Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1405

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-02-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
10/198346-20, 10/177964-20 en 10/810320-20 (ter terechtzitting gevoegd) / TUL VV: 10/811055-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voor vuurwapenbezit (met bijbehorende munitie), schuldwitwassen en poging tot dwang van een wijkagent. Vrijspraak van bedreiging, nu niet is gebleken dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had om met de uitlatingen in het tussen de verdachte en de medeverdachte gevoerde telefoongesprek aangever te bedreigen. Beslissingen ten aanzien van beslag, de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/198346-20, 10/177964-20 en 10/810320-20 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/811055-18

Datum uitspraak: 12 februari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, waarvan één

tenlastelegging op de terechtzitting van 29 januari 2021, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, is gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als

bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde ten aanzien van parketnummer 10/198346-20;

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/810320-20 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en verbeurdverklaring van alle inbeslaggenomen goederen;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/811055-18.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van het onder parketnummer 10/198346-20 onder 1 en 2 en onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde

Het onder parketnummer 10/198346-20 onder 1 en 2 en onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 ten laste gelegde

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte dient veroordeeld te worden voor witwassen, omdat er - kort gezegd - geen legale bron is voor de geldstromen ter waarde van € 25.652,78. Daarom kan gesteld worden dat dit afkomstig is van enig misdrijf.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdachte dient vrijgesproken te worden van het hem ten laste gelegde feit. De verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen goederen en geldbedragen voortkomen uit een door hem geleend geldbedrag van € 60.000,00. Er is bewijs dat het geleende geld van legale werkzaamheden afkomstig is en dat het geld op een legitieme wijze, te weten een lening, aan de verdachte beschikbaar is gesteld. Er is dan ook geen sprake van verhullen van de herkomst of voorhanden hebben van geld dat afkomstig is van misdrijf.

4.2.3.

Beoordeling

De verdachte wordt - kort gezegd - verdacht van het witwassen van meerdere geldbedragen, (luxe) goederen en (de waarde van) hotelovernachtingen.

Op 31 juli 2020 is er een melding bij de politie binnengekomen onder meer inhoudende dat de verdachte in kamernummer [kamernummer] van Hotel Van der Valk zou verblijven en een vuurwapen op zijn kamer zou hebben liggen. Hierop is kamernummer [kamernummer] van genoemd hotel doorzocht. Tijdens deze doorzoeking zijn meerdere (luxe) goederen en geldbedragen aangetroffen. Ook is bij de fouillering van de verdachte een groot geldbedrag aangetroffen. Daarnaast is uit onderzoek van de politie gebleken dat de verdachte in totaal

€ 3.164,00 aan hotelovernachtingen contant heeft betaald in Hotel Van der Valk.

Beoordelingskader witwassen

Vereist is dat vast komt te staan dat de geldbedragen en de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn teneinde tot een bewezenverklaring van witwassen te kunnen komen. Hierbij is niet vereist dat het om een nauwkeurig aangeduid misdrijf gaat. Dat de geldbedragen en goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn, kan bewezen worden verklaard indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn, zonder dat hier een rechtstreeks verband gelegd kan worden tussen het geldbedrag, de goederen en een delict.

Aan de hand van de door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden dient vastgesteld te worden of sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien er sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen en goederen. De verklaring van de verdachte dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als de verdachte met een verklaring komt omtrent de herkomst van de geldbedragen en de goederen, dan ligt het vervolgens op de weg van officier van justitie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de geldbedragen en goederen. Uit de resultaten van het onderzoek van de officier van justitie zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst van de geldbedragen en goederen als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Bij de verdachte zijn contante geldbedragen van in totaal € 6.228,05 alsmede meerdere ogenschijnlijk kostbare goederen aangetroffen. Ook zou de verdachte hotelovernachtingen ter waarde van € 3.164,00 contant afgerekend hebben en een contant bedrag van € 1.000,00 naar familie in het buitenland hebben verzonden.

Hoewel er in deze zaak geen direct brondelict aan te wijzen is als herkomst van de aangetroffen geldbedragen, goederen en (de waarde van) de hotelovernachtingen, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat zonder meer sprake is van een vermoeden van het witwassen van deze voorwerpen. Het is evident dat de aangetroffen geldbedragen, goederen en hotelovernachtingen niet verklaard kunnen worden uit de geregistreerde legale inkomsten van de verdachte. De verdachte stelt immers nooit (legale) inkomsten te hebben gehad. Dit vermoeden wordt versterkt door de combinatie met de aangetroffen coupures van € 500,00 die in het normale betalingsverkeer zeer zeldzaam zijn, alsook de eveneens aangetroffen (afbeeldingen van) drugs, geld en wapens. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen, goederen en (de waarde van) de hotelovernachtingen.

Verklaring verdachte

Over de herkomst van de aangetroffen geldbedragen, goederen en de contante betalingen van hotelovernachtingen heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij op 1 juli 2020 een lening van € 60.000,00 heeft afgesloten bij [naam persoon 1] (hierna: [naam persoon 1] ) en dat dit bedrag via rekeningen van vriendinnen alsmede contant bij hem terecht is gekomen.

De overgelegde overeenkomst van lening ten bedrage van € 60.000,00 tussen de verdachte en [naam persoon 1] is gedateerd op 1 juli 2020. Door de politie is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van [naam persoon 1] . Hierbij zijn geen transacties gevonden die wijzen op een illegale bron van inkomsten van (het bedrijf van) [naam persoon 1] . Bovendien blijken hieruit de gestelde overschrijvingen. Daar komt bij dat de verklaringen van [naam persoon 1] en getuige [naam getuige] de verklaring van de verdachte op essentiële punten ondersteunen. Hoewel nader onderzoek naar de authenticiteit van de overeenkomst van de lening en het tijdstip van de totstandkoming daarvan nog wel een aantal opmerkelijke omstandigheden heeft opgeleverd, kan gelet op het voorgaande niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen en goederen die dateren van of zijn gedaan na 1 juli 2020, een legale herkomst hebben. Dit geldt eveneens voor de goederen en geldbedragen waarvan niet bekend is wanneer deze door de verdachte zijn verkregen. De verdachte wordt van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Dit ligt anders ten aanzien van de betalingen van hotelovernachtingen ter waarde van € 486,00 die zijn gedaan vóór 1 juli 2020. De verklaring van de verdachte dat hij vóór 1 juli 2020 leefde van geldbedragen die zijn moeder heeft ontvangen vanuit erfenissen en de verkoop van huizen in Irak, is onvoldoende concreet en verifieerbaar.

Ook voor het voorhanden hebben van vijf briefjes van € 500,00 (totaal: € 2.500,00) heeft de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. De stelling van de verdachte dat hij deze bij een juwelier heeft omgewisseld, omdat hij deze mooi vond en als spaargeld wilde bewaren, kan niet als zodanig worden aangemerkt.

De verdachte heeft het gerechtvaardigde vermoeden van witwassen van genoemde contante betalingen en geldbiljetten dan ook niet voldoende weten te weerleggen, zodat er vanuit wordt gegaan dat deze middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht ook bewezen dat de verdachte op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren.

4.2.4.

Conclusie

Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en gelet op genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen. Van een deel van het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

4.3.

Vrijspraak van het onder parketnummer 10/810320-20 ten laste gelegde

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft zich samen met zijn vriendin, de medeverdachte, in een telefoongesprek schuldig gemaakt aan de bedreiging van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1] ) die werkzaam was in het Detentiecentrum Rotterdam. In het telefoongesprek is het adres en de achternaam van [naam slachtoffer 1] genoemd en is gesproken over barbecueën, een appel voor de deur, 7 kleine, kapsalons en rattattah. Dit is slang voor messen, villen, handgranaat en automatische wapens. Het is algemeen bekend dat de gesprekken die met een telefoon van het Detentiecentrum worden gevoerd, opgenomen worden. Aangenomen kan dan ook worden dat de verdachte en de medeverdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [naam slachtoffer 1] op de hoogte zou raken van de bedreiging. De medeverdachte heeft het adres van [naam slachtoffer 1] doorgegeven aan de verdachte. Het was bekend dat de verdachte en [naam slachtoffer 1] niet met elkaar door één deur kunnen. De verdachte heeft bovendien veel antecedenten en was op dat moment verdachte van het voorhanden hebben van een vuurwapen. De bedreiging is daarom van dien aard geweest en onder zodanige omstandigheden gebeurd, dat bij [naam slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan voor brandstichting, zware mishandeling en/of een misdrijf tegen zijn leven gericht.

4.3.2.

Beoordeling

De vraag die door de rechtbank beantwoord dient te worden is of de verdachte zich door het voeren van het telefoongesprek op 1 september 2020 samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [naam slachtoffer 1] . Andere strafbare feiten (zoals voorbereiding van een geweldsdelict jegens [naam slachtoffer 1] ) zijn niet ten laste gelegd.

De rechtbank stelt voorop dat de bewoordingen die in het telefoongesprek tussen de verdachte en de medeverdachte zijn geuit, beangstigend zijn geweest voor [naam slachtoffer 1] en grote gevolgen voor hem hebben gehad.

Het is echter de vraag of de verdachte en de medeverdachte (hierna samen: de verdachten) de (voorwaardelijke) opzet hadden om [naam slachtoffer 1] met de woorden van dit telefoongesprek te bedreigen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachten hebben ontkend dat zij met het telefoongesprek [naam slachtoffer 1] wilden bedreigen. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat zij (voorwaardelijk) opzet hadden dat [naam slachtoffer 1] van hun telefoongesprek op de hoogte zou raken. De uitlatingen van de verdachten zijn gedaan in een telefoongesprek via de telefoon van het Detentiecentrum. De verdachte heeft verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat telefoongesprekken in de PI worden opgenomen. Uit die wetenschap volgt echter niet dat er een aanmerkelijke kans was dat dit specifieke telefoongesprek daadwerkelijk op een later moment zou worden beluisterd en [naam slachtoffer 1] hiervan op de hoogte zou raken, laat staan dat de verdachten deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard. De (voorwaardelijke) opzet blijkt evenmin uit het feit dat de verdachten gebruikmaakten van versluierd taalgebruik. Dit is juist een aanwijzing dat de verdachten niet de bedoeling hadden om [naam slachtoffer 1] met behulp van dit telefoongesprek te bedreigen en hij van hun woorden op de hoogte zou raken.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had om met de uitlatingen in het telefoongesprek [naam slachtoffer 1] te bedreigen.

4.3.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen,

houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond

daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en

overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende

voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave

wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/198346-20 onder 1 en 2 en onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Ten aanzien van parketnummer 10/198346-20:

1.

hij op 31 juli 2020 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een

pistool van het merk/type Walther Ppk kaliber 7.65mm en

bijbehorende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en

munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten 8 kogelpatronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 31 juli 2020 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten

een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos

kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een

stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 29 september 2019

tot en met 31 juli 2020, te Rotterdam,

- een geldbedrag van € 2.500,00 en

- hotelovernachtingen ter waarde van in totaal € 486,-

en

- voorhanden heeft gehad,

terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze

voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig

misdrijf;

Ten aanzien van parketnummer 10/177964-20:

hij op 10 oktober 2019 en 11 oktober 2019 te Rotterdam, althans in Nederland en/of Irak, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] door bedreiging met enige

andere feitelijkheid gericht tegen die [naam slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen

iets te doen, te weten:

- het regelen van een huis en geld,

waartoe die [naam slachtoffer 2] is gedwongen, door:

- telefonisch contact te hebben met die [naam slachtoffer 2] en te zeggen dat hij morgen om 11:00 uur de beelden van [naam slachtoffer 3]

online ging zetten hoe zij vijf keer door haar hoofd was geschoten en dat als hij

voor 10:00 uur geen huis kreeg dat hij alles online zou zetten en dan zou iedereen

weten wie hij was en dat hij wist wie zij was hoe zij eruit zag en waar zij

woonde en

- die [naam slachtoffer 2] via whats-app berichten en foto’s te sturen

inhoudende een foto van een afschrift van Facebook met daarbij

de tekst: “Inspectie: ernstig falen bij stalking

[naam slachtoffer 3] #openbaarministertie#rotterdam# [naam slachtoffer 3] #politie# [naam dader] ” en

een ongecensureerde foto van [naam slachtoffer 3] en [naam dader] met daarbij de tekst:

“Die krijg je van mij en elk uur gaat eentje online” en een foto van

pagina 86 van het politiedossier van het onderzoek naar de moord op [naam slachtoffer 3] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10/198346-20:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10/198346-20:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

Ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 10/198346-20:

Schuldwitwassen;

Ten aanzien van het feit onder parketnummer 10/177964-20:

poging een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Bij de verdachte is, toen hij langere tijd in een hotel verbleef, een geladen vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. Ook is in een woning een stroomstootwapen van de verdachte aangetroffen. De ervaring leert dat (vuur)wapenbezit snel leidt tot het gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen van dien. Dit geldt temeer wanneer het vuurwapenbezit gepaard gaat met bezit van kogels. Bovendien lag het geladen vuurwapen voor het grijpen op het nachtkastje in de hotelkamer van de verdachte, terwijl in zijn hotelkamer meerdere mensen over de vloer kwamen.

Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (schuld)witwassen van een geldbedrag en contant betaalde hotelovernachtingen. De inkomsten uit misdrijven worden door middel van witwassen in het legale betalingsverkeer gebracht en daardoor wordt de zware criminaliteit gefaciliteerd. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Deze inkomsten worden daarmee aan het zicht van de justitiële en fiscale autoriteiten onttrokken. De verdachte heeft zich niet bekommerd om genoemde gevolgen van zijn handelen.

Verder heeft de verdachte geprobeerd om een wijkagent te dwingen een huis en een geldbedrag voor hem te regelen, omdat hij anders foto’s en filmpjes uit een andere strafzaak online zou plaatsen waardoor de rechtsorde geschokt zou kunnen worden. Door het plegen van dit feit heeft hij de vrijheid van het handelen van de wijkagent willen beperken, wetende dat de wijkagent zou willen voorkomen dat aan derden onnodig leed zou worden toegebracht. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de verdachte meerdere malen is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. De rechtbank ziet aanleiding om in de onderhavige strafoplegging met die eerdere veroordelingen in strafverhogende zin rekening te houden. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat het geladen vuurwapen van de verdachte in de hotelkamer op het nachtkastje voor het grijpen lag. De rechtbank acht deze omstandigheden zodanig ernstig dat ook deze strafverhogend werken. Gelet op het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Vanwege onder meer de (gedeeltelijke) vrijspraken zal een lagere gevangenisstraf worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist, te weten een gevangenisstraf van acht maanden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen ten aanzien van het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 ten laste gelegde

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in de tenlastelegging genoemde goederen en geldbedragen verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht om alle in beslag genomen eigendommen van de verdachte aan de verdachte te retourneren.

8.3.

Beoordeling en conclusie

Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.500,00 zal verbeurd worden verklaard. Het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 bewezen feit is met betrekking tot dit geldbedrag begaan.

Mede gelet op de gedeeltelijke vrijspraak van het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 ten laste gelegde, is ten aanzien van de verdachte niet voldaan aan de vereisten voor verbeurdverklaring van de overige inbeslaggenomen goederen. Daarom zal ten aanzien hiervan een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam slachtoffer 1] ter zake van het onder parketnummer 10/810320-20 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 168,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 11.040,00 aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de

benadeelde partij [naam slachtoffer 1] tot een bedrag van € 168,00 aan materiële schade en een

bedrag van € 5.520,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

9.3.

Beoordeling en conclusie

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waar de vordering van de benadeelde partij op ziet. Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt. Deze kosten worden tot nu toe begroot op nihil.

10 .Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 13 december 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 252 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De proeftijd is ingegaan op 31 december 2019.

10.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen dan wel om de proeftijd met één jaar te verlengen.

10.3.

Beoordeling en conclusie

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om, gelet op de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, de vordering gedeeltelijk toe te wijzen of om de proeftijd te verlengen met één jaar.

11 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 45, 57, 284 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/810320-20 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/198346-20 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de geldbedragen en voorwerpen die in de tenlastelegging staan vermeld, als volgt:

verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het onder parketnummer 10/198346-20 onder 3 bewezenverklaarde feit:

- het geldbedrag van € 2.500,00;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- de kledingstukken van de merken Nike en Adidas;

- de schoenen van de merken Nike, Adidas, Dolce en Gabbana, Versace en Valentino;

- de tassen van de merken Louis Vuitton, Valentino en Philipp Plein;

- de zonnebril van het merk Louis Vuitton;

- de gouden kettingen en ringen;

- de mobiele telefoons van de merken Apple, Samsung, Nokia en Alcatel;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag

waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis

gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, van de bij vonnis van 13 december 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.A. Hut, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2021.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst van het onder parketnummer 10/198346-20 ten laste gelegde

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, alleen, althans

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en

munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een

pistool van het merk/type Walther Ppk kaliber 7.65mm

en/of

(bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en

munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III te weten

8 kogelpatronen, kaliber 7.65mm

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, alleen, althans

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en

munitie, te weten

een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos

kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een

stroomstootwapen en/of een taser

voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september 2019

tot en met 31 juli 2020, te Rotterdam, althans in Nederland,

- een geldbedrag van (in totaal ongeveer) €6.228,05 en/of

- een geldbedrag van (in totaal ongeveer) €1.000,- (verzonden naar [naam persoon 2]

) en/of

- een of meer kledingstukken van het merk Nike en/of Adidas en/of

- een of meer schoenen van het merk Nike en/of Adidas en/of Dolce en Gabbana

en/of Versace en/of Valentino en/of

- een of meer tassen van het merk Louis Vuitton en/of Valentino Mario en/of

Philipp Plein en/of

- een zonnebril van het merk Louis Vuitton en/of

- een of meer (gouden) kettingen en/of een of meer (gouden) ringen, althans

(gouden) sieraden en/of

- een of meer hotelovernachtingen (ter waarde van in totaal ongeveer €3.164,-)

(dan wel de tegenwaarde daarvan in geld en/of goed(eren)) en/of

- een of meer (mobiele) telefoons van het merk Apple en/of Samsung en/of Nokia

en/of Alcatel,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en)

(daadwerkelijk) voorhanden had dan wel heeft gehad,

en/of

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of (van (één

van) voornoemd(e) voorwerp(en)) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig

misdrijf.

Tekst van het onder parketnummer 10/177964-20 ten laste gelegde

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 10 oktober 2019 tot

en met 11 oktober 2019 te Rotterdam, althans in Nederland en/of Irak, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] , door

geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige

andere feitelijkheid gericht tegen die [naam slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen

iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten:

- het regelen van een huis en/of onderdak en/of (een) geld(bedrag),

waartoe die [naam slachtoffer 2] is gedwongen, door:

- ( telefonisch) contact te hebben met die [naam slachtoffer 2] en/of (daarbij) (onder meer)

(meermalen) te zeggen dat hij morgen om 11:00 uur de beelden van [naam slachtoffer 3]

online ging zetten hoe zij vijf keer door haar hoofd was geschoten en/of dat als hij

voor 10:00 uur geen huis kreeg dat hij alles online zou zetten en dan zou iedereen

weten wie hij was en/of dat hij wist wie hij was hoe hij eruit zag en waar hij

woonde, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [naam slachtoffer 2] via whats-app een of meer berichten en/of foto’s te sturen

inhoudende (onder meer) een foto van een afschrift van Facebook met (daarbij)

de tekst: “Inspectie: ernstig falen bij stalking

[naam slachtoffer 3] #openbaarministertie#rotterdam# [naam slachtoffer 3] #politie# [naam dader] ” en/of (daarbij)

een ongecensureerde foto van [naam slachtoffer 3] en/of [naam dader] en/of (vervolgens) de tekst:

“Die krijg je van mij en elk uur gaat eentje online” en/of (vervolgens) een foto (van

pagina 86) van het politiedossier van het onderzoek naar de moord op [naam slachtoffer 3] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Tekst gewijzigde tenlastelegging onder parketnummer 10/810320-20

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 1 september 2020, althans in de maand september 2020, te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer 1] , heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling en/of

met brandstichting,

door in een telefoongesprek met [naam medeverdachte] , geboren op [geboortedatum medeverdachte] te

[geboorteplaats medeverdachte] , de volgende woorden en/of zinnen uit te spreken:

- vandaag nog die kenker.. wollah

en/of

- we gaan vandaag barbecueën jongen

en/of

- [naam slachtoffer 1]

en/of

- ik schiet je alsof het niks is fatta/papa. Komt goed.

en/of

ik zit te twijfelen tussen barbecue of zeven stuks

en/of

of één appel voor de deur

en/of

portie zeven kapsalons bestellen snap snap

en/of

- RATATATATATATATATAAH, helemaal leip. Ik wil zijn kop morgen zien jongen.

en/of

- mensen spelen met hun leven, ik speel met me vrijheid rapappap

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.