Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
C/10/555967 / FA RK 18-6188 (echtscheiding) C/10/571325 / FA RK 19-2885 (gezag)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vrouw om beëindiging gezamenlijk gezag afgewezen. Verzoek ziet inmiddels voornamelijk op de wens van de vrouw om zonder toestemming met de minderjarigen naar Irak te verhuizen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank een verkapt verzoek voor toestemming verhuizing van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/555967 / FA RK 18-6188 (echtscheiding)

C/10/571325 / FA RK 19-2885 (gezag)

Beschikking van 16 februari 2021 betreffende het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. I. Correljé te Hoek van Holland,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

mr. E.J.M. Habets te Rotterdam,

ouders van de minderjarigen:

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2004 te [geboorteplaats kind 1] ;

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2008 te [geboorteplaats kind 2] .

1. De verdere procedure

C/10/555967 / FA RK 18-6188 (echtscheiding)

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 22 maart 2019 en de herstelbeschikking van 10 mei 2019;

  • -

    de brief met het eindverslag van Horizon Rotterdams Omgangshuis (hierna: omgangshuis) van 20 juli 2020;

  • -

    het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 22 juli 2020.

C/10/571325 / FA RK 19-2885 (gezag)

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 2 augustus 2019;

  • -

    het rapport van de raad van 22 juli 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [naam] .

1.4.

De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen zijn op 25 januari 2021 door de kinderrechter gehoord.

2. De verdere beoordeling

C/10/571325 / FA RK 19-2885 (gezag)

2.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2019 is bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het gezag wordt aangehouden, in afwachting van het advies van de raad.

2.2.

Gezag

2.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.

2.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

2.2.3.

De raad adviseert het verzoek van de vrouw af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten.

2.2.4.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

2.2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er op dit moment geen belemmeringen meer zijn in de verstandhouding tussen partijen waardoor het niet mogelijk zou zijn om gezamenlijk gezag uit te oefenen. De ouderrelatie tussen de man en de vrouw is na het traject bij het omgangshuis verbeterd. Ook is de omgang tussen de man en de minderjarigen inmiddels weer op gang gekomen en dat verloopt volgens beide partijen redelijk goed. De reden dat de vrouw haar verzoek handhaaft is omdat zij graag met de minderjarigen terug wil verhuizen naar Irak omdat zij zich eenzaam voelt in Nederland. De minderjarigen hebben in het kindgesprek aangegeven dat zij daar ook voor open staan. [naam kind 1] gaf aan dat hij denkt dat de vrouw daar gelukkig wordt en dat vindt hij het belangrijkste. De man wil op dit moment geen toestemming geven voor de verhuizing, omdat hij de minderjarigen dan minder ziet en omdat de toekomstverwachting voor hen minder goed is in Irak. Voor een vakantie naar Irak is de man wel bereid toestemming te geven.

2.2.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van de vrouw inmiddels een verkapt verzoek voor toestemming om met de minderjarigen naar Irak te verhuizen. De vrouw erkent tijdens de mondelinge behandeling dat dat voor haar het belangrijkste is. De rechtbank is van oordeel dat het (op dit moment) niet eens worden over een verhuizing naar Irak, onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen partijen of dat gezagswijziging anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Het is naar het oordeel van de rechtbank juist in het belang van de minderjarigen dat de man en de vrouw goed in gesprek gaan over een dergelijke verhuizing en de gevolgen die dat heeft voor de minderjarigen zodat er een weloverwogen besluit in het belang van de minderjarigen wordt genomen.

Als partijen er op termijn niet samen uitkomen met betrekking tot de verhuizing naar Irak, dan kan de vrouw een verzoek vervangende toestemming verhuizing indienen. Dat verzoek wordt dan behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank.

C/10/555967 / FA RK 18-6188 (echtscheiding)

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn. Er is een informatieverplichting voor de vrouw bepaald en een kinderbijdrage door de man aan de vrouw te voldoen. De man is in de gelegenheid gesteld om begeleide contacten te hebben met [naam kind 2] bij het omgangshuis. De zaak ten aanzien van de definitieve regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) is aangehouden in afwachting van de resultaten van de begeleide omgang en het rapport van de raad.

2.4.

Zorgregeling

2.4.1.

De rechtbank moet nog beslissen op de verzoeken van partijen met betrekking tot de zorgregeling.

2.4.2.

De oorspronkelijke verzoeken van partijen luiden als volgt. De vrouw verzoekt het concept ouderschapsplan op te nemen in de beschikking als zijnde het definitieve plan (inspanningsverplichting van de vrouw voor voldoende omgang/contact van de kinderen met de man).

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt om met behulp van een mediator een ouderschapsplan vast te stellen. Als dat niet mogelijk is verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van de vakanties.

2.4.3.

De raad adviseert ten aanzien van [naam kind 1] geen zorgregeling vast te stellen, het staat hem vrij om af te spreken wanneer hij wil. Ten aanzien van [naam kind 2] wordt geadviseerd om een zorgregeling vast te stellen van eenmaal per twee weken op zaterdag van 12:00 uur tot 18:30 uur in het openbaar.

2.4.4.

Beide partijen kunnen instemmen met het advies van de raad. De regeling ten aanzien van [naam kind 2] loopt al enige tijd goed, maar er is nog weinig structuur in de omgangsmomenten. [naam kind 1] en de man hebben ook goed contact en spreken de omgang in onderling overleg af. De minderjarigen hebben aangegeven dat ze de contacten met de man fijn vinden. De rechtbank zal daarom conform het advies van de raad beslissen, omdat dit haar het meest in het belang van de minderjarigen voorkomt en partijen geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt tegen deze regeling. De rechtbank zal bepalen dat de omgang ten aanzien van [naam kind 2] niet meer op een openbare plek hoeft plaats te vinden, omdat hij inmiddels ook bij de man thuis komt. De rechtbank zal op dit moment nog geen overnachtingen vastleggen. [naam kind 2] heeft aangegeven op termijn wel open te staan om te gaan overnachten bij zijn vader, maar de rechtbank wil hem tijd geven om hier naar toe te groeien. Gelet op het goede contact tussen de man en de minderjarigen en de man en de vrouw, heeft de rechtbank er vertrouwen in dat partijen in gezamenlijk overleg kunnen toewerken naar overnachtingen. Voor [naam kind 1] zal geen regeling worden vastgelegd omdat dit niet past bij zijn leeftijd. Hij mag zelf bepalen wanneer hij naar zijn vader gaat.

2.5.

Proceskosten

2.5.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

in zaak C/10/571325 / FA RK 19-2885:

3.1.

wijst af het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen;

in zaak C/10/555967 / FA RK 18-6188:

3.2.

bepaalt dat de minderjarige [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2008 te [geboorteplaats kind 2] in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt bij de man zal zijn:

- eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 12:00 uur tot 18:30 uur;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

in zaak C/10/571325 / FA RK 19-2885 en in zaak C/10/555967 / FA RK 18-6188:

3.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Stolk op 16 februari 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.