Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
C/10/601560 / FA RK 20-5784
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek man om beëindiging gezamenlijk gezag toegewezen. Praktische zaken voor de minderjarigen kunnen ook met behulp van de ondertoezichtstelling niet door ouders gezamenlijk worden geregeld. De vrouw voelt veel weestand tegen de man en instanties, waardoor een patroon is ontstaan waarbij de vrouw per definitie lijkt in te gaan tegen alles wat de man of instanties vragen, zonder daarvoor haar beweegredenen te kunnen uitleggen. De man wordt belast met het gezag. Deze beslissing heeft tot gevolg dat de man zeggenschap heeft over de verblijfplaats van de minderjarigen en dat zijn verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats geen wettelijke grondslag meer heeft. De mening van de minderjarige van bijna 15 jaar heeft de rechtbank meegewogen, maar niet doorslaggevend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/601560 / FA RK 20-5784

Beschikking van 26 januari 2021 betreffende het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. J. Mikes te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

mr. T. Erdal te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna: de GI.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 augustus 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 5 januari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen (bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/607400 / JE RK 20-3066). Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam 1] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] .

1.3.

De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.4.

De minderjarige [naam kind 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [naam kind 1] is op 7 januari 2021 door de kinderrechter gehoord.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2006 te [geboorteplaats kind 1] ;

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2009 te [geboorteplaats kind 2] .

2.2.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.3.

De hoofdverblijfplaats van [naam kind 1] is bij de vrouw en de hoofdverblijfplaats van [naam kind 2] is bij de man.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2015 is bepaald dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn:

  • -

    de minderjarigen verblijven samen iedere woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de man en van vrijdagmiddag tot maandagochtend, afwisselend bij de man dan wel bij de vrouw;

  • -

    de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld, waarbij vakanties in het buitenland niet zijn uitgesloten.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2019 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 7 januari 2021. Bij mondeling gegeven beslissing van deze rechtbank van 7 januari 2021 in de gelijktijdig behandelde zaak (zoals onder rechtsoverweging 1.2. genoemd) is de ondertoezichtstelling verlengd tot 7 januari 2022.

3. De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan hem toekomt.

3.1.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.1.4.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over een minderjarige uitoefenen, omdat dat in het belang van de minderjarigen is. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.

3.1.5.

De raad adviseert het verzoek van de man toe te wijzen. De minderjarigen krijgen te veel mee van de problemen tussen ouders en er moet na al die jaren echt iets veranderen. De raad maakt zich zorgen over de emotionele beschikbaarheid voor de minderjarigen van de vrouw en vindt dat het bij de vrouw geen veilige plek is voor de minderjarigen. De vrouw misbruikt haar gezag en laat met name [naam kind 1] te weinig onbezorgd kind zijn.

3.1.6.

De GI adviseert eveneens het verzoek van de man toe te wijzen. De situatie is in het afgelopen jaar eerder verslechterd dan verbeterd. De GI merkt wel verbetering in de samenwerking met de man, maar de samenwerking met de vrouw verloopt nog steeds heel moeizaam. De vrouw heeft behoefte aan controle en schiet bij tegenspraak of bemoeienis van de man of instanties in de weerstand. De vrouw komt afspraken niet goed na, waardoor de GI haar al meerdere schriftelijke aanwijzingen heeft moeten geven. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw en de GI krijgt daar weinig zicht op. De zorgen over [naam kind 1] worden gedeeld vanuit school en de kinderpsychiater. Er is geprobeerd om de situatie te verbeteren, maar de hulpverlening komt niet goed op gang. Onbelast contact met beide ouders is beter mogelijk vanuit een situatie waarin de minderjarigen bij de man zijn. De GI is voornemens om intensieve hulp in te zetten bij toewijzing van het verzoek van de man.

3.1.7.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd. Partijen zijn bij beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2015 gezamenlijk belast met het gezag. Destijds heeft de rechtbank overwogen dat het enkele feit dat er communicatieproblemen tussen partijen zijn, onvoldoende reden is om af te wijken van het uitgangspunt dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun minderjarige kinderen. Daarbij had de rechtbank geen zorgen over de opvoedsituatie bij beide ouders. De GI en de raad hebben nu wel zorgen over de opvoedsituatie van met name [naam kind 1] , die bij de vrouw woont. Het lukt partijen niet om gezamenlijk praktische zaken voor de minderjarigen te regelen. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man.

3.1.8.

De rechtbank is van oordeel dat de minderjarigen klem en verloren raken tussen partijen. In de afgelopen jaren waren er in de gezamenlijke gezagsuitoefening veel incidenten waar de minderjarigen last van hebben gehad. Het verzoekschrift van de man bevat bijna honderd mailtjes en documenten die deze incidenten illustreren. De vele jaren ondertoezichtstelling hebben niet geleid tot verbetering van die situatie. Praktische zaken voor de minderjarigen worden niet of moeizaam geregeld. Zo zijn de minderjarigen al in ieder geval twee jaar niet bij de tandarts geweest. Tijdens de mondelinge behandeling kan de vrouw geen geldige reden geven waarom er nog geen afspraak bij de tandarts is gemaakt. Er is veel onenigheid tussen de vrouw enerzijds en de man en de hulpverlening anderzijds. Partijen kunnen het bijvoorbeeld niet eens worden over de psychische medicatie voor [naam kind 1] , waardoor ze nog steeds geen passende medicatie krijgt. Dit heeft gevolgen voor haar functioneren op school. [naam kind 1] was ook al ruim een jaar niet bij de kinderpsychiater geweest voor controle, ondanks adviezen van de hulpverlening en verzoeken van de man. De rechtbank ziet een patroon waarbij de man of instanties (bijvoorbeeld de GI) aan de vrouw vragen om praktische zaken te regelen en waarbij de vrouw die zaken vanwege de bij haar opgebouwde weerstand niet regelt. De vrouw voert aan dat zij die weerstand heeft en zo vijandig reageert omdat zij zich overruled voelt door de man en door instanties. De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het niet eens hoeft te zijn met de hulpverlening en bijvoorbeeld medicatie voor [naam kind 1] of een vaccinatie zou mogen weigeren. Maar nu is er een situatie ontstaan dat de vrouw per definitie tegen alles lijkt in te gaan wat de man of instanties van haar vragen, niet omdat ze het er niet mee eens is maar als tegenreactie. Het lukt de vrouw niet om haar beweegredenen uit te leggen en daarover met alle betrokkenen te overleggen. De vrouw is bijvoorbeeld niet op komen dagen bij een gesprek met de kinderpsychiater om de voor- en nadelen van medicatie voor [naam kind 1] te bespreken, maar legt het advies daarna wel naast zich neer. [naam kind 1] is verder veel ongeoorloofd afwezig van school op dagen dat ze bij de vrouw is. Ook in het contact met de school ziet de rechtbank veel weerstand vanuit de vrouw. Er zijn verder problemen geweest met betrekking tot vaccinaties, aanvragen van identiteitsbewijzen en het delen van informatie over bezoeken aan de huisarts.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat ze zich bewust is van het patroon en haar aandeel daarin. Ze heeft aangegeven hier met hulp aan te willen werken. De rechtbank vindt dat een goede ontwikkeling, maar gezien de lange periode waarin het al speelt is het niet de verwachting dat dit patroon eenvoudig en snel te doorbreken zal zijn. Er zal op korte termijn iets moeten veranderen en daarom kan dit traject van de vrouw niet worden afgewacht. Een structurele verandering bij de vrouw kan er op langere termijn wel toe leiden dat de ouders het gezag weer gezamenlijk kunnen uitvoeren. De rechtbank acht het op dit moment van belang dat er een situatie komt waarin gezagsbeslissingen binnen een redelijke termijn worden genomen en uitgevoerd en de minderjarigen zoveel mogelijk onbelast contact met beide ouders kunnen hebben. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag voortaan toekomt aan de man.

De rechtbank merkt op dat het beëindigen van het gezamenlijk gezag wel de blijvende verantwoordelijkheid voor de man meebrengt om de band tussen de vrouw en de minderjarigen te bevorderen en de vrouw te informeren en consulteren over gezagsbeslissingen.

3.1.9.

Deze beslissing heeft tot gevolg dat [naam kind 1] bij de man (en [naam kind 2] ) zal komen te wonen, omdat de man alleen zeggenschap heeft over de verblijfplaats van de minderjarigen. De mening van [naam kind 1] heeft de rechtbank meegewogen, maar niet doorslaggevend geacht. [naam kind 1] geeft zelf aan dat zij het moeilijk vindt omdat ze het gevoel heeft te moet kiezen tussen haar ouders. Ze geeft verder aan dat ze liever bij de vrouw wil blijven wonen, maar ook dat zij graag vaker bij de man zou willen zijn. Ze heeft het naar eigen zeggen goed bij zowel de vrouw als bij de man. Gelet op de complexiteit van de situatie is de rechtbank van oordeel dat het niet aan [naam kind 1] overgelaten kan worden om een keuze te maken. De GI is bovendien betrokken om de verandering voor haar en haar broertje en de ouders te begeleiden.

3.2.

Verblijfplaats

3.2.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [naam kind 1] bij hem zal zijn.

3.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.

3.2.4.

Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 3.1.9. heeft de man bij eenhoofdig gezag zeggenschap over de verblijfplaats van de minderjarigen. Er is dan geen wettelijke grondslag meer voor het verzoek van de man, en de rechtbank zal dit verzoek afwijzen.

3.3.

Omgangsregeling

3.3.1.

De man verzoekt een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, in die zin dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen bij de vrouw verblijven en een vakantieverdeling conform punt IV in zijn verzoekschrift.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.3.4.

De rechtbank acht het van belang dat beide minderjarigen goed contact met de vrouw onderhouden en dat de omgangsregelingen van [naam kind 1] en [naam kind 2] niet teveel van elkaar afwijken en zo min mogelijk veranderen. Gelet op de zorgen die er zijn over met name het ongeoorloofd afwezig zijn van [naam kind 1] op school en de problemen met de medicatie, acht de rechtbank het op dit moment het meest in het belang van [naam kind 1] dat de zorgregeling die zij had toen zij bij de vrouw verbleef, wordt omgedraaid. Zo is [naam kind 1] op doordeweekse dagen voornamelijk bij de man. Voor [naam kind 2] zal de rechtbank bepalen dat de huidige regeling doorloopt. Dit houdt in dat beide minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vrouw verblijven, en [naam kind 1] daarnaast elke woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de vrouw verblijft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd dat hij openstaat voor meer contactmomenten door middel van bijvoorbeeld Facetimen en dat met name [naam kind 1] zelf wat te zeggen heeft over een uitbreiding van de omgangsregeling met de vrouw. De GI blijft betrokken en zal zodra de situatie dat toelaat kunnen toewerken naar uitgebreidere omgang tussen de vrouw en de minderjarigen, bijvoorbeeld doordeweeks overdag. De rechtbank kan zich voorstellen dat het in het belang van [naam kind 2] wenselijk is dat hij (op termijn) ook aansluit bij de omgang van woensdag tot donderdag.

3.3.5.

De rechtbank zal de vakanties en feestdagen bepalen zoals de man dat heeft verzocht. De vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd en de rechtbank acht het wenselijk dat de afspraken zo duidelijk mogelijk zijn voor alle partijen.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen: [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2006 te [geboorteplaats kind 1] en

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2009 te [geboorteplaats kind 2] , voortaan toekomt aan de man;

4.2.

stelt vast dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht tussen de vrouw en de minderjarigen als volgt zal zijn:

  • -

    de minderjarigen verblijven een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vrouw;

  • -

    [naam kind 1] verblijft daarnaast elke woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de vrouw;

  • -

    de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld, waarbij de minderjarigen als volgt bij partijen verblijven:

o in de zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;

o in de herfstvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

o in de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de man (in ieder geval de kerstdagen) en de tweede week bij de vrouw (in ieder geval Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag) en in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw (in ieder geval de kerstdagen) en de tweede week bij de man (in ieder geval Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag);

o in de voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

o in de meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;

o gedurende Goede Vrijdag en Pasen: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

o gedurende Hemelvaart: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

o gedurende Pinksteren: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

o op Koningsdag: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

o op de verjaardag van de minderjarigen: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

o op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw en op de verjaardag van de man bij de man;

o op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Stolk op 26 januari 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.