Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
C/10/609547 / KG ZA 20-1133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering tot het verwijderen van de registraties van de persoonsgegevens van eisers in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister (EVR).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/609547 / KG ZA 20-1133

Vonnis in kort geding van 25 januari 2021

in de zaak van

1. [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers,

advocaat mr. L.F.M. Meles te Alkmaar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BNP PARIBAS PERSONAL FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

verschenen bij mr. B.E. Renkers-Is en mr. S.J.J. Gorissen (gevolmachtigden).

Eisers zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [naam eiser 1] en [naam eiser 2] en gezamenlijk als [eisers] . Gedaagde zal BNP Paribas genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 december 2020, met producties 1 tot en met 14,

  • -

    de nadere producties van [eisers] . 15 tot en met 17,

  • -

    de producties van BNP Paribas 1 tot en met 11,

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 januari 2021,

  • -

    de spreekaantekeningen van [eisers] .,

  • -

    de spreekaantekeningen van BNP Paribas.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 16 januari 2020 is vanaf het e-mailadres [e-mailadres] op naam van [naam eiser 1] via tussenpersoon Leenattent bij BNP Paribas een aanvraag gedaan voor een lening van € 50.000,00 (hierna: de kredietaanvraag).

2.2.

Een e-mail van 23 januari 2020 vanaf het e-mailadres [e-mailadres] aan BNP Paribas luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Ik heb inmiddels Leen attent te kennen gegeven dat ik mijn aanvraag laat vervallen ivm. Het feit dat ik de auto heb gefinancierd middels een lening bij mijn werkgever.

(…)”.

2.3.

In reactie hierop heeft BNP Paribas op 23 januari 2020 bericht:

“(…) Het feit dat u de aanvraag laat vervallen heeft geen invloed op de vragen die

wij hebben, Bij de beoordeling van de door u ingezonden stukken hebben wij onregelmatigheden geconstateerd. Dit heeft consequenties voor u en uw partner, [naam eiser 2] . Vandaar dat wij graag in gesprek met u willen komen (…)”.

2.4.

Op 24 januari 2020 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [naam eiser 1] en medewerkers van de afdeling Fraude van BNP Paribas. Een door BNP Paribas opgesteld verslag van dit gesprek luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Vraag:

Heeft u dit bankafschrift aangepast?

Antwoord:

Dat zou kunnen.

Vraag:

Wat moeten wij ons bij daarbij voorstellen “dat zou kunnen”?

Antwoord:

Dat zou kunnen, dat mag u opschrijven.

(…)”.

Dit verslag is niet door [naam eiser 1] ondertekend.

2.5.

Op 10 februari 2020 heeft ten kantore van BNP Paribas een gesprek plaatsgevonden tussen [naam eiser 1] en medewerkers van de afdeling Fraude van BNP Paribas. [naam eiser 1] werd hierbij bijgestaan door een jurist. Een door BNP Paribas opgesteld en door [naam eiser 1] ondertekend verslag van dit gesprek luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Vraag:

Wie heeft deze documenten aangeleverd?

Antwoord:

Ik had iemand in huis die een alcohol en drugsverleden heeft. Deze heeft vroeger voor mij gewerkt. Deze persoon een aanvraag gedaan op mijn naam en die van mijn partner. Zonder dat ik en mijn vrouw dat wisten.

(…)

Vraag:

De persoon die bij in huis woonde, waar had deze allemaal toegang tot?

Antwoord:

Tot mijn laptop. Hij deed ook de administratie. Toegang tot de cloud. Maar ik vind het wel interessant hoe hij aan dit UWV-overzicht komt.

Vraag:

Had deze persoon ook toegang tot uw Digid gegevens?

Antwoord:

Dat denk ik.

(…)”.

2.6.

Een brief van BNP Paribas aan [eisers] . van 18 februari 2020 luidt voor zover hier van belang:

“(…) Op 16 januari 2020 hebben wij een kredietaanvraag ontvangen op uw beider namen. Als onderbouwing van de kredietaanvraag hebben wij diverse documenten ontvangen op uw naam. Zoals reeds bij u bekend is hebben wij bij de beoordeling van deze stukken onregelmatigheden aangetroffen. Om het inkomen van de heer [naam eiser 1] te

onderbouwen hebben wij gevraagd om aanvullende documenten. Op 22 januari 2020 hebben wij via uw mailadres [e-mailadres] de volgende stukken ontvangen:

• Het bankafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] tnv [naam eiser 2] en/of [naam eiser 1] over de periode 0140-2019 t/m 20-01-2020.

• Het UWV verzekeringsbericht tnv [naam eiser 1] met als datum 21 januari 2020.

Bij de beoordeling van deze documenten troffen wij wederom onregelmatigheden aan. Dat was voor BNP Paribas Personal Finance aanleiding om u persoonlijk te spreken.

Op vrijdag 24 januari 2020 hebben wij met de heer [naam eiser 1] telefonisch gesproken en de onregelmatigheden met u doorgenomen. Het gespreksverslag van dit interview treft u als bijlage aan.

Na het interview heeft u telefonisch contact met ons opgenomen en aangegeven te willen meewerken, maar dan met juridische ondersteuning. Hierop heeft op maandag 10 februari 2020 een gesprek plaatsgevonden (…). Het gespreksverslag van dit

interview is reeds in uw bezit. Tijdens dit gesprek heeft u onder andere verklaard dat:

• iemand anders, die bij u inwonend was, de kredietaanvraag had gedaan;

• deze persoon ook de door ons ontvangen stukken had aangeleverd;

• u vanaf 18 maart 2019 in loondienst bent bij de werkgever Werk Ontwikkel Academie;

• u uw beloning vanuit Werk Ontwikkel Academie ontvangt, alleen in de maand oktober (2019) niet.

(…)

Op maandag 17 februari 2020 heeft u, conform de gemaakte afspraak, via uw mailadres

[e-mailadres] aangeleverd:

• Het bankafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] tnv [naam eiser 2] en/of [naam eiser 1] over de periode 01-04-2019 t/m 01-02-2020.

• Het bankafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] tnv [naam eiser 2] over de periode 01-10-2019 t/m 01-02-2020.

Op dezelfde datum, 17 januari, heeft u per e-mail een verklaring gegeven over onder andere uw beloningsstructuur en de transacties van [naam 1] , uw broer.

Op basis van de bij ons bekende documenten, informatie en verklaringen hebben wij uw zaak beoordeeld. Het is voor ons niet aannemelijk dat iemand anders dan uzelf de bij BNP Paribas Personal Finance ontvangen kredietaanvraag heeft gedaan. Het is ook niet aannemelijk dat iemand anders dan uzelf de betreffende documenten heeft aangeleverd. Uw verklaring dat u vanaf 18 maart 2019 in loondienst bent bij Werk Ontwikkel

Academie is voor BNP Paribas Personal Finance niet aangetoond.

Onze conclusie is dan ook dat u een kredietaanvraag heeft gedaan waarbij u gebruik heeft gemaakt van vervalste stukken. Hierdoor zullen dan ook vervolgstappen worden ondernomen in de vorm van registratie van uw persoonsgegevens in het Externe Verwijzingsregister en aangifte bij de politie.

(…)”.

2.7.

Een tweede brief van BNP Paribas aan [eisers] . van 18 februari 2020 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Hierbij delen wij u mede dat BNP Paribas Personal Finance B.V. de gegevens die op u betrekking hebben, heeft opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister.

(…)

Ten aanzien van u is voldoende aannemelijk geworden, dat u in januari 2020 bij een incident (frauduleuze aanvraag Persoonlijke Lening) betrokken bent geweest. Tevens hebben wij vastgesteld dat voldaan is aan de opnamecriteria voor registratie in het Extern Verwijzingsregister in het deel VFN (Vereniging van Financieringsinstellingen in

Nederland).

Gezien uw betrokkenheid bij dit incident is de registratie voor de duur van maximaal acht jaar. Indien er tussentijds andere incidenten plaatsvinden waarbij u betrokken bent, kan deze termijn worden verlengd.

(…)”.

2.8.

Bij brief van 31 juli 2020 heeft Rabobank onder meer de hypothecaire geldlening van [eisers] . opgezegd met een opzegtermijn van twee maanden. [eisers] . hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brieven van 28 oktober 2020 en 26 november 2020 heeft Rabobank [eisers] . bericht dat zij blijft bij haar besluit tot beëindiging van de bancaire relatie.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] . vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I) BNP Paribas te veroordelen de registraties van de persoonsgegevens van [eisers] . in het incidentenregister en het externe verwijzingsregister (hierna: EVR) binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis ongedaan te maken/te verwijderen,

II) zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BNP Paribas daartoe in gebreke blijft,

subsidiair

III) te bepalen dat de registratie van de gegevens van [eisers] . in het incidentenregister van BNP Paribas en in het externe verwijzingsregister in duur wordt beperkt tot maximaal een jaar, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn,

IV) zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BNP Paribas daartoe in gebreke blijft,

primair en subsidiair:

V) BNP Paribas te veroordelen in de proceskosten, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis en benevens de wettelijke rente, voor zover tijdige betaling niet plaatsvindt.

3.2.

BNP Paribas voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Met de stelling dat als gevolg van de registratie in het EVR Rabobank de bancaire relatie met [eisers] . heeft opgezegd, dat [eisers] . daardoor (onder meer) hun hypothecaire geldlening op korte termijn moeten oversluiten en dat dat gelet op de registratie van de persoonsgegevens van [eisers] . in (het incidentenregister en) het EVR onmogelijk zal zijn, hebben [eisers] . het spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorzieningen genoegzaam aannemelijk gemaakt.

4.2.

De registratie van de persoonsgegevens in het incidentenregister en het EVR hebben plaatsgevonden op basis van het Protocol Incidenten Waarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2013 (hierna: het Protocol). Met het Protocol geven de aangesloten financiële instellingen (waaronder BNP Paribas) uitvoering aan hun wettelijke verplichtingen om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van de financiële sector.

4.3.

Voor vastlegging van gegevens in het incidentenregister is op grond van artikel 3.1.1 Protocol vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’. Onder het begrip incident wordt verstaan een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een financiële instelling, de financiële instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding (artikel 2 Protocol).

4.4.

Aan het incidentenregister is het EVR gekoppeld. Het opnemen van persoonsgegevens in deze registers is aan te merken als een verwerking van persoonsgegevens waarop de (sinds 25 mei 2018 geldende) Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Het protocol biedt voldoende waarborgen voor verwerking van persoonsgegevens zoals die door de AVG wordt voorgeschreven. Het protocol dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de persoonsgegevens van [eisers] . in de registers gerechtvaardigd is.

4.5.

Op grond van artikel 5.2.1. van het Protocol is opname in het EVR, kort gezegd, slechts geoorloofd indien:

a. a) de gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of de financiële instelling zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector;

b) in voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan;

c) het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen in die zin dat wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen van opname in het EVR voor de desbetreffende persoon.

4.6.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat voor het aannemen en verwerken van strafrechtelijke niet een veroordeling door de strafrechter niet is vereist. De gegevens moeten echter wel in voldoende mate vaststaan. Dat betekent dat sprake moet zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering kunnen dragen. Daarvan is sprake als de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren. Uitgangspunt is verder dat het aan de financiële instelling is te onderbouwen en te concretiseren waarom zij tot registratie is overgegaan (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720).

4.7.

Vaststaat dat op 16 januari 2020 op naam van [eisers] . een kredietaanvraag is gedaan bij BNP Paribas (zie 2.1) en dat het ter onderbouwing van die aanvraag overgelegde bankafschrift vervalst was. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het vervalsen van een bankafschrift en het gebruik daarvan bij de aanvraag om op basis van niet correcte gegevens een financiering te verkrijgen die op basis van de juiste gegevens mogelijk niet zou worden verstrekt, worden aangemerkt als valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht; hierna: Sr) en poging tot oplichting (artikel 326 Sr). Daarmee is in beginsel sprake van een incident in de zin van het Protocol (zie 4.3).

4.8.

[eisers] . voeren aan dat zij de kredietaanvraag niet hebben ingediend en ook geen stukken hebben vervalst. De kredietaanvraag is buiten hun medeweten ingediend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), een goede kennis van [eisers] . Vanaf eind 2019 heeft [naam 2] een paar maanden bij [eisers] . in huis gewoond. In ruil daarvoor verrichtte [naam 2] allerlei huishoudelijke en administratieve taken voor [eisers] . In dat kader had [naam 2] de beschikking over onder meer de privételefoon en een laptop van [naam eiser 1] . Hierdoor had hij ook toegang het e-mailaccountant [e-mailadres] en de persoonlijke gegevens van [naam eiser 1] . [naam eiser 1] maakte zelf alleen gebruik van zijn zakelijke telefoon en e-mail. Het e-mailaccount [e-mailadres] was niet geïnstalleerd op deze telefoon. Op 24 januari 2020 heeft [naam 2] aan [naam eiser 1] aangegeven dat hij kampte met verslavingsproblematiek, dat hij hoge schulden had opgebouwd en dat hij in dat kader op naam van [eisers] . via Leenattent een kredietaanvraag had gedaan bij BNP Paribas. Dat was een uur voordat BNP Paribas telefonisch contact opnam met [naam eiser 1] .

4.9.

BNP Paribas stelt dat zij terecht tot registratie van de persoonsgegevens van [eisers] . in het incidentenregister en het EVR is overgegaan. Bij de kredietaanvraag is een vervalst bankafschrift overgelegd. Daarnaast is een UWV-overzicht overgelegd, waarvan BNP Paribas ook vermoedt dat dit vervalst is. BNP Paribas heeft ook twijfels over de echtheid van de bij de kredietaanvraag overgelegde arbeidsovereenkomst van [naam eiser 1] . Volgens BNP Paribas is het niet geloofwaardig is dat de kredietaanvraag is ingediend buiten medeweten van [eisers] . en dat daarbij buiten medeweten van [eisers] . vervalste stukken zijn overgelegd. [naam eiser 1] heeft tijdens het telefoongesprek op 24 januari 2020 telefonisch bevestigd dat hij de kredietaanvraag had ingediend. Pas tijdens het tweede interview op 10 februari 2020 verklaarde [naam eiser 1] dat [naam 2] de aanvraag zou hebben gedaan. De kredietaanvraag is gedaan vanaf hetzelfde e-mailadres als waarmee [naam eiser 1] een half jaar eerder ook al een kredietaanvraag had gedaan via dezelfde tussenpersoon en voor hetzelfde bedrag. [naam eiser 1] was bestuurder van [naam bedrijf] , die sinds april 2018 in staat van faillissement verkeert. Uit de faillissementsverslagen blijkt dat [naam eiser 1] de betalingsregeling die hij met de curator heeft getroffen vanwege (onder meer) paulianeus handelen, niet nakomt en dat de curator daarom rechtsmaatregelen tegen [naam eiser 1] in privé gaat treffen. [naam eiser 1] had dus voldoende reden om een lening aan te willen vragen.

Als mocht blijken dat de kredietaanvraag buiten medeweten van [eisers] . is gedaan, dan zijn [eisers] . in ieder geval medeplichtig aan de gepleegde fraude. Door een derde toegang te geven tot hun laptop, telefoon, DigiD en e-mail, hebben [eisers] . deze derde in staat gesteld fraude te plegen met hun persoonlijke gegevens.

4.10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eisers] . voldoende gemotiveerd weersproken dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en poging tot oplichting. [eisers] . hebben ter onderbouwing van hun stellingen zoals weergegeven onder 4.8 drie verklaringen van [naam 2] overgelegd. Zij hebben verder een proces-verbaal van aangifte tegen [naam 2] overgelegd. Op basis hiervan kan op voorhand niet worden uitgesloten dat de kredietaanvraag buiten medeweten van [eisers] . is gedaan door [naam 2] en dat [naam 2] daarbij, buiten medeweten van [eisers] ., gebruik heeft gemaakt van vervalste stukken. De omstandigheid dat – zoals BNP Paribas stelt – [naam eiser 1] hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd (zie 2.4 en 2.5), doet hieraan onvoldoende af. [naam eiser 1] heeft hierover ter zitting verklaard dat hij pas een uur voor het gesprek op 24 januari 2020 door [naam 2] op de hoogte werd gesteld van hetgeen hij had gedaan en dat hij op dat moment nog geen enkel idee had van de wijze waarop de aanvraag was gedaan, dat er vervalste stukken waren toegevoegd en wat de gevolgen hiervan zouden zijn. Om die reden heeft hij zich tijdens het gesprek op 24 januari 2020 afwachtend opgesteld. Uitgaande van deze beschrijving van de feitelijke gang van zaken, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet al teveel gewicht worden gehecht aan de – slechts één uur na de eerste confrontatie met [naam 2] – door [naam eiser 1] aan BNP Paribas gegeven antwoorden. Ook uit de omstandigheid dat [eisers] . voldoende reden zouden hebben om een lening aan te vragen, kan, gelet op de onderbouwde stellingen van [eisers] ., niet zonder meer worden afgeleid dat de kredietaanvraag door [eisers] . is gedaan.

4.11.

Tegen de achtergrond van het voorgaande kan in dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat ten aanzien van [eisers] . sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan valsheid in geschrifte en oplichting (zie 4.6). Daartoe is nader feitenonderzoek noodzakelijk, waarvoor in de onderhavige procedure geen plaats is. Dat feitenonderzoek zal in een bodemprocedure moeten plaatsvinden.

4.12.

Anders dan BNP Paribas stelt, leidt ook de omstandigheid dat [eisers] . – kort gezegd – onzorgvuldig zijn omgegaan met hun persoonsgegevens en daarmee fraude door [naam 2] hebben mogelijk gemaakt, er vooralsnog niet toe dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan medeplichtigheid aan de hiervoor bedoelde misdrijven. Voor de strafbaarheid van medeplichtigheid geldt immers onder meer dat de medeplichtige zowel opzet moet hebben gehad op zijn eigen bijdrage als op het misdrijf dat hij ondersteunt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is van dat laatste voorshands geen sprake.

4.13.

Op grond van het voorgaande en nu de registraties verstrekkende consequenties voor [eisers] . hebben, zal BNP Paribas de registraties vooralsnog ongedaan moeten maken. De primaire vordering wordt daarom toegewezen voor zover deze strekt tot verwijdering van de persoonsgegevens van [eisers] . met betrekking tot het onderhavige incident uit het Incidentenregister en het EVR. De mede gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 50.000,00.

Buitengerechtelijke kosten

4.14.

[eisers] . vorderen tot slot betaling van buitengerechtelijke kosten. In de dagvaarding hebben zij deze kosten begroot op € 925,00. De vordering tot het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten zal, als onvoldoende gemotiveerd weersproken, worden toegewezen. Uit de onweersproken stellingen van [eisers] . kan worden afgeleid dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan een enkele aanmaning. Het gevorderde bedrag is conform het rapport Voorwerk II en is als zodanig evenmin bestreden.

4.15.

BNP Paribas zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] . worden begroot op:

- betekening oproeping € 106,47

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.395,47

4.16.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt BNP Paribas de registraties van de persoonsgegevens van [eisers] . in het incidentenregister en het EVR binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis te verwijderen,

5.2.

veroordeelt BNP Paribas om aan [eisers] . een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt BNP Paribas om aan [eisers] . te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten,

5.4.

veroordeelt BNP Paribas in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] . tot op heden begroot op € 1.395,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt BNP Paribas in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat BNP Paribas niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2021.

2083/1980