 januari 2020 van een bedrag van € 5.638,24 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij, te verminderen met de helft van de maandelijks op zijn (bruto) AOW-uitkering toegepaste korting van 12%;

5.6, verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 10 maart 2021.

[2517/2294]