Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/5211
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak is de bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, als die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. In dit geval is geen sprake van een besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat; verweerder is niet in gebreke gebleven tijdig een besluit te nemen. De rechtbank acht zich daarom onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5211


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats] , eiser,

en

De Korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, verweerder

(gemachtigde: mr. R.D. Lubach).

Procesverloop

Bij brief van 21 oktober 2016 heeft eiser verweerder verzocht om een schadevergoeding vanwege het in bewaring moeten geven van zijn vuurwapens aan Wapenhandel Slendebroek te Beilen en de daarmee samenhangende kosten.

Op 27 februari 2017, 23 mei 2017 en 15 juli 2017 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

Bij brief van 3 oktober 2019, ontvangen op 10 oktober 2019, heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een schadevergoeding van 21 oktober 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op dit verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn ter zitting verschenen [naam persoon 2] , schadecoördinator bij de Politie Rotterdam en [naam persoon 3] , schadecoördinator in opleiding bij de politie Rotterdam.

Overwegingen

1. Eiser is wapenverzamelaar en had in die hoedanigheid een aanzienlijk aantal (49) vuurwapens in zijn woning opgeslagen. Op 21 december 2012 is het verlof van eiser tot het voorhanden mogen hebben van de wapens ingetrokken, omdat zijn woning (waarin de wapens werden opgeslagen) niet voldeed aan de daaraan te stellen veiligheidseisen. Bij besluit van 29 mei 2013 is het door eiser tegen dit besluit ingestelde (administratief) beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit vernietigd, voor zover dit was gebaseerd op artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet Wapens en Munitie (Wwm), en voor het overige is dit (administratief) beroep ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:6109) ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Bij uitspraak van 22 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1265) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak bevestigd.

2. Eiser heeft bij brief van 3 oktober 2019 (door de rechtbank ontvangen op 10 oktober 2019) een beroepschrift ‘niet tijdig beslissen’ ingediend. Op 29 januari 2020 heeft eiser een aanvullende reactie aan de rechtbank doen toekomen. Eiser voert in beroep - samengevat - het volgende aan.

Eiser was als gevolg van de procedure waarbij zijn verlof was ingetrokken verplicht zijn vuurwapens in te leveren. Op grond van de Beleidsmaatregel bewaring legale vuurwapens (Beleidsmaatregel) moest eiser in opdracht van de politie zijn wapens en de munitie bij een bevoegd wapenhandelaar in bewaring geven. De kosten hiervoor zijn substantieel hoger dan dat eiser zijn vuurwapens bij de korpschef in bewaring zou moeten geven. Eiser meent dat de kosten die hij extra heeft moeten maken vanwege het in bewaring geven van zijn vuurwapens aan de wapenhandelaar moeten worden vergoed, omdat de Beleidsmaatregel in strijd was met artikel 8 van de Wwm waaruit volgt dat de persoon die een wapen of munitie voorhanden heeft, zonder daartoe gerechtigd te zijn, verplicht is deze terstond bij de korpschef in bewaring te geven. Eiser meent dat hij aan het lijntje wordt gehouden, nu verweerder eerder niet inhoudelijk is ingegaan op zijn verzoek om schadevergoeding. Volgens eiser wordt ten onrechte door verweerder en Achmea gesteld dat dit geschil via de civielrechtelijke weg dient te worden afgehandeld.

3. In het verweerschrift van 12 november 2019 stelt verweerder zich - samengevat - op het standpunt dat de door eiser gestelde schade niet langs bestuursrechtelijke weg kan worden afgewikkeld. Dit staat aan een ontvankelijk beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om schadevergoeding, bij de bestuursrechter in de weg. Verweerder leidt uit het schrijven van eiser van 21 september 2018 af dat de gestelde schadeoorzaak de Beleidsmaatregel is. Deze Beleidsmaatregel is volgens verweerder te kwalificeren als een set van beleidsregels in de zin van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit vaste rechtspraak blijkt dat de bestuursrechter alleen bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over een eventueel beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijk bevoegdheid zelf. In deze situatie is volgens verweerder niet aan het vereiste van processuele connexiteit voldaan, omdat op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb geen beroep openstaat tegen een beleidsregel. Nu niet is voldaan aan het vereiste van processuele connexiteit, is het niet mogelijk om via het uitlokken van een zelfstandig schadebesluit schade vergoed te krijgen. Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat de gestelde schade alleen langs civielrechtelijke weg kan worden afgehandeld en dat verweerder niet in gebreke is gebleven om een besluit te nemen op eisers verzoek om schadevergoeding. Deze onbevoegdheid is ook aan de orde, indien het niet om beleidsregels, maar om andersoortige interne regels gaat, zoals eiser kennelijk stelt.

4. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Nu eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van de Beleidsmaatregel, die op 1 mei 2012 in werking is getreden, is in deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Dit betekent dat in deze zaak het oude regime van het zelfstandige schadebesluit van toepassing is.

5. De rechtbank begrijpt het verzoek van eiser van 21 oktober 2016 aldus dat hij met dit verzoek een zuiver schadebesluit van verweerder wenst te ontvangen. Eiser neemt geen genoegen met een afhandeling via de civielrechtelijke weg van zijn verzoek om verweerder aansprakelijk te stellen voor het verschil tussen het commerciële en het wettelijke tarief met betrekking tot het in bewaring stellen van zijn wapens. Eiser heeft het aanbod van Achmea tot een schikkingsbedrag van € 1.641,- zoals uiteindelijk gedaan bij brief van 17 mei 2019, niet aanvaard, waarop hij het onderhavige beroep heeft ingesteld.

Nu eiser tot nu toe van verweerder geen zuiver schadebesluit heeft ontvangen, beoogt hij met het onderhavige beroep tegen het niet tijdig beslissen op voormeld verzoek van

21 oktober 2016 alsnog (spoedig) een (zuiver schade)besluit te ontvangen.

6. Volgens vaste rechtspraak is de bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, als die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

De rechtbank stelt vast dat de door eiser gestelde schadeoorzaak de Beleidsmaatregel is. Eiser heeft immers betoogd dat hij op grond van die Beleidsmaatregel zijn wapens in bewaring moest geven aan de wapenhandelaar en hij daardoor hoge(re) kosten heeft moeten maken, terwijl de Beleidsmaatregel in strijd was met de Wwm, zoals later is gebleken. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat voormelde Beleidsmaatregel een beleidsregel is, staat hiertegen op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de Awb echter geen beroep open en, gelet op artikel 7:1 van de Awb, ook geen bezwaar. Dit betekent dat processuele connexiteit ontbreekt. Dit geldt evenzo indien de Beleidsmaatregel – bij gebrek aan publicatie – zou moeten worden aangemerkt als een gedragsinstructie. Dat is geen besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat bij de bestuursrechter. Een verzoek om schadevergoeding op basis van de Beleidsmaatregel is dan ook geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Een aanvraag heeft immers betrekking op het nemen van een besluit, waartegen ingevolge de Awb bezwaar en beroep openstaat. Nu er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, kan ook niet worden gesteld dat verweerder in gebreke zou zijn tijdig te beslissen op eisers verzoek, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het onderhavige beroep kennis te nemen.

7. Dit betekent concreet dat de bestuursrechter in deze niets kan betekenen voor eiser. Zoals verweerder echter ter zitting heeft aangegeven, is hij nog steeds bereidwillig om civielrechtelijk over te gaan tot het betalen van een schadevergoeding, zij het niet voor het door eiser gevorderde bedrag (nu eiser schadebeperkend had kunnen handelen). Het komt de rechtbank gerade voor dat partijen vanuit die optiek opnieuw met elkaar in onderhandeling treden.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2021.

de rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.