Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/853
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering. De aanvraag is afgewezen. Eiseres had volgens verweerder arbeidsvermogen. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres ten minste vier uur per dag belastbaar was en dat zij aaneengesloten kon werken gedurende ten minste een periode van een uur. In beroep is de diagnose van eiseres gewijzigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Eiseres is gedurende de procedure overleden, de erven van eiseres hebben de procedure voortgezet. De deskundige concludeert dat eiseres niet ten minste vier uur per dag belastbaar was en dat er geen sprake was van ontwikkeling van arbeidsvermogen. De rechtbank volgt de deskundige in zijn conclusie. Gelet op de bevindingen en de conclusie van de deskundige is de rechtbank van oordeel dat verweerder het arbeidsvermogen van eiseres onjuist heeft vastgesteld en dat ervan moet worden uitgegaan dat zij per 18 januari 2018 geen arbeidsvermogen had. Gelet hierop berust het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Eiseres had recht op een Wajong-uitkering. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres met ingang van 18 januari 2018 (de datum van haar aanvraag) recht had op een Wajong-uitkering. Het besluit van 12 juni 2018 zal daarom worden herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/853

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen

de erven van [naam erflater], laatstelijk gewoond hebbend te [plaats] , eisers,

gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam eiser] (hierna: [naam eiser] ) om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [naam eiser] ongegrond verklaard.

[naam eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[naam eiser] heeft aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

[naam eiser] heeft op 22 januari 2020 een brief van [naam klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog bij PsyQ, van 20 januari 2020 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. [naam eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om de brief van klinisch psycholoog [naam klinisch psycholoog] voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voorts is verweerder in de gelegenheid gesteld om de verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten reageren op de door de gemachtigde van [naam eiser] ter zitting aangevoerde aanvullende beroepsgrond.

Bij brief van 4 februari 2020 heeft verweerder een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 februari 2020 overgelegd.

Bij brief van 18 februari 2020 heeft de gemachtigde van [naam eiser] gereageerd op de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Bij brief van 17 maart 2020 heeft verweerder een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 maart 2020 overgelegd.

Bij brief van 14 mei 2020 is de (concept-)vraagstelling aan partijen gestuurd en is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank voornemens is een verzekeringsarts aan te wijzen als deskundige. Bij brief van 26 mei 2018 heeft verweerder aangegeven dat hij ten aanzien van de vraagstelling geen opmerkingen heeft.

Bij brief van 3 juli 2020 is verzekeringsarts J.H.M. de Brouwer (hierna: de deskundige) benoemd tot deskundige.

Bij brief van 7 augustus 2020 heeft de gemachtigde de rechtbank bericht dat [naam eiser] op 9 juni 2020 is overleden en dat de erven het beroep willen voortzetten.

Op 20 november 2020 heeft de deskundige aan de rechtbank gerapporteerd.

Bij brief van 10 december 2020 heeft verweerder op het rapport van de deskundige gereageerd en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 december 2020 overgelegd.

Bij brief van 13 januari 2021 heeft de gemachtigde van eisers op het rapport van de deskundige en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd.

Eisers en verweerder hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens op 23 februari 2021 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. [naam eiser] heeft op 18 januari 2018 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend bij verweerder.

2.1.

De primaire verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat bij [naam eiser] sprake was van een verminderde fysieke, energetische en mentale belastbaarheid. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat [naam eiser] ten minste vier uur per dag belastbaar was en dat zij aaneengesloten kon werken gedurende ten minste een periode van een uur.

2.2.

De primaire arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat in de nabije omgeving van [naam eiser] een toilet diende te zijn en [naam eiser] een veilige werkomgeving nodig had. [naam eiser] moest overzicht hebben en geen contacten hebben met onbekenden. De primaire arbeidsdeskundige heeft gesteld dat [naam eiser] de taak ‘invoeren van gegevens’ kon verrichten. De primaire arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat [naam eiser] over basale werknemersvaardigheden beschikte, dat zij een taak kon uitvoeren in een arbeidsorganisatie en dat zij arbeidsvermogen had.

2.3.

Verweerder heeft aan het primaire besluit de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd. Verweerder heeft met het primaire besluit geweigerd aan [naam eiser] een Wajong-uitkering toe te kennen.

3.1.

[naam eiser] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 11 december 2019 geconcludeerd dat geen aanleiding bestond om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 17 januari 2019 de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige onderschreven.

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het primaire besluit gehandhaafd.

4.1.

[naam eiser] kon zich met het bestreden besluit niet verenigen en voerde hiertoe – kort samengevat – het volgende aan. Zij voerde aan dat er wel sprake was van aandoeningen en/of beperkingen die een urenbeperking rechtvaardigden. Zij had een angststoornis en een bipolaire stoornis, wat in combinatie met autisme zorgde voor een beperking in het persoonlijk en sociaal functioneren. [naam eiser] voerde voorts aan dat haar situatie voldeed aan de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Zij had een te groot energieverbruik. Zij had drie van de vijf omschreven ziektebeelden die haar teveel energie kostten. Daarnaast had zij verminderde mogelijkheden tot recuperatie, nu zij veel problemen had met slapen doordat zij een stemmingsstoornis, angststoornissen en stressgerelateerde stoornissen had. Uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid blijkt voorts dat de duurbelastbaarheid alleen op preventieve gronden beperkt wordt bij bepaalde typen aandoeningen. Bij [naam eiser] is gebleken dat op het moment dat zij onder druk stond of teveel hooi op haar vork nam, een manische periode kon aanbreken. Als [naam eiser] belast werd met elke dag vier uur werken, was de kans groot dat zij een psychose en een terugval zou krijgen, wat haar veel energie zou kosten. Tevens volgt uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid dat onder verminderde beschikbaarheid wordt verstaan dat [naam eiser] als gevolg van haar ziekte feitelijk niet ten minste acht uur per dag beschikbaar was om te werken. [naam eiser] had immers extra tijd nodig voor zelfzorg. Daarnaast was [naam eiser] in behandeling op indicatie van een medisch of paramedische beroepsoefenaar: één keer in de week bij PsyQ en één keer in de week vanuit BOBA.

4.2.

De gemachtigde van [naam eiser] heeft ter zitting nog aangevoerd dat de diagnose bipolaire stoornis type 2 is vervallen en vervangen door de diagnose schizo-affectieve stoornis.

5.1

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Op grond van het zesde lid van dit artikel wordt de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

Op grond van het achtste lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld. Deze regels zijn vastgesteld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit).

5.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in (onder meer) artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

6. De rechtbank dient aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam eiser] geen Wajong-uitkering kon krijgen omdat zij over arbeidsvermogen beschikte.

6.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapportage van 2 april 2019 tot de conclusie gekomen dat de aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding geven om af te wijken van het eerder ingenomen standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de beperkingen van [naam eiser] wel aannemelijk waren, maar niet in de mate waarin door [naam eiser] werd verondersteld. De primaire verzekeringsarts heeft in de rapportage van 13 juni 2018 vele fysieke en mentale beperkingen en omstandigheden benoemd waaronder [naam eiser] nog kon functioneren en waarmee rekening is gehouden met een verminderde fysieke, energetische en mentale belastbaarheid. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat het wel aannemelijk is dat [naam eiser] de in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid genoemde oorzaken van een urenbeperking had, maar dat deze standaard geschreven is vanuit een positie van tenminste 40 uur per week en acht uur per dag werken. Een urenbeperking van meer dan vier uur per dag, waarbij vier uur werken verdeeld kan worden over de dag, is niet aannemelijk zolang wordt uitgegaan van werk dat past bij alle weergegeven beperkingen en voorwaarden.

6.2.

Bij brief van 17 juli 2019 heeft [naam eiser] informatie overgelegd van haar psychiater [naam psychiater] . Uit deze informatie volgt dat [naam eiser] een bipolaire type 2 stoornis had en dat er sprake was van beperkingen in functioneren die passend zijn bij een autisme spectrum stoornis. Voorts sprak de psychiater de verwachting uit dat de classificaties duurzame beperkingen gaven in het functioneren in de toekomst waarbij niet duidelijk was hoe zich dat qua beloop en ernst zou ontwikkelen.

6.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapportage van 26 augustus 2019 geconcludeerd dat de door [naam eiser] overgelegde informatie geen aanleiding gaf tot wijzigingen in de eerder geformuleerde voorwaarden en omstandigheden, nu de aangedragen informatie geen nieuwe medische feiten bevatte die niet bekend waren bij het onderzoek door de primaire verzekeringsarts.

6.4.

Bij brief van 22 januari 2020 heeft [naam eiser] informatie van haar klinisch psycholoog [naam klinisch psycholoog] van 20 januari 2020 overgelegd. Uit deze informatie volgt dat [naam eiser] recent een psychose had doorgemaakt. Zij was behandeld met het medicijn Haldol 3 mg. Dit had een gewenst effect. [naam eiser] is voor een periode van twee weken geobserveerd. In deze periode was er bij [naam eiser] sprake van wanen en hallucinaties in afwezigheid van een depressieve of hypomanische stemmingsperiode. Gelet hierop waren er voldoende aanwijzingen om de diagnose bipolaire stoornis type 2 te laten vervallen en te vervangen door de diagnose schizo-affectieve stoornis.

6.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapportage van 3 februari 2020 geconcludeerd dat er geen aanleiding was om zijn rapportage van 11 december 2018 te wijzigen. Voorts stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich op het standpunt dat, als er al sprake zou zijn van volledige arbeidsongeschiktheid enkel ten gevolge van psychosen, dit niet als duurzaam kon worden beschouwd. De beperkingen ten aanzien van tussenmenselijke relaties en omgaan met stress sloten aan bij het weergegeven ziektebeeld van [naam eiser] . De diagnosewijziging veranderde daar niets aan. Tot slot concludeerde de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen aanleiding bestond voor een urenbeperking van meer dan vier uur per dag.

6.6.

Bij brief van 18 februari 2020 heeft [naam eiser] gereageerd op de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. [naam eiser] stelde dat een succesvolle behandeling met het medicijn Haldol niet betekent dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De medicatie heeft een crisissituatie opgelost, maar de psychotische klachten, vermoeidheidsklachten en slaap- en concentratieproblemen waren niet verdwenen. Verder stelde [naam eiser] dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet is ingegaan op het punt dat zij eerder stelde, te weten dat er geen aanwijzingen waren voor een verminderde fysieke, energetische en mentale belastbaarheid, maar de nieuwe diagnose gaf hier nu wel een verklaring voor.

6.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapportage van 12 maart 2020 geconcludeerd dat de nieuwe aangedragen informatie, die ook aansluit op recente informatie van dezelfde behandelaar, geen nieuwe gezichtspunten gaf omtrent de belastbaarheid van [naam eiser] zoals weergegeven in zijn rapportage van 11 december 2018. Er was derhalve geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

6.8.

Nu de diagnose bipolaire stoornis type 2 is vervallen en vervangen door de diagnose schizo-affectieve stoornis, heeft de rechtbank aanleiding gezien om nader onderzoek te laten verrichten en een onafhankelijke deskundige te benoemen.

6.9.

In zijn rapportage van 20 november 2020 heeft de deskundige geconcludeerd dat [naam eiser] op 18 januari 2018 geen arbeidsvermogen had, omdat zij niet gedurende vier uur per dag belastbaar was. Bij [naam eiser] is een stoornis vastgesteld waarbij psychotische klachten/perioden voorkwamen. Dat geldt zowel voor de bipolaire stoornis als de schizo-affectieve stoornis. De deskundige acht het niet van bepalend belang dat die stoornis(sen) pas later zijn vastgesteld, omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat die stoornis(sen) reeds op 18 januari 2018 actueel waren. De deskundige concludeert dat het voorkomen van een psychose een valide argument is om een verminderde arbeidsduur aan te mogen nemen. Voorts concludeert de deskundige dat de beperking in duurbelastbaarheid samenhing met de (continu) aanwezige angstklachten en dat de daarmee gepaard gaande gevoelens van alertheid en arousal een negatieve invloed hebben op de (energetische) belastbaarheid. [naam eiser] heeft weliswaar haar gymnasium diploma behaald, maar met een aangepast lesschema, veel thuisstudie en weinig betrokkenheid bij de schoolse activiteiten en lessen.

Voorts concludeert de deskundige dat geen sprake was van ontwikkeling van arbeidsvermogen. De deskundige licht toe dat naar de maatschappelijke re-integratie van patiënten met een ASS of een psychotische stoornis veel onderzoek is en wordt gedaan. Het onderzoek laat in algemene zin zien dat er doorgaans op 18-jarige leeftijd geen definitieve conclusies getrokken kunnen worden. Bij een ernstige psychische stoornis, zoals bij [naam eiser] aanwezig was op de datum in geding, is supported employment of Individuele Plaatsing en Steun bewezen effectief in het vergroten van de kansen op betaald werk. Dat pad lijkt voor [naam eiser] open te hebben gelegen op de datum in geding, dit nog los van goede, op de stoornis gerichte (medicamenteuze) behandeling die feitelijk op 18 januari 2018 nog niet aan de orde was. Volgens de deskundige kan dan in theorie worden aangenomen dat er op 18 januari 2018 nog mogelijkheden waren om arbeidsvermogen te ontwikkelen. De deskundige concludeert echter, met de wetenschap van nu, dat dit in de praktijk bij [naam eiser] niet het geval geweest is. De last van de aandoening is haar zodanig zwaar gebleken dat ze een onomkeerbaar en noodlottig besluit genomen heeft. De deskundige concludeert daarom dat de algemene theoretische mogelijkheid voor [naam eiser] geen concrete mogelijkheid geweest is.

6.10.

In reactie op het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 9 december 2020 aanvullend gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de deskundige niet in zijn conclusie dat er geen arbeidsvermogen was. Het Compendium Participatiewet 2015 formuleert zeer strenge criteria voor een urenbeperking van meer dan vier uur per dag. [naam eiser] heeft niet ver na haar 18e verjaardag haar gymnasiumdiploma gehaald. Ook de in het verslag van de verzekeringsarts van 13 juni 2018 beschreven dagelijkse activiteiten wijzen er niet op dat [naam eiser] niet vier uur per dag (al dan niet aaneen) actief kon zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht wel aannemelijk dat er weinig of geen mogelijkheden waren tot verdere ontwikkeling van arbeidsvermogen.

6.11.

Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1565, pleegt de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke deskundige te volgen. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om met betrekking tot het oordeel van de deskundige van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op alle in het dossier aanwezige op [naam eiser] betrekking hebbende (medische) stukken. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de deskundige volledig en zorgvuldig geweest. Wat verweerder heeft aangevoerd geeft, mede gelet op de zich in het dossier bevindende medische stukken, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de deskundige. Dat [naam eiser] niet ver na haar 18e verjaardag haar gymnasiumdiploma heeft gehaald kan, zoals de gemachtigde van eisers heeft aangevoerd, terug te voeren zijn op haar leercapaciteit en een aangepaste opleiding, zodat uit dit feit niet valt af te leiden dat zij voor tenminste vier uur per dag belastbaar was.

6.12.

Gelet op de bevindingen en de conclusie van de deskundige is de rechtbank van oordeel dat verweerder het arbeidsvermogen van [naam eiser] onjuist heeft vastgesteld en dat ervan moet worden uitgegaan dat zij per 18 januari 2018 geen arbeidsvermogen had. Gelet hierop berust het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag.

6.13.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tegen die achtergrond concludeert de rechtbank dat, gelet op de onderzoeksbevindingen van de deskundige en in het licht van de overige medische gegevens, naar haar oordeel in voldoende mate vaststaat dat vanaf 18 januari 2018 sprake was van de situatie waarin [naam eiser] niet gedurende vier uur per dag belastbaar was en de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van [naam eiser] zich niet zouden kunnen ontwikkelen, zodat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat [naam eiser] , ingevolge het bepaalde in artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Wajong, recht had op een Wajonguitkering. De rechtbank ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat [naam eiser] met ingang van 18 januari 2018 (de datum van haar aanvraag) recht had op een Wajong-uitkering. Het besluit van 12 juni 2018 zal daarom worden herroepen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank verweerder opdragen aan eisers het door [naam eiser] betaalde griffierecht te vergoeden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.403,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 12 juni 2018 en bepaalt dat [naam eiser] met ingang van 18 januari 2018 recht had op een Wajong-uitkering en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 21 januari 2019;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.403,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.