Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1409

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
C/10/607163 / FA RK 20-8524 C/10/609519 / FA RK 20-9677
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Beschikking verlenging uithuisplaatsing”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/607163 / FA RK 20-8524

C/10/609519 / FA RK 20-9677

Beschikking van 18 januari 2021 betreffende vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het ouderlijk gezag

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw],

advocaat mr. K.R. Koopman te Zeist,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man],

advocaat mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna: de GI.

1. De procedures

C/10/607163 / FA RK 20-8524

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 3 november 2020;

  • -

    het verweerschrift van de man, ingekomen op 9 november 2020.

C/10/609519 / FA RK 20-9677

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 7 december 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Deze zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak betreffende de machtiging uithuisplaatsing (bekend onder zaak-/rekestnummer C/10/605358 / JE RK 20-2758). Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, waarbij de vrouw deelnam door middel van een beeldbelverbinding;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam 1];

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [naam 2].

2. De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 3 januari 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 december 2016 in de registers van de burgerlijke stand..

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2013 te [geboorteplaats kind] (hierna: de minderjarige).

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de vrouw.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2017 is bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 1 maart 2018 als volgt is:

- de minderjarige verblijft één zondag per 14 dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de man.

Daarbij is de vrouw veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere keer dat zij niet aan die regeling meewerkt, totdat een maximum van € 10.000,- is bereikt.

2.6.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen – sectie familie- en jeugdrechtbank, van 11 april 2019 is de terugkeer van de minderjarige naar Nederland met afgifte van de minderjarige aan de man bevolen.

2.7.

Bij arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 15 juli 2019 is het door de vrouw bestreden vonnis van de rechtbank eerste aanleg Antwerpen van 11 april 2019 bekrachtigd.

2.8.

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2019 is door de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om samen met de minderjarige in België te gaan wonen, afgewezen.

2.9.

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2020 zijn de verzoeken van de vrouw in zowel de voorlopige voorzieningenprocedure als de bodemprocedure betreffende de vervangende toestemming verhuizing afgewezen. Bij deze beschikking is ook de beschikking van deze rechtbank van 21 december 2017 gewijzigd, in die zin dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn:

- de zorgregeling wordt onder regie van de GI vormgegeven.

Verder zijn de verzoeken van de man om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, afgewezen, alsmede het meer of anders verzochte.

2.10.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2020 is de schriftelijke aanwijzing van 14 mei 2020 bekrachtigd krachtens welke de vrouw uiterlijk 17 mei 2020 met de minderjarige in Nederland terug dient te zijn en de minderjarige naar school dient te gaan, zoals dat door de school is aangegeven. Ook is bij deze beschikking het verzoek van de vrouw tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing afgewezen, evenals het meer of anders verzochte.

2.11.

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 november 2020 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 21 november 2021. De behandeling van de zaak is voor het overige (ten aanzien van het verzoek van de GI om de minderjarige uit huis te plaatsen in een verblijf bij een pleegouder 24-uurs voor de duur van zes maanden) aangehouden tot de mondelinge behandeling van 14 december 2020.

3. De beoordeling

3.1.

Rechtsmacht en bevoegdheid

3.1.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Op grond van het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid onder voorbehoud van, onder meer, artikel 10 Brussel II-bis.

Artikel 10 Brussel II-bis bepaalt dat, in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind, de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en (a) de persoon die gezagsrecht bezit, in het niet doen terugkeren heeft berust of (b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de voorwaarden onder i tot en met iv van dit artikel is voldaan.

3.1.2.

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren als bedoeld in artikel 10 Brussel II-bis, is het volgende van belang. Vaststaat dat beide ouders zijn belast met het gezag over de minderjarige en dat de vrouw zonder toestemming van de man de minderjarige in december 2017 naar België heeft meegenomen. Bij vonnis van 11 april 2019 van de rechtbank Antwerpen is de terugkeer van de minderjarige naar Nederland met afgifte van de minderjarige aan de man bevolen. Bij arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 15 juli 2019 is het door de vrouw bestreden vonnis van de rechtbank Antwerpen van 11 april 2019 bekrachtigd. Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 januari 2020 is het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing naar België afgewezen. Vaststaat dat de vrouw nadien, te weten in maart 2020, zonder toestemming van de man en de GI en ondanks de verzoeken van de man en de GI om terug te keren naar Nederland, met de minderjarige in België is gebleven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het niet doen terugkeren van de minderjarige in strijd is met het gezamenlijk gezag van de ouders. Er is sprake van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind als bedoeld in artikel 10 juncto artikel 2 onder 11 Brussel II-bis.

Krachtens artikel 10 Brussel II-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd te beslissen op de door partijen gedane verzoeken totdat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft verkregen en voldaan is aan de voorwaarden vermeld onder a of b van dat artikel. Nu aan geen van deze voorwaarden was voldaan op het moment van indiening van het verzoek, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

3.2.

Verhuizing (in zaak C/10/607163 / FA RK 20-8524)

3.2.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming om met de minderjarige naar Wommelgem, België te verhuizen.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen. Naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige(n) hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige(n) elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen.

3.2.4.

Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling dient van het volgende te worden uitgegaan. De vrouw is december 2017, zonder toestemming van de man en/of vervangende toestemming van de rechtbank, met de minderjarige naar België verhuisd. Op 2 september 2019 is door de Belgische politie uitvoering gegeven aan het onder 2.7. genoemde arrest van het Hof van beroep van Antwerpen van 15 juli 2019. De minderjarige is op haar eerste schooldag door de politie opgehaald en ondergebracht bij de man in Nederland. Na een incident tussen partijen is de minderjarige uiteindelijk tijdelijk ondergebracht bij de vrouw en haar moeder in Spijkenisse. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2020, is het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om naar België te verhuizen, afgewezen. Desondanks is de vrouw in maart 2020 wederom zonder toestemming met de minderjarige naar België verhuisd. De vrouw verblijft thans nog steeds met de minderjarige in België, ondanks een door deze rechtbank bij beschikking van 24 juni 2020 bekrachtigde schriftelijke aanwijzing van de GI van 14 mei 2020, waarin staat dat de vrouw met de minderjarige terug naar Nederland dient te keren. Sinds november 2019 hebben er vier door de GI begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden tussen de man en de minderjarige, maar sinds april 2020 is er na het vertrek van de vrouw naar België, geen omgang meer geweest tussen de man en de minderjarige.

3.2.5.

De man stelt primair dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat zij feitelijk al met de minderjarige naar België is verhuisd. De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.6.

De rechtbank verklaart de vrouw ontvankelijk in haar verzoek. Ondanks dat het niet de geëigende weg is om vervangende toestemming te verzoeken nadat er feitelijk al is verhuisd, kan de vrouw alsnog vervangende toestemming voor de verhuizing verzoeken, nu de vereiste toestemming van de man ontbreekt.

3.2.7.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden sinds de voormelde beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2020 zijn gewijzigd. De vrouw woont immers sinds maart 2020 met de minderjarige (weer) in België.

3.2.8.

De rechtbank stelt voorop dat het zich ten aanzien van het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar België te verhuizen aansluit bij de eerdere afweging die door deze rechtbank is gemaakt in de beschikking van 8 januari 2020 en de overwegingen van het Hof van beroep Antwerpen van 15 juli 2019 dienaangaande. De rechtbank neemt de hierop betrekking hebbende overwegingen over en maakt deze tot de hare. Op grond van de stukken en de verklaringen is de rechtbank van oordeel dat door de vrouw geen nieuwe, voor dit verzoek relevante, argumenten zijn aangevoerd voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor verhuizing.

3.2.9.

De rechtbank overweegt verder als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de vrouw er met haar handelwijze blijk van heeft gegeven het belang van de minderjarige uit het oog te hebben verloren. Weliswaar staat vast dat de minderjarige het naar haar zin heeft in België, het goed doet op school en daar vriendjes en vriendinnetjes heeft. Daar staat tegenover dat de minderjarige tijdens haar perioden van verblijf met de vrouw in België steeds langere tijd is verstoken van omgang met de man. De vrouw heeft met haar handelwijze een keuze geforceerd tussen twee uitersten: indien zij vervangende toestemming krijgt om met de minderjarige naar België te verhuizen, moet worden gevreesd dat de man en de minderjarige elkaar niet meer zullen zien en indien haar verzoek wordt afgewezen, zal de minderjarige uit de voor haar inmiddels vertrouwde omgeving worden gehaald. De toegenomen worteling van de minderjarige in België heeft de vrouw met haar in strijd met de wet zijnde handelwijze zelf bewerkstelligd, door alle gerechtelijke uitspraken naast zich neer te leggen.

De rechtbank onderschrijft dan ook niet het standpunt van de raad en de GI dat de vrouw een “veilige haven” voor de minderjarige is, nu de vrouw meermaals heeft laten zien niet in het belang van de minderjarige te handelen. De door de vrouw gestelde trauma’s bij de minderjarige zijn naar het oordeel van de rechtbank voor een groot deel terug te voeren op de handelwijze van de vrouw, en meer in het bijzonder haar weigering uitvoering te geven aan de verschillende rechterlijke uitspraken, zoals die hiervoor zijn genoemd. Zo rekent de rechtbank het de vrouw aan dat zij het er op heeft laten aankomen dat de Belgische politie op 2 september 2019 de minderjarige heeft moeten ophalen en naar de man heeft moeten brengen. De vrouw wist dat dit moest, en had ervoor kunnen – en moeten – kiezen de minderjarige dit trauma te besparen, en had zelf met haar naar Nederland moeten gaan.

3.2.10.

De vrouw heeft meer dan genoeg kansen en waarschuwingen gehad om te laten zien dat zij het belang van de minderjarige voorop stelt door een zorgregeling met de man te faciliteren. Op grond van artikel 1:247 lid 3 BW is het ook haar verplichting om de banden van de minderjarige met de andere ouder te bevorderen. Het herstellen van het contact tussen de man en de minderjarige is zelfs met behulp van een ondertoezichtstelling tot op heden niet mogelijk geweest. Dat de vrouw een klacht heeft ingediend tegen de (inmiddels voormalige) gezinsvoogd staat naar het oordeel van de rechtbank een zorgregeling tussen de man en de minderjarige in de afgelopen maanden niet in de weg. De kinderrechter heeft al hetgeen de vrouw daarover aanvoert al beoordeeld in de beschikking van 24 juni 2020, waarin de schriftelijke aanwijzing van de GI om uiterlijk 17 mei 2020 met de minderjarige terug te zijn in Nederland, is bekrachtigd. De rechtbank heeft er met de man geen vertrouwen meer in dat de vrouw de begeleide omgang op het kantoor van de GI met de nieuwe gezinsvoogd nu wel zal faciliteren, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling stelt, omdat zij daar genoeg mogelijkheden voor heeft gehad. Gelet op alle beschikkingen die er al liggen, had van de vrouw meer verwacht kunnen worden om een zorgregeling te faciliteren, maar zelfs via videobellen is het contact tot op heden niet opgestart, omdat de vrouw dat niet wilde. De vrouw legt alle verantwoordelijkheid buiten haarzelf. Daarbij heeft de rechtbank gegronde vrees dat de minderjarige bij een formele verhuizing naar België compleet uit beeld, van in het bijzonder de man, zal verdwijnen. De GI heeft in dat kader twijfels geuit over de mogelijkheid om de ondertoezichtstelling over te dragen naar België.

3.2.11.

De rechtbank begrijpt het advies van de raad dat het voor de minderjarige ingrijpend is om haar uit haar vertrouwde omgeving weg te halen, maar de rechtbank is van oordeel dat het belang van de man en van de minderjarige om omgang te hebben met elkaar, onder de hiervoor geschetste omstandigheden zwaarder moet wegen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat zij op onbelaste wijze haar vader kan leren kennen. Dat is in het belang van haar algemene ontwikkeling en haar identiteitsontwikkeling. Zolang de minderjarige met de vrouw in België verblijft, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dan wel geen vooruitzicht op herstel van het contact tussen de man en de minderjarige.

3.2.12.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om naar België te verhuizen, afwijzen. De vrouw heeft genoeg kansen gehad om mee te werken aan herstel van een zorgregeling tussen de man en de minderjarige. Die kansen heeft zij niet gegrepen. Zij heeft integendeel laten zien dat zij niet handelt in het belang van de minderjarige. In hetgeen de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat dat in de toekomst anders zal zijn. Daarbij is het in het belang van de minderjarige dat zij niet langer in onzekerheid verkeert over haar verblijfplaats.

3.3.

Hoofdverblijfplaats ( in zaak C/10/609519 / FA RK 20-9677)

3.3.1.

De man verzoekt te bepalen de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem (in Nederland) te bepalen.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

Ten aanzien van het verweer van de vrouw dat dit verzoek dermate laat is ingediend dat dit in strijd met de goede procesorde is en om die reden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, overweegt de rechtbank dat het van oordeel is dat de vrouw voldoende verweer heeft kunnen voeren tegen dit verzoek. De rechtbank zal dan ook overgaan tot de beoordeling van dit verzoek.

3.3.4.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.

3.3.5.

Alles afwegend acht de rechtbank een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, met ingrijpende gevolgen voor de minderjarige tot gevolg, uiteindelijk in het belang van de minderjarige wenselijk. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat de afwijzing van haar verzoek tot vervangende toestemming om te verhuizen de vrouw er dit keer wel toe zal bewegen dat zij met de minderjarige zal terugkeren naar Nederland. De vrouw heeft tot nu toe alle gelijkluidende rechterlijke uitspraken naast zich neergelegd en zij blijkt ook tijdens de mondelinge behandeling niet voornemens om met de minderjarige terug te keren naar Nederland indien zij geen vervangende toestemming zal krijgen om naar België te verhuizen.

Een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is dan ook noodzakelijk om onbelast contactherstel tussen de man en de minderjarige te kunnen bewerkstelligen. De rechtbank acht het daarbij meer in het belang van de minderjarige om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man te bepalen dan om de minderjarige uit huis te plaatsen bij een neutraal pleeggezin, zoals de GI heeft verzocht in de gevoegd behandelde zaak betreffende de machtiging uithuisplaatsing. De rechtbank begrijpt dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats naar de man zeer ingrijpend zal zijn voor de minderjarige, maar dat is een uithuisplaatsing bij een pleeggezin ook. De rechtbank heeft daarnaast geen aanwijzingen dat de man onbelaste omgang tussen de vrouw en de minderjarige in de weg zal staan dan wel dat plaatsing bij de man het loyaliteitsconflict van de minderjarige zal vergroten ten opzichte van een plaatsing bij een neutraal pleeggezin. Er is onvoldoende gebleken dat de man als mede gezaghebbende ouder niet in staat zou zijn om voor de minderjarige te zorgen. Ook is niet gebleken dat de minderjarige onveilig zou zijn bij de man. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn woning is voorbereid op de komst van de minderjarige en dat hij tijdens de relatie met de vrouw voor de minderjarige zorgde als de vrouw studeerde. Ook in het najaar van 2019 heeft de minderjarige korte tijd bij de man verbleven na haar terugkeer uit België. In die periode dat de minderjarige bij de man verbleef, is niet van zorgen gebleken die aan verblijf van de minderjarige bij de man in de weg zouden staan. Dat de man een Ziektewetuitkering zou hebben staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan het kunnen verzorgen van de minderjarige. Als de minderjarige bij hem staat ingeschreven kan hij toeslagen ontvangen ten behoeve van de minderjarige. Daar komt bij dat ook op de vrouw een verplichting rust om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige voor zover dat nodig is. De GI is betrokken en kan eventuele passende hulpverlening aanbieden indien dat nodig zou zijn.

3.3.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, met ingang van een maand na de datum van deze beschikking, bij de man zal zijn. Aan alle betrokken partijen wordt zo de gelegenheid gegeven om deze wijziging in goede banen te leiden.

3.3.7.

Overigens wijst de rechtbank er op dat ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onverminderd geldt de beslissing van deze rechtbank bij haar beschikking van 8 januari 2020 dat de zorgregeling onder regie van de GI wordt vormgegeven.

Dwangmiddelen

3.3.8.

De man verzoekt te bepalen dat de beslissing betreffende de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige ten uitvoer kan worden gelegd met behulp van de sterke arm of met behulp van de toepassing van lijfsdwang.

3.3.9.

Gezien de bijzonder weigerachtige houding van de vrouw en het feit dat de vrouw inmiddels meerdere Nederlandse én Belgische beschikkingen en een door de rechtbank bekrachtigde schriftelijke aanwijzing van de GI naast zich neer heeft gelegd, is de rechtbank van oordeel dat het onontkoombaar is om het uiterste middel om nakoming af te dwingen, te weten met behulp van de sterke arm en lijfdwang, zoals door de man verzocht, toe te wijzen. De vrouw heeft geen klemmende redenen aangevoerd die zich hier tegen verzetten en de man heeft een zwaarwegend belang bij het ten uitvoer kunnen leggen bij de beschikking en daarmee eindelijk het weerzien met de minderjarige te kunnen verwezenlijken. De vrouw stelt dat zij niet kan begrijpen waarom de man dit verzoekt, gelet op het trauma dat de minderjarige heeft overgehouden aan de keer dat zij door de politie is overgebracht naar Nederland. In dat kader geeft de rechtbank de vrouw mee dat de vrouw het in de hand heeft of de minderjarige negatieve gevolgen ondervindt van de dwangmiddelen. Zolang zij de beschikking naleeft – hetgeen ook van haar verlangd mag worden – kan zij voorkomen dat dwangmiddelen noodzakelijk zijn, en dus dat de minderjarige nadelige gevolgen daarvan ondervindt.

3.3.10.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man machtigen om de beslissing om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen zo nodig ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Ook zal de rechtbank de door de man verzochte lijfsdwang toewijzen, voor de duur van vijf dagen.

3.4.

Gezag (in zaak C/10/609519 / FA RK 20-9677)

3.4.1.

De man verzoekt het gezamenlijk gezag over de minderjarige te beëindigen en te bepalen dat het gezag voortaan toekomt aan de man.

3.4.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.4.3.

Ten aanzien van het verweer van de vrouw dat dit verzoek dermate laat is ingediend dat dit in strijd met de goede procesorde is en om die reden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, overweegt de rechtbank dat het van oordeel is dat de vrouw voldoende verweer heeft kunnen voeren tegen dit verzoek. De rechtbank zal dan ook overgaan tot de beoordeling van dit verzoek.

3.4.4.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden sinds de voormelde beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2020 zijn gewijzigd. De vrouw woont immers sinds maart 2020 met de minderjarige (weer) in België.

3.4.6.

Zoals reeds in de beschikking van 8 januari 2020 is overwogen, zal de GI in het kader van de ondertoezichtstelling met partijen in gesprek gaan om de communicatie en de ouderrelatie te normaliseren. De GI verklaart op de mondelinge behandeling dat daar nog niet op is ingezet. De GI kan er geen verklaring voor geven waarom dat nog niet is gebeurd. De vrouw had in ieder geval een slechte verstandhouding met de voormalige gezinsvoogd en heeft ook een klacht tegen deze gezinsvoogd ingediend, wat het traject in ieder geval geen goed heeft gedaan. Vaststaat dat zeer recent een nieuwe gezinsvoogd is aangesteld waarin partijen (en met name de vrouw) meer vertrouwen hebben. De situatie van partijen zal aanzienlijk veranderen gelet op de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de rechtbank kan op dit moment nog niet overzien wat de gevolgen daarvan zijn voor de gezamenlijke gezagsuitoefening. Op dit moment kan derhalve niet geoordeeld worden dat voldaan is aan het wettelijk criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Daarbij is het in deze zaak mede van belang dat beide ouders door de GI kunnen worden aangesproken op hun handelen en gedrag. De bevoegdheden van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, die immers een gezagbeperkende maatregel is, richten zich in beginsel slechts tot de ouder belast met het gezag.

3.4.7.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om het gezamenlijk gezag te beëindigen, afwijzen.

3.5.

Proceskosten

3.5.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in zaak C/10/607163 / FA RK 20-8524:

4.1.

wijst af het verzoek van de vrouw;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in zaak C/10/609519 / FA RK 20-9677:

4.3.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige met ingang van 18 februari 2021 bij de man zal zijn;

4.4.

machtigt de man om het onder 4.3. bepaalde zo nodig ten uitvoer te laten leggen of handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

4.5.

machtigt de man om de nakoming van het onder 4.3. bepaalde te bewerkstelligen door de vrouw bij niet nakoming in gijzeling te doen nemen voor de duur van vijf dagen;

4.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Coenraad, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Siemons en mr. L. Berghuis-Knijff, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Stolk op 18 januari 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.