Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1395

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
10/234058-20 vordering TUL: 10/711060-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis nieuwe stijl. Ten laste van de verdachte is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens met daarbij behorende munitie. Overweging inzake de feitelijke beschikkingsmacht. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROTTERDAM

Team 1

Parketnummer: 10/234058-20

Parketnummer vordering TUL: 10/711060-16

Datum uitspraak: 21 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , zonder vaste woon of verblijfplaats in Nederland,

postadres: [postadres] .

Advocaat van de verdachte: raadsvrouw mr. E.M. den Oudenaller, advocaat te Rotterdam.

Officier van justitie: mr. D. Grip

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak vond plaats op 21 januari 2021.

Inhoudsopgave van dit vonnis

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij omstreeks 16 september 2020 twee vuurwapens voorhanden heeft gehad met daarbij behorende munitie. De volledige tekst van de beschuldiging zoals deze door de officier van justitie is opgeschreven in de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis.

De rechtbank vindt de beschuldigingen bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van het bewijsverweer zijn in hoofdstuk 2 van dit vonnis uiteengezet. In hoofdstuk 3 worden de bewijsmiddelen uiteengezet.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet verboden gedragingen waar volgens de wet straf op staat. Welke verboden gedragingen dat zijn, is omschreven in hoofdstuk 4 van dit vonnis. In dat hoofdstuk worden ook de strafbaarheid van de bewezen feiten en de strafbaarheid van de verdachte besproken.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van vier maanden. Hoofdstuk 5 van dit vonnis vermeldt alle onderdelen van de straf en de motivering daarvan.

Hoofdstuk 6 van dit vonnis bevat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die eerder aan de verdachte is opgelegd.

Hoofdstuk 7 sluit dit vonnis af met een korte weergave van alle beslissingen en de ondertekening door de rechters en de griffier.

Hoofdstuk 1: de beschuldiging in de tenlastelegging

Feit 1

hij op of omstreeks 16 september 2020 te Vlaardingen en/of Schiedam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten (een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,

  • -

    van het merk/type Bbm Olympic 38, kaliber .22 lr, en/of

  • -

    van het merk/type Walther P22, kaliber .11 lr,

voorhanden heeft gehad;

Feit 2

hij op of omstreeks 16 september 2020 te Vlaardingen en/of Schiedam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van Categorie III, te weten: achttien, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber .22 lr, voorhanden heeft gehad.

1.

Hoofdstuk 2: de beslissingen over het bewijs

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Bewijsverweer

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten, omdat de verdachte de vuurwapens slechts heel kort heeft vastgehouden en daarmee heeft hij geen feitelijke beschikkingsmacht gehad over de vuurwapens.

Oordeel van de rechtbank

In de avond van 15 september 2020 heeft de medeverdachte de wapens laten zien aan de verdachte en heeft de verdachte de wapens vastgepakt. Op dat moment had de verdachte samen met de medeverdachte de wapens bewust aanwezig en had daarover ook een zekere machtsrelatie. Dat één en ander mogelijk feitelijk slechts van korte duur is geweest maakt dat niet anders.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank vindt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op de volgende manier:

Feit 1

hij omstreeks 16 september 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander, meerdere vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,

  • -

    van het merk/type Bbm Olympic 38, kaliber .22 lr, en

  • -

    van het merk/type Walther P22, kaliber .11 lr,

voorhanden heeft gehad.

Feit 2

hij omstreeks 16 september 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander, munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van Categorie III, te weten:

- acht kogelpatronen, kaliber.22 lr,

voorhanden heeft gehad.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring is gegrond op de inhoud van bewijsmiddelen die in hoofdstuk 3 zijn uitgewerkt.

Hoofdstuk 3: de bewijsmiddelen

1. Verklaring van de verdachte op de zitting van 21 januari 2021, inhoudende:

Op 15 september 2019 heb ik die wapens in de woning van de medeverdachte aan de [adres] vastgehouden. De medeverdachte toonde de wapens en zei: ‘Moet je eens kijken’.

2. Onderzoek van de politie1

De onderzochte wapens zijn op 16 (15) september 2020 inbeslaggenomen, op de locatie [adres] .

Wapenomschrijving 1

Object: Vuurwapen (Revolver)

Merk/type: Bbm Olympic 38

Kaliber: .22 lr

De revolver is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Wapenomschrijving 2

Object: Vuurwapen (Pistool)

Merk/type: Walther P22

Kaliber: .22 lr

Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid l categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Wapenomschrijving 3:

Object: Munitie (Kogelpatroon)

Aantal/eenheid: 8 stuks

Merk/type: Diversen kogelpatroon

Kaliber: .22 lr

Bijzonderheden: 8 stuks uit trommel revolver

Het betreft kogelpatronen van het kaliber.22 lr. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM.

3. Deskundigenverslag2

SIN

Omschrijving bemonstering

AANV1401NL#01

vuurwapen AANV1399NL; pistool waltherp22

AANV1403NL#01

Vuurwapen AANV1398NL; revolver bbm Olympic 38

SIN

Naam

Geboortedatum

REF321

verdachte [naam medeverdachte]

[geboortedatum medeverdachte]

RDY723

verdachte [naam verdachte]

[geboortedatum verdachte]

SIN (omschrijving)

DNA kan afkomstig zijn van

Bewijskracht

AANV1401NL#01

(vuurwapen AANV1399NL)

minimaal vijf personen:

een relatief grote hoeveelheid DNA:

- onbekende man A

een relatief kleine hoeveelheid DNA:

- verdachte [naam verdachte]

- minimaal drie andere personen

circa 2 miljoen

AANV1403NL#01

(vuurwapen AANV1398NL)

minimaal vier personen:

- onbekende man

- verdachte [naam medeverdachte]

- verdachte [naam verdachte]

- minimaal één onbekende persoon

meer dan 1 miljard

circa 31 miljoen

Hoofdstuk 4: de verboden gedragingen en de strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten zijn in de wet verboden gedragingen en leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

Feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

Hoofdstuk 5: de onderbouwing van de straf

Inleiding

De rechtbank zal in dit hoofdstuk beslissen dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd en zal uitleggen waarom. Daartoe zullen eerst de feiten en omstandigheden worden besproken die bij de strafoplegging een rol spelen. Dan volgen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die van belang zijn. Daarna zal de eis van de officier van justitie worden besproken. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met de concrete afwegingen van de rechtbank die tot de genoemde straf die aan de verdachte wordt opgelegd hebben geleid.

Feiten en omstandigheden

De verdachte heeft samen met de medeverdachte in een woning twee vuurwapens en daarbij horende munitie aanwezig gehad. Het spreekt voor zich dat dit ernstige feiten zijn die gevaar voor de veiligheid van andere personen met zich meebrengen. Dat is hier nog erger omdat in één van de vuurwapens ook daadwerkelijk munitie is aangetroffen en de verdachten daardoor dat vuurwapen schietklaar voorhanden hebben gehad.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 6 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 9 maanden geëist. Hij gaat daarbij - met uitzondering van 10 kogelpatronen die los van de wapens zijn aangetroffen - uit van dezelfde feiten als die zijn bewezenverklaard.

Passende straf

Er kan als alles op een rij wordt gezet niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf. De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf uit van de oriëntatiepunten van de rechtbank. Die oriëntatiepunten gaan uit van een gevangenisstraf van drie maanden voor het voorhanden hebben van één wapen. De verdachte heeft twee wapens en munitie voorhanden gehad, daarom vindt de rechtbank het passend dat de straf hoger is dan drie maanden.

Conclusie

Voor de bewezenverklaarde feiten wordt aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 4 (vier) maanden.

Wettelijke voorschriften

Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Hoofdstuk 6: beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

Voorwaardelijke straf

Bij vonnis van 14 december 2016 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte voor het inbreken samen met een ander door middel van braak, het proberen in te breken met braak en diefstal veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 20 november 2018.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Omdat de feiten in de eerdere strafzaak geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden en omdat aan de verdachte voor de onderhavige feiten al een gevangenisstraf wordt opgelegd, acht de rechtbank het niet opportuun om daarnaast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten.

Conclusie

De tenuitvoerlegging van de in het genoemde vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf zal worden afgewezen.

Hoofdstuk 7: beslissingen in het kort en ondertekening

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 14 december 2016 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2021.

1 Het proces-verbaal van politie nummer [procesverbaalnummer] , inhoudende als relaas van de verbalisant [naam agent] .

2 Een deskundigenverslag van het Nederlands forensisch Instituut van 11 december 2020, opgemaakt door [naam] met zaaknummer [nummer] (aanvraag 001).