Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:13261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
26-01-2022
Zaaknummer
C/10/535914 / HA ZA 17-924
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis in vervolg op ECLI:NL:RBROT:2019:4152. Verzekeringszaak. De rechtbank komt niet terug van bindende (eind)beslissingen. Weergave kaders waarbinnen de rechtbank de aansprakelijkheid van Odfjell jegens haar klanten beoordeelt. Beoordeling schadeomvang per klant. Gevorderde juridische kosten komen gedeeltelijk voor vergoeding onder de polis in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/535914 / HA ZA 17-924

Vonnis van 22 december 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOOLE TANKSTORAGE BOTLEK B.V.,

(voorheen h.o.d.n. ODFJELL TERMINALS (ROTTERDAM) B.V.),

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. N. Vloemans te Rotterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1], Verenigd Koninkrijk,

3. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

STARR UNDERWRITING AGENTS LIMITED

(LLOYD’S SYNDICATE CVS 1919),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[naam gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 2], Verenigd Koninkrijk,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

AIG EUROPE S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

7. de naamloze vennootschap

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagden,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Odfjell en (gedaagden gezamenlijk) Verzekeraars (in meervoud) genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 april 2019 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte na tussenvonnis tevens houdende wijziging van eis aan de zijde van Odfjell van 26 juni 2019, met producties 94 t/m 122;

  • -

    de antwoordakte na tussenvonnis tevens houdende antwoordakte ten aanzien van de wijziging van eis tevens houdende akteverzoek aan de zijde van Verzekeraars van 21 augustus 2019, met producties V40 t/m V45;

  • -

    het akteverzoek van 13 januari 2020 aan de zijde van Verzekeraars, met productie V46;

  • -

    een brief van 24 januari 2020 van Odfjell, met producties 123-124;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op 29 januari 2020;

  • -

    de brief van 25 februari 2020 namens Odfjell met een reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 2 maart 2020 namens Verzekeraars met een reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de akte van 3 juni 2020 aan de zijde van Verzekeraars;

  • -

    de akte tevens wijziging eis van 3 juni 2020 aan de zijde van Odfjell, met producties 125 t/m 133;

  • -

    de antwoordakte van 29 juli 2020 aan de zijde van Verzekeraars.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Odfjell heeft een akte genomen op 29 november 2018 waarbij zij heeft aangegeven dat haar (statutaire) naam is veranderd in Koole Tankstorage Botlek B.V. De rechtbank merkt, met Odfjell, op dat de betreffende akte per abuis niet is genoemd bij de opsomming van de processtukken in het tussenvonnis van 24 april 2019.

2. De verdere beoordeling

Eiswijziging

2.1.

Voor zover het verweer van Verzekeraars tegen de respectieve eiswijzigingen als bezwaar in de zin van artikel 130 Rv dient te worden opgevat, wordt als volgt overwogen.

Bezwaar tegen een eiswijziging kan worden gehonoreerd in die gevallen waarin de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is sprake indien de eiswijziging leidt tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Verzekeraars zijn immers in staat geweest zich tegen de wijziging(en) van eis te verweren, zoals blijkt uit hun antwoordaktes van 21 augustus 2019 en 29 juli 2020. Gelet op de stand waarin het geding zich bevindt, leiden de eiswijzigingen naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot onredelijke vertraging van het geding. Daartoe is van belang dat zowel de oorspronkelijke vorderingen als de gewijzigde vorderingen in essentie zijn gebaseerd op dezelfde daaraan ten grondslag gelegde feitenconstellatie. Zowel bij de beoordeling van de oorspronkelijke vorderingen als bij de beoordeling van de gewijzigde vorderingen komt het met name aan op de (de juistheid van) die feitenconstellatie. Dat de genoemde oorspronkelijke en gewijzigde vorderingen dienen te worden beoordeeld aan de hand van een, mede door het tussenvonnis van 24 april 2019 ingegeven, gewijzigd en/of verschillend juridisch kader is in het licht van de gelijkluidende feitenconstellatie van onvoldoende gewicht om de respectieve eiswijzigingen te weigeren.

2.2.

Het verweer van Verzekeraars tegen de respectieve eiswijzigingen van Odfjell wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal recht doen op basis van de (laatstelijk) gewijzigde eis, die luidt:

Odfjell vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad vonnis:

1. gedaagde sub 1 te veroordelen om aan eiseres te betalen 40% van de navolgende bedragen, en gedaagden sub 2 t/m 7 ieder te veroordelen om aan eiseres te betalen 10% van de navolgende bedragen, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen van de respectievelijke data dat eiseres door de gelaedeerden aansprakelijk is gesteld, althans vanaf de data waarop de respectievelijke vaststellingsovereenkomsten met gelaedeerden zijn gesloten, althans vanaf 8 april 2016, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening:

t.a.v gebeurtenis 1 :

- een bedrag van € 1.984.137,74 in hoofdsom;

en t.a.v. gebeurtenis 2 :

- een bedrag van € 2.075.837,20 in hoofdsom;

2. gedaagde sub 1 te veroordelen om aan eiseres te betalen ter zake kosten van verweer dan wel kosten van rechtsbijstand 40% van € 251.588,98 en gedaagden sub 2 t/m 7 ieder te veroordelen om aan eiseres te betalen 10% van dit bedrag, e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente over onderliggende bedragen vanaf de respectievelijke factuurdata (zoals genoemd in productie 92) althans vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. gedaagden hoofdelijk, des dat betaling door de één mede strekt tot kwijting van de ander, te veroordelen om aan eiseres te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 6.775,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. gedaagden hoofdelijk, des dat betaling door de één mede strekt tot kwijting van de ander, te veroordelen in de kosten van het geding, onder de bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt – (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van gedaagde in de nakosten de somma van € 157,--, dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van € 239,--.

De rechtbank beschouwt daarbij deze dagvaarding als kennelijke verschrijving voor de dagvaarding in deze zaak.

Tussenvonnis

2.3.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 24 april 2019, voor zover relevant, onder meer het volgende overwogen.

Dekking

Er is in beginsel dekking onder de polis. De verweren van Verzekeraars dat sprake zou zijn van misbruik van verzekering, een van dekking uitgesloten ondernemers- of bedrijfsrisico, strijd met beginselen van openbare orde en goede zeden of opzettelijk veroorzaakte schade zijn door de rechtbank verworpen (r.o. 4.1-4.14 en 4.18).

Onzeker voorval

Partijen zijn een geobjectiveerd subjectieve definitie van het onzekerheidsvereiste overeengekomen die inhoudt dat voor het aannemen van een onzeker voorval moet komen vast te staan dat voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst onzeker was dat er schade uit de betreffende gebeurtenis zou ontstaan en dat dit voor hen ook niet redelijkerwijs te verwachten viel. Ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in 2001 was niet te voorzien dat er uiteindelijk handhavend zou worden opgetreden door het bevoegd gezag. Dit brengt mee dat, gelet op de door partijen gekozen definitie van onzeker voorval, de door Odfjell omschreven gebeurtenissen 1 en 2 onzekere voorvallen opleveren. Dat geldt niet voor gebeurtenis 3 (de stillegging van de terminal op 27 juli 2012) aangezien Odfjell zelf de beslissing tot stillegging van de terminal genomen heeft. Dat uit een dergelijke stillegging schade zou voortvloeien was ook in 2001 duidelijk (r.o. 4.5, 4.6 en 4.7).

Bereddingskosten

Er is geen sprake van bereddingskosten. Er was al jarenlang sprake van gebrekkig onderhoud aan de terminal en er bestond een (mogelijk) gevaarlijke situatie ten aanzien van de tanks met drijvende daken en ten aanzien van de koel- en blusvoorzieningen voor de tanks met K1- en K2-stoffen. Het enige dat er veranderde is dat het bevoegde gezag handhavend ging optreden. Niet is gesteld of gebleken dat er op het moment dat dat gebeurde anders dan daarvoor jarenlang het geval was sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar van een emissie die schade voor derden zou veroorzaken, wat het onmiddellijk nemen van maatregelen noodzakelijk maakte (r.o. 4.16).

Serieschadeclausule

Er is sprake van twee gebeurtenissen. Aanspraken (schadeclaims) die voortvloeien uit gebeurtenis 2 vormen (ten opzichte van die uit gebeurtenis 1) een zelfstandig, ander voorval. Er is dan ook geen sprake van een reeks (van gebeurtenissen) in de zin van de verzekeringsovereenkomst (r.o. 4.22).

De rechtbank heeft partijen in het tussenvonnis van 24 april 2019 toegestaan het debat over de onder de verzekeringsovereenkomst gedekte schade en de schadeomvang te vervolgen (r.o. 4.29) en daarbij aangegeven dat partijen in ieder geval aandacht moeten besteden aan de volgende vragen:

Ten aanzien van de (voorwaarden voor) dekking

  • -

    i) Is er, en zo ja in hoeverre, niet zozeer sprake van betalingen van schade aan derden als bedoeld in artikel 5.2 van de verzekeringsovereenkomst, maar van (deels) onverplichte betalingen door Odfjell aan haar klanten, en komt in dat kader mogelijk betekenis toe aan artikel 5.5.1.3 van de verzekeringsovereenkomst (r.o. 4.17)?

  • -

    ii) Is er, en zo ja in hoeverre, sprake van schade als bedoeld in artikel 5.2 van de verzekeringsovereenkomst in de volgende gevallen: a. Odfjell heeft ten opzichte van haar klanten geen beroep op (het exoneratiebeding in) de VOTOB-voorwaarden gedaan terwijl haar wel een dergelijk beroep toekwam, b. Odfjell heeft wel een beroep op de VOTOB-voorwaarden gedaan maar dat is niet gehonoreerd (r.o. 4.19)?

  • -

    iii) Wat houdt de ruimere aansprakelijkheid ten aanzien van de speciale contracten als bedoeld in de aanvullende verzekeringsvoorwaarden in en wat betekent dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van schade die gedekt wordt door de verzekeringsovereenkomst (r.o. 4.20)?

Ten aanzien van de omvang van de schade

  • -

    iv) Is de door Odfjell geclaimde schade een gevolg van gebeurtenis 1 of van gebeurtenis 2 of van de algehele stillegging op 27 juli 2012 (r.o. 4.24)? In dit verband is van belang wanneer de tanks met drijvende daken respectievelijk de K1- en K2-tanks uit bedrijf zijn genomen. De vraag die in dat verband voorts rijst is: heeft het bevoegd gezag na het verstrijken van de in de aanzeggingen gestelde termijnen gecontroleerd of de maatregelen door Odfjell genomen waren en, zo ja, wat waren daarbij de conclusies?

  • -

    v) Zijn Verzekeraars in hun belangen geschaad door de wijze van schaderegeling door Odfjell en, zo ja, in hoeverre hebben Verzekeraars daardoor schade geleden (r.o. 4.25 en 4.26)?

  • -

    vi) Op vergoeding van welke juridische kosten kan Odfjell onder de verzekeringsovereenkomst aanspraak maken (r.o. 4.27) en zijn deze juridische kosten een gevolg van gebeurtenis 1 of van gebeurtenis 2? Wat is in dit kader het gevolg van de prioriteitenbepaling in de polis, inhoudende dat bij tegenstrijdigheden clausules vóórgaan op verzekeringsvoorwaarden (r.o. 4.28)?

Terugkomen van bindende eindbeslissingen?

2.4.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 24 april 2019 ten aanzien van een aantal feitelijke en juridische geschilpunten beslissingen genomen. Deze beslissingen zijn alle uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en hebben mitsdien te gelden als eindbeslissingen (zie hiervoor onder r.o. 2.3). Dergelijke bindende eindbeslissingen kunnen in beginsel slechts worden bestreden door het aanwenden van een rechtsmiddel. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak doet.

2.5.

Voor zover partijen, ieder voor zich en op eigen gronden, hebben verzocht terug te komen op in het tussenvonnis van 24 april 2019 genomen (eind)beslissingen, ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden daartoe geen aanleiding. Het enkele gegeven dat partijen het op bepaalde punten niet eens zijn met het oordeel van de rechtbank is niet een omstandigheid die daartoe noopt. Feiten en omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechtbank aan een of meer van deze eindbeslissingen zou zijn gebonden, zijn gesteld noch gebleken. Daarnaast zou heropening van het debat op een of meerdere van deze punten strijd met een goede procesorde opleveren.

2.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank blijft bij de in het tussenvonnis van 24 april 2019 genomen (eind)beslissingen en dat de overwegingen in dat vonnis, gelijk de rechtbank ter zitting van 29 januari 2020 heeft aangegeven, dan ook dienen als uitgangspunt voor de verdere beoordeling.

Voor de goede orde merkt de rechtbank wel het volgende op. Haar oordeel in r.o. 4.24, derde volzin, van het tussenvonnis van 24 april 2019, te weten dat de in de bestuursrechtelijke aanschrijvingen/beschikkingen van 18 juni 2012 (gebeurtenis 1) en 24 juli 2012 (gebeurtenis 2) genoemde termijnen, waarbinnen Odfjell maatregelen moest treffen, ten tijde van het volledig stilleggen van de terminal (27 juli 2012) al volledig verstreken waren, is niet juist. Immers, in de DCMR-beschikking van 24 juli 2012 onder 3 is bepaald dat het legen van de K1/K2-tanks in de tankputten 1, 3, 5, 6, 9a, 9b en 10b vóór 3 augustus 2012 moest plaatsvinden. Al een week eerder (27 juli 2012) was door Odfjell tot stillegging van de gehele terminal besloten (gebeurtenis 3). Voor de beslissingen in het tussenvonnis maakt dit echter geen verschil.

Voorwaarden voor dekking

2.7.

De verzekeringsovereenkomst waaronder Odfjell verzekerde is, is een aansprakelijkheidsverzekering. Deze dekt het financieel nadeel van verzekerde dat bestaat uit aan derden te verlenen vergoeding van schade waarvoor verzekerde wordt aangesproken op grond van verdrag, wet of overeenkomst, vrijwaringsverplichtingen daaronder begrepen (artikel 5.1 van de verzekeringsovereenkomst). Voorwaarde is, in de context van het huidige geschil, dat Odfjell op grond van de door haar met derden (klanten) gesloten overeenkomsten door die derden wordt aangesproken en aansprakelijk is voor de door deze derden geleden schade in verband met tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst(en) met hen. Artikel 5.2 van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat onder schade, kort omschreven, letselschade, zaakschade en zuivere vermogensschade wordt verstaan. Vast staat, dat letselschade niet aan de orde is. Het gaat dus om (zaaks- dan wel) vermogensschade van de klant waarvoor Odfjell aansprakelijk is (en die zij, volgens haar stellingen, heeft vergoed).

2.8.

Odfjell stelt zich primair op het standpunt dat alle door haar gestelde schadeposten gedekt zijn op grond van artikel 5.2 van de verzekeringsvoorwaarden.

2.9.

Indien en voor zover de door Odfjell aan derden betaalde bedragen niet als schade vergoedbaar zijn op grond van artikel 5.2 van de verzekeringsvoorwaarden voert Odfjell als subsidiaire grondslag aan dat deze bedragen kunnen worden aangemerkt als ‘extra kosten’ zoals bedoeld in artikel 5.5.1.2 van de verzekeringsvoorwaarden: de extra kosten die door of namens verzekerde moeten worden gemaakt krachtens wettelijk voorschrift of op last van de overheid, dan wel vanwege noodzakelijke veiligheidsmaatregelen.

2.10.

In het tussenvonnis van 24 april 2019 heeft de rechtbank alleen gebeurtenis 1 (de beschikking van DCMR van 18 juni 2012 in verband met de drijvende daken) en gebeurtenis 2 (de VRR en DCMR-beschikkingen inzake koel- en blussystemen [K1/K2 tanks] van 24 juli 2012) aangewezen als verzekerde evenementen, waarbij gebeurtenis 2 zich beperkt tot de tanks op het A-terrein. Onder de polis gedekte schadeclaims van klanten moeten dus verband houden met kosten ten gevolge van gebeurtenissen 1 en 2 en mogen niet het gevolg zijn van gebeurtenis 3, de shutdown. Daarnaast geldt dat de polis per aanspraak, en dus per gebeurtenis, een maximum verzekerd bedrag bevat van € 2.500.000,-. Dit betekent dat er ook bij de beoordeling van de schadeclaims onderscheid moet worden gemaakt tussen schade die het gevolg is van gebeurtenis 1 en schade als gevolg van gebeurtenis 2.

Bij akte na tussenvonnis tevens houdende wijziging van eis aan de zijde van Odfjell van 26 juni 2019 heeft Odfjell haar eis (mede) gewijzigd in de volgende zin. Zij heeft, waar het gaat om gebeurtenis 1, haar eis beperkt tot de schade als gevolg van de claims van Shell, Sabic en Lyondell en waar het gaat om gebeurtenis 2 tot schade voortvloeiende uit de claims van voornoemde drie claimanten, aangevuld met de claims van Eastman, Interchem en Neste Oil. Slechts de door Odfjell aan deze zes klanten betaalde bedragen zijn dan ook nog onderwerp van debat in deze zaak.

2.11.

In het tussenvonnis van 24 april 2019 heeft de rechtbank overwogen dat er sprake kan zijn van dekking voor vergoeding van door derden geleden zuivere vermogensschade als bedoeld in artikel 5.1 jo 5.2 van de verzekeringsvoorwaarden voor zover Odfjell is aangesproken omdat zij haar contractuele verplichting om tankopslagruimte in de tanks met drijvende daken en in de K1/K2-tanks te verstrekken niet nakwam. Voorwaarde is mitsdien dat Odfjell op grond van de door haar met voornoemde zes klanten gesloten overeenkomsten wordt aangesproken uit hoofde van gebeurtenis 1 en/of gebeurtenis 2.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat geen van de zes klanten zich in hun aansprakelijkstelling(en) expliciet heeft beroepen op gebeurtenis 1 en/of gebeurtenis 2. Odfjell is door deze klanten aangesproken uit hoofde van de shutdown in het algemeen. Anders dan Verzekeraars menen betekent die enkele omstandigheid niet dat dekking ontbreekt. De rechtbank licht dit toe.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat voor de klanten van Odfjell sprake was van ‘een gefaseerde shutdown’: eerst konden de tanks met een drijvend dak niet meer benut worden (gebeurtenis 1), toen konden de tanks met K1/K2-producten op terrein A (gebeurtenis 2) niet meer worden gebruikt, daarna werd duidelijk dat ook de tanks met K1/K2-producten op terrein B leeggemaakt moesten worden, en tenslotte werd de terminal gesloten (gebeurtenis 3). De gebeurtenissen volgden elkaar in rap tempo op en klanten hebben hun aansprakelijkstellingen gaandeweg nader ingevuld. De meeste klanten claimden hun schade pas halverwege augustus 2012 of nog later. Vanuit het gezichtspunt van de klanten was er geen enkele reden om in hun aansprakelijkstelling te differentiëren naar het stadium van de gefaseerde shutdown. Aan de hand van hun brieven/aansprakelijkstellingen alleen kan dus niet beoordeeld worden of hun schade een gevolg was van gebeurtenis 1, 2 en/of 3. Dat causale verband moet naar het oordeel van de rechtbank bepaald worden aan de hand van de aard van de schade en de eventuele relatie tussen die schade en het niet meer gebruikt kunnen worden van bepaalde tanks.

Gevolgen van schikking

2.12.

Na het tussenvonnis van 24 april 2019 hebben partijen zich uitgelaten over de vraag of Verzekeraars in hun belangen zijn geschaad door de wijze van schadeafwikkeling door Odfjell - te weten: het zelfstandig treffen van een aantal schikkingen - en, zo ja, in hoeverre Verzekeraars daardoor schade hebben geleden.

2.13.

Odfjell heeft haar standpunt als volgt nader toegelicht.

Van benadeling van Verzekeraars zou pas sprake zijn indien de schadevergoeding die Odfjell aan haar klanten gezamenlijk diende te betalen, per evenement duidelijk onder de gelimiteerde verzekeringsdekking van € 2.500.000,- had kunnen blijven als het schaderegelingstraject anders was gelopen. Odfjell vermoedt echter dat de schade die zij uiteindelijk aan haar klanten had moeten vergoeden hoger zou zijn geweest indien zij voor iedere stap toestemming van Verzekeraars zou hebben gevraagd. Deels omdat de kans op een snelle, goedkope oplossing verkeken zou zijn wanneer steeds op Verzekeraars gewacht had moeten worden. Deels omdat aannemelijk is dat Verzekeraars, bij discussie met klanten over de aansprakelijkheid van Odfjell, de aanvaardbaarheid van een beroep op de VOTOB-voorwaarden of de omvang van de schade, hadden geëist dat Odfjell uitvoerig verweer zou voeren. In geval van juridische procedures zou de schade die de klanten hadden opgevoerd, vele malen hoger hebben gelegen dan de bedragen waarvoor Odfjell deze schades geschikt heeft. Odfjell heeft claims van diverse klanten drastisch teruggebracht naar reële proporties. Bovendien is van belang dat Verzekeraars vanaf het begin op de hoogte waren van de claims, maar nooit om nadere informatie hebben gevraagd. In geval van grotere claims werden Verzekeraars over de status geïnformeerd en waren Verzekeraars dus wel degelijk op de hoogte van lopende onderhandelingen. Odfjell heeft in dit kader diverse concrete contactmomenten genoemd. Voorts is door Verzekeraars geen bezwaar gemaakt tegen de melding van Odfjell in oktober 2012 dat Odfjell ervoor koos om met verschillende afnemers tot afwikkeling van de schade over te gaan voordat zij haar aanspraken onder de verzekering nader zou formuleren. Op geen enkel moment hebben Verzekeraars aangegeven dat zij meer gedetailleerd op de hoogte gehouden wilden worden, of dat de verschafte informatie aanleiding gaf tot nadere vragen. Daarmee hebben zij impliciet hun akkoord gegeven voor de handelwijze en wijze van schadeafwikkeling door Odfjell. Verzekeraars hebben hun recht verwerkt om zich te beroepen op benadeling van Verzekeraars bij de schadeafwikkeling.

2.14.

Verzekeraars hebben het volgende aangevoerd.

In artikel 7.1.1 TA070-01/1 is vastgelegd dat wanneer verzekerde voor de eerste keer aansprakelijk wordt gesteld of kennis krijgt van omstandigheden welke voor hem redelijkerwijs aanleiding kunnen zijn verzekeringsaanspraken te verwachten, hij verplicht is dit zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te melden bij Verzekeraars. Odfjell heeft echter de beweerde gebeurtenissen 1 en 2 niet gemeld. Odfjell heeft evenmin omstandigheden gemeld die tot aanspraken in de zin van beweerde gebeurtenissen 1 en 2 zouden kunnen leiden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voorts onbegrijpelijk de stelling van Odfjell dat zij, indien zij, zoals de polis voorschrijft, voor schikkingen vooraf de toestemming van Verzekeraars zou hebben gezocht, aan haar klanten meer zou hebben moeten betalen. Odfjell heeft het niet eens geprobeerd. Odfjell voert daarenboven drogredenen voor haar aanpak aan. Verzekeraars benadrukken voorts dat het niet aan Odfjell (alleen) is om te bepalen of zij tegen haar gerichte claims heeft teruggebracht naar reële proporties. De door Odfjell in dit verband nader overgelegde stukken kunnen haar niet baten. Op het moment dat Odfjell zich eind 2014 tot Verzekeraars wendde, waren alle claims door Odfjell buiten Verzekeraars om afgedaan. Odfjell heeft daarbij beleidsmatige beslissingen genomen die het directe gevolg waren van haar bedrijfsvoering en niets te maken hadden met dreigende schade en/of dreigende aansprakelijkstellingen. Indien dit wel het geval geweest zou zijn, had Odfjell dit moeten melden en hadden Verzekeraars de regie kunnen voeren indien en voor zover er daadwerkelijk sprake zou zijn van gedekte gebeurtenissen die tot aansprakelijkheid zouden kunnen leiden. Daarmee zouden mogelijk potentiële claims voorkomen hebben kunnen worden.

2.15.

De rechtbank overweegt als volgt.

Direct na de shut down heeft Odfjell Verzekeraars via [naam bedrijf] op de hoogte gesteld en gehouden. Vast staat dat Verzekeraars geen dekking onder de verzekering hebben toegezegd en in dat verband de schadebehandeling niet op zich hebben genomen. Hiervan uitgaande hebben Verzekeraars Odfjell in de positie gebracht dat zij ervan mocht en moest uitgaan dat zij de mogelijke financiële gevolgen van een eventuele aansprakelijkheid jegens haar klanten zelf zou moeten dragen. Het stond Odfjell daarom vrij om de schaderegeling zelf ter hand te nemen en in dat kader schikkingen te treffen. Dit leidt niet tot het verlies van het recht om Verzekeraars alsnog tot dekking aan te spreken, mits zij bij het tot stand brengen van de schikkingen jegens Verzekeraars de zorgvuldigheid hebben betracht die van haar als ‘prudent verzekerde’ mocht worden verwacht. Dat Odfjell er de voorkeur aan gaf om zelf regelingen te treffen doet daaraan niet af. De claims van de klanten waren op voorhand niet zonder grond, nu evident is dat de klanten van Odfjell gedupeerd waren door de gebeurtenissen 1 en 2.

Door diverse claims te schikken voor een aanzienlijk lager bedrag dan door haar klanten werd gevorderd, heeft Odfjell zich naar het oordeel van de rechtbank gedragen als prudent verzekerde en de belangen van Verzekeraars in aanmerking genomen. Alsdan hebben de bereikte schikkingen, voor zover zij zien op gedekte evenmenten, te gelden als een verwezenlijking van het risico waartegen de verzekering dekking beoogt te verlenen en is de vraag of een andere strategie wellicht tot een (nog) beter resultaat zou hebben geleid niet meer relevant (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2008:BG3764, ECLI:NL:GHDHA:2020:760 en ECLI:NL:GHAMS:2021:2823). Het verweer van Verzekeraars op dit punt wordt dan ook verworpen.

Dat neemt niet weg dat hetgeen in het tussenvonnis is overwogen, met name de omstandigheid dat de schikkingen ook zien op niet gedekte evenementen en/of voortvloeien uit louter commerciele overwegingen, tot nadere beschouwing van de inhoud van de schikkingen moet leiden.

Kaders beoordeling aansprakelijkheid Odfjell

2.16.

Alvorens per klant wordt ingegaan op de terzake door Odfjell opgevoerde schadeposten, overweegt de rechtbank het navolgende over de kaders waarbinnen zij Odfjell’s aansprakelijkheid ten opzichte van de zes klanten zal beoordelen.

De door Odfjell met haar zes klanten gesloten overeenkomsten vallen uiteen in twee categorieën:

  • -

    contracten waarop de VOTOB-voorwaarden van toepassing zijn verklaard: dit is het geval bij Interchem, Eastman en Neste Oil (hierna: de gewone contracten); en

  • -

    contracten waarbij sprake is van een ruimere aansprakelijkheid dan voorzien in de VOTOB-voorwaarden. Deze categorie betreft de zogenoemde ‘speciale contracten’ als bedoeld in Clausule TA071-047 van de aanvullende verzekeringsvoorwaarden. De klanten Shell, Sabic en Lyondell hebben speciale contracten.

2.17.

In de VOTOB-voorwaarden wordt aansprakelijkheid voor verschillende schadesoorten expliciet uitgesloten. Aansprakelijkheid wordt voorts beperkt tot directe schade tot een bedrag van NLG 1 miljoen (ongeveer € 454.070,-). Aansprakelijkheid voor indirecte (gevolg)schade wordt uitgesloten.

De relevante bepalingen/artikelen uit de VOTOB-voorwaarden luiden:

Artikel 57 (Aansprakelijkheid van het opslagbedrijf) lid 2 sub a en e:

Het opslagbedrijf is nimmer aansprakelijk voor:

(a) oponthoud, tijdverlies, overliggeld, staangeld of andere schade of kosten ontstaan in verband met een afwijking van de volgorde van behandeling van vaar- of voertuigen of veroorzaakt door het - uit welken hoofde dan ook - niet bereikbaar, niet bruikbaar of reeds ingenomen zijn van het terrein, ook niet indien te voren reserveringen zijn gemaakt, danwel vaar- en voertuigen of andere transportmiddelen te voren zijn aangemeld.

en

(e) schade, verlies, vorderingen van derden, boeten en/of kosten, op welke wijze ook ontstaan, die het gevolg zijn van overmacht zoals gedefinieerd in artikel 60 lid 1 van deze Algemene Voorwaarden.

Artikel 57 lid 3:

Onverminderd het elders in deze Algemene Voorwaarden bepaalde is het opslagbedrijf niet aansprakelijk voor schade, verlies, vorderingen van derden, boeten en/of kosten, op welke wijze ook ontstaan, tenzij de opdrachtgever bewijst dat die schade, dat verlies, die vorderingen van derden, die boeten en/of kosten veroorzaakt zijn door opzet of grove schuld van het opslagbedrijf zelf of van personeel van het opslagbedrijf dat is belast met de leiding van de uitvoering van de overeenkomst of van de werkzaamheden.

Artikel 58 (Beperking van Aansprakelijkheid) leden 1 en 2:

1. Indien het opslagbedrijf aansprakelijk is, dan is zijn aansprakelijkheid beperkt tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de dagwaarde van de beschadigde, verloren gegane of vernietigde zaken op het tijdstip van beschadiging, verlies of vernietiging, echter tot een maximum van f 1.000,— per 1.000 kg. van het beschadigde, verloren gegane of vernietigde, en voorts tot een maximum van f 1.000.000,-- per gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen uit één en dezelfde oorzaak ontstaan.

2. Indien het opslagbedrijf aansprakelijk is, zal het opslagbedrijf slechts vergoeden materiële schade ontstaan aan dan wel verlies van aan het opslagbedrijf toevertrouwde zaken zelf. Voor andere schade of ander verlies, zoals bijvoorbeeld winstderving, bedrijfsschade, kosten, indirecte schade of indirect verlies, is het opslagbedrijf nimmer aansprakelijk.

Verplichtingen van Odfjell bij het contracteren

2.18.

De vraag of de verzekeringsvoorwaarden de verplichting aan Odfjell opleggen om in haar overeenkomsten met klanten te allen tijde de branche-voorwaarden (VOTOB) van toepassing te verklaren is een uitlegvraag. Daarbij geldt primair de Haviltex-maatstaf. Het komt dus in beginsel aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Als over de verzekeringsvoorwaarden niet is onderhandeld, geldt in een geval als dit een meer geobjectiveerde variant van de Haviltex-maatstaf, zoals onder meer geformuleerd in het arrest Chubb/Dagenstaed (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). In dit arrest is geoordeeld dat het bij de uitleg van zodanige verzekeringsvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren, zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de verzekeringsvoorwaarden behorende toelichting. Deze objectieve uitleg houdt niet in dat de grammaticale betekenis van een bepaling altijd doorslaggevend is. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval mag bij de uitleg van verzekeringsvoorwaarden in dat geval onder meer acht worden geslagen op de volgende, niet op de subjectieve partijbedoeling gestoelde, gezichtspunten:

(1) de betekenis van het gebruikte begrip in het algemeen spraakgebruik;

(2) de betekenis van het gebruikte begrip in een specifieke setting;

(3) het samenstel van polisvoorwaarden en de eventuele toelichting;

(4) het met de bepaling beoogde doel en de functie van de verzekering.

2.19.

Naar het oordeel van de rechtbank legt de verzekeringsovereenkomst, in het bijzonder gelet op het samenstel van de verzekeringsvoorwaarden en het beoogde doel en de functie van de verzekering, aan Odfjell geenszins de verplichting op om in haar overeenkomst(en) met derden te allen tijde de branche-voorwaarden (VOTOB) van toepassing te verklaren, althans de daarin opgenomen exoneratie(s) overeen te komen. Indien Verzekeraars slechts onder deze voorwaarde bereid zouden zijn geweest dekking te verlenen, dan had het op hun weg gelegen om dit met zoveel woorden in de verzekeringsovereenkomst te bepalen. Dat het hier een verzekering betreft die weliswaar op de beurs is gesloten maar wel op makelaarscondities doet daaraan niet af. Verzekeraars, dan wel de leader, hadden immers, bij het inschrijven op het risico, een aanpassing in die zin kunnen bedingen. Nu zij dit niet gedaan hebben, brengt een redelijke uitleg van de verzekeringsvoorwaarden met zich dat op Odfjell niet de verplichting rustte om op basis van VOTOB-voorwaarden met haar klanten te contracteren.

Daaraan doet niet af dat Odfjell op grond van de aanvullende voorwaarde “Speciale contracten” de mogelijkheid had om een ruimere aansprakelijkheidsregeling op te nemen dan was opgenomen in de gebruikelijke branchevoorwaarden of de door haar gehanteerde bedrijfsvoorwaarden en in dat kader speciale contracten bij Verzekeraars kon aanmelden die vervolgens beoordeelden of zij dit afwijkende risico wilden accepteren en zo ja, voor welke premie. Die voorwaarde is, met name door de vermelding van eigen bedrijfsvoorwaarden, ovoldoende duidelijk om daarop een verstrekkende a contrario-redenering te kunnen baseren.

Odfjell was dus niet verplicht om steeds toepasselijkheid van de VOTOB-voorwaarden overeen te komen en de dekking onder de verzekering was in beginsel niet beperkt tot aansprakelijkheid van Odfjell op basis van de VOTOB-voorwaarden.

Directe schade

2.20.

Verzekeraars bestrijden dat de door Odfjell gevorderde demurrage kosten (overliggelden), transportkosten en alternatieve opslagkosten onder de noemer “directe schade” kunnen worden gebracht. Volgens Verzekeraars moeten deze schadeposten als gevolgschade worden beschouwd, hetgeen een schadesoort is waarvoor Odfjell in al haar contracten aansprakelijkheid heeft uitgesloten, via de VOTOB-voorwaarden of anderszins.

De rechtbank verwerpt het standpunt van Verzekeraars dat de betreffende schadeposten als indirecte, danwel gevolgschade moeten worden beschouwd. Zowel de overliggelden als de kosten voor alternatieve opslag, betaald door Odfjell’s klanten, staan in direct verband met gebeurtenissen 1 en 2. Immers, vanwege het sluiten van de tanks met drijvende daken en de K1- en K2-tanks, hadden Odfjell’s klanten alternatieve opslag nodig en konden hun schepen niet op tijd worden gelost, als gevolg waarvan zij vermogensschade hebben geleden. Van een tussenliggende oorzaak is geen sprake. Odfjell had dan ook niet aansprakelijkheid voor deze schadeposten kunnen afwijzen op grond van een algemeen geformuleerde exoneratie voor indirecte schade.

Exoneratie voor overliggelden

2.21.

Odfjell vordert in dit geschil – onder meer – vergoeding van Verzekeraars vanwege door haar aan haar klanten vergoede, door deze aan derden betaalde, overliggelden. Verzekeraars betwisten dat zij op grond van de verzekeringsovereenkomst tot vergoeding van overliggelden zijn gehouden onder verwijzing naar artikel 57 sub a van de VOTOB-voorwaarden, waarin dit type schade expliciet wordt uitgesloten. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

2.22.

Voor zover het gaat om de speciale contracten waarop de VOTOB-voorwaarden niet (althans niet in volle omvang of niet op dit punt), toepasselijk zijn, faalt het verweer van Verzekeraars. Odfjell hoefde die toepasselijkheid niet, althans niet in volle omvang, overeen te komen en in de contracten waar dat niet gebeurd is, is geen overeenkomstige exoneratie opgenomen. Nu overliggelden een vorm van vermogensschade zijn vallen deze, als aan de andere voorwaarden is voldaan, onder de dekking. Daaraan doet de uitspraak van deze rechtbank in het geschil tussen Odfjell en Kolmar (ECLI:NL:RBROT:2020:3652), waaraan Verzekeraars refereren, niet af. Tussen de partijen in het geschil dat heeft geleid tot genoemde uitspraak (Kolmar en Odfjell) waren de VOTOB-voorwaarden wel overeengekomen.

2.23.

Dat in de gewone contracten onder de VOTOB-voorwaarden overliggelden van vergoeding zijn uitgesloten is duidelijk. Odfjell heeft zich echter in het kader van de VOTOB-contracten niet met succes op die exoneratie beroepen richting haar klanten. De vraag is, of Verzekeraars haar dat, in het kader van de dekking onder de verzekering, kunnen tegenwerpen.

Ook de vraag of Odfjell jegens Verzekeraars verplicht was zich te allen tijde in voorkomende gevallen richting haar klanten te beroepen op de overeengekomen exoneratieclausule(s) in de VOTOB-voorwaarden is een vraag van uitleg van de verzekeringsovereenkomst, die naar dezelfde maatstaven moet worden beoordeeld als hiervoor onder r.o. 2.18 weergegeven.

Waar de VOTOB-voorwaarden in de overeenkomst(en) tussen Odfjell en haar klanten van toepassing zijn verklaard, moet de verzekeringsovereenkomst aldus worden uitgelegd dat op Odfjell de verplichting rustte om zich waar mogelijk te beroepen op de VOTOB-voorwaarden en de daarin opgenomen exoneratieclausule(s). Deze contractuele afspraken vormen immers de basis voor haar aansprakelijkheid uit hoofde van de overeenkomst met die klant(en). Het stond Verzekeraars vrij om te bepalen welk risico zij wilden verzekeren. Bij de VOTOB-contracten was dat in beginsel het aansprakelijkheidsrisico voor zover dat resteerde met inachtneming van de exoneraties. De dekking gaat daarom ook niet verder dan dat. Als Odfjell meer heeft betaald komt dat in beginsel voor haar eigen rekening.

2.24.

Dat neemt niet weg dat het verzekerd risico het aansprakelijkheidsrisico was en dat de mogelijkheid bestaat dat de rechter zou hebben geoordeeld dat in de relatie tussen Odfjell en haar klant Odfjell geen beroep toekwam op die exoneratie. Odfjell meent dat dit het geval zou zijn geweest. De rechtbank overweegt als volgt.

Of een dergelijk beroep op een exoneratieclausule(s) in rechte stand zou hebben gehouden, moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

Voor het antwoord op de vraag of een beroep door Odfjell op de exoneratie voor overliggelden (artikel 57 sub a van de VOTOB-voorwaarden) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest, is relevant dat het gaat om (een) beding dat in niet mis te verstane bewoordingen de aansprakelijkheid voor (een) specifieke schadesoort(en) uitsluit, te weten overliggelden. Van belang is ook dat een dergelijke uitsluiting van aansprakelijkheid voor dit type schade, zo staat onbetwist tussen partijen vast, in de branche gebruikelijk is. Dat maakt dat een beroep op de uitsluiting niet snel onaanvaardbaar zal zijn.

Daar staan echter andere omstandigheden tegenover.

De achtergrond van de exoneratie – het gegeven dat in het algemeen een terminal slechts beperkt invloed heeft op het ontstaan van overliggelden – was in dit geval niet aan de orde. De schade ontstond immers niet (mede) door toedoen van de klanten zelf, maar door de verplichte sluiting van de tanks.

Voorts is van belang of, en zo ja in hoeverre, Odfjell een verwijt te maken valt van het ontstaan van de schade van de betreffende klant, en in dit geval dus of Odfjell een verwijt te maken valt van het sluiten van de tanks. Als zij opzet of grove schuld heeft aan het ontstaan van de schade zal het beroep op de exoneratie eerder onaanvaardbaar zijn dan als haar daarvan geen of slechts een licht verwijt gemaakt kan worden. De rechtbank gaat er – bij gebreke van andersluidende stellingen van partijen – vanuit dat voor de uitleg van de begrippen “opzet of grove schuld” in de VOTOB-voorwaarden moet worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over deze begrippen, zoals deze – onder meer – is ontwikkeld bij de beantwoording van de vraag of een beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze rechtspraak kan als volgt worden samengevat. Van opzet is sprake als Odfjell desbewust de schade heeft toegebracht. Van grove schuld is sprake bij een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld (HR 12 maart 1954, NJ 1955, 386, Codam/Merwede), ook wel aan te duiden als bewuste roekeloosheid. Daarvan is onder andere sprake bij het bewust nemen van te grote risico’s (vgl. HR 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524, Stein/Driessen). Er kan ook sprake van zijn als bewust wordt nagelaten een duidelijk aanwezig risico te onderzoeken terwijl men op de hoogte was van de potentieel grote gevolgen van de verwezenlijking van dat risico (vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2984, Scaramea/Telfort). Of sprake is van opzet of grove schuld dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.

Alles afwegende op dit punt, moet de conclusie zijn dat geenszins zeker is dat Odfjell’s beroep op artikel 57 sub a uit de VOTOB-voorwaarden zou hebben standgehouden, indien het met haar klanten tot een gerechtelijke procedure was gekomen. Veel klanten stelden dat sprake was van het schenden van de hoofdverplichting van Odfjell – het ter beschikking stellen van opslagruimte – en dat het moeten sluiten van de verschillende tanks aan grove schuld van Odfjell te wijten was. Dat was, in de gegeven situatie, geen kansloos standpunt.

Er was naar het oordeel van de rechtbank een reële kans dat in rechte een beroep van Odfjell op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar beschouwd zou zijn. Het vonnis in de Kolmar-zaak waarnaar Verzekeraars verwijzen illustreert dat het aankomt op de specifieke omstandigheden die per klant en per schip kunnen verschillen. Verzekeraars zelf waren overtuigd van opzet of grove schuld aan de zijde van Odfjell.

Mitsdien hadden Verzekeraars er bij de behandeling van een claim van een klant van Odfjell ook rekening mee moeten houden dat een beroep op de VOTOB-voorwaarden vanwege grove schuld van Odfjell naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest en dat dus overliggelden ook aan de klanten hadden moeten worden vergoed.

Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat dit niet afdoet aan het oordeel in rov. 4.10 van het tussenvonnis, dat ziet op het polisregime aangaande opzet, en daarmee op een andere kwestie.

De zes klanten

2.25.

De rechtbank zal thans de claims van Odfjell ten aanzien van de zes klanten tegen de achtergrond van het voorgaande afzonderlijk beoordelen.

Schadeomvang

SHELL

2.26.

Odfjell en Shell hebben op 9 december 2005 een Master Agreement gesloten (productie 15 bij dagvaarding), waar diverse Product Agreements bij hoorden. Omdat in de loop der tijd meerdere Product Agreements in omloop waren, zijn Odfjell en Shell in januari 2011 een Unified Agreement overeengekomen (productie 16 bij dagvaarding), die de Master Agreement op onderdelen aanvult en wijzigt. De destillatiewerkzaamheden van Odfjell voor Shell werden beheerst door de Petrochemical Industrial Distillation (PID) overeenkomst van 9 januari 2012 (productie 17 bij dagvaarding).

2.27.

Daar waar in de Master Agreement (en de daarop voortbouwende Unified Agreement) van de VOTOB-voorwaarden wordt afgeweken, prevaleert de bepaling in de Master Agreement (en de Unified Agreement). Ten aanzien van het aansprakelijkheidsregime wordt zowel in de Master Agreement als in de Unified Agreement van de VOTOB-voorwaarden afgeweken.

Artikel 14 van de Master Agreement bepaalt, voor zover van belang:

14.3

OTR [Odfjell, opm rb] shall assume entire responsibility for and shall defend, indemnify and hold Shell harmless against all losses, liabilities, claims, costs and expenses arising directly or indirectly out of or in connection with the execution of the Service Agreements and arising from loss of or damage to the property of, or injury, including fatal injury and disease to, third parties, or damage to the environment, whatsoever and howsoever arising, whether or not the negligence or breach of duty of Shell, its servants or agents has caused or contributed to such injury, loss or damage. The liability of OTR arising from this Article 14.3 shall for any one incident or series of incidents arising from one event, be limited to a combined amount of € 2,500,000 per occurrence and unlimited as to the number of occurrences. In excess of this level, liability shall be determined by reference to applicable law.

14.4

Except in case of gross negligence or willful misconduct, neither Party shall be under

any liability to the other Party for loss of profit or other indirect or consequential damages, including but not limited to loss of business or opportunity.

2.28.

De schade die Shell heeft geleden en waarvoor zij Odfjell aansprakelijk heeft gehouden, is opgesomd in haar brief van 21 januari 2013 (productie 21 bij dagvaarding) en is later nog enigszins aangepast (zie het overzicht behorende bij de Settlement Agreement; productie 22 bij dagvaarding).

De voor de claim onder de verzekering relevante schade heeft dus betrekking op overliggelden en opslagkosten. Dat het gaat om vermogensschade is duidelijk. De vraag is dus of is voldaan aan de overige voorwaarden voor dekking onder de verzekering.

2.29.

Uit een overzicht van de schadeclaims van Shell tot en met januari 2013 (productie 127 bij de akte tevens wijziging eis aan de zijde van Odfjell van 3 juni 2020) volgt dat al sprake was van overliggelden vóór de shutdown van 27 juli 2012 (gebeurtenis 3). Dat betekent dat een deel van de claim ziet op schade als gevolg van gebeurtenis 1 en/of gebeurtenis 2.

2.30.

Volgens de door Odfjell aangehaalde opgave van Shell gaat het in de periode voor 27 juli 2012 om ruim € 385.000,- aan overliggelden. Dat totaalbedrag is als volgt opgebouwd:

schip b/l dd claim nr factuurnr factuurdatum bedrag

[naam schip 1] 19-07-12 67153/67354 1900004517 14-08-12 € 34.383,31

[naam schip 2] 21-07-12 67112/67356 1900004517 14-08-12 € 15.600,00

[naam schip 3] 25-07-12 673359/37362 1900004517 14-08-12 € 56.100,00

[naam schip 4] 26-07-12 67434/67819 1900004617 07-09-12 € 56.985,00

[naam schip 5] 21-07-12 68231/68233 80001676/P 26-09-12 € 222.660,00

totaal € 385.728,31

Voornoemd totaalbedrag valt in beginsel onder de dekking van de verzekering als schade die verband houdt met gebeurtenissen 1 en 2. Daarbij rekent de rechtbank de facturen van de schepen [naam schip 1], [naam schip 2] en [naam schip 5], gelet op de data op de bills of lading die vóór gebeurtenis 2 liggen, toe aan gebeurtenis 1. Dit komt neer op het bedrag van € 272.643,31. Het resterende bedrag van € 113.085,- wordt toegerekend aan gebeurtenis 2.

2.31.

Ten aanzien van de door Odfjell aan Shell betaalde alternatieve opslagkosten van in totaal € 1.368.000,- voert Odfjell aan dat het in de rede ligt om dit bedrag evenredig te verdelen over de tanks die getroffen zijn door gebeurtenissen 1 en 2 enerzijds en de shutdown op 27 juli 2012 (gebeurtenis 3) anderzijds.

Odfjell heeft in dit kader onbestreden gesteld dat Shell in totaal 53 tanks gebruikte. Uit het tankoverzicht in de notitie van Odfjell van 11 mei 2020 (productie 125 bij de akte tevens wijziging eis aan de zijde van Odfjell van 3 juni 2020) op pagina 7 en 8 volgt dat 6 tanks niet meer gebruikt konden worden als gevolg van gebeurtenis 1 en dat 7 tanks niet meer gebruikt konden worden als gevolg van gebeurtenis 2 (zie de akte na tussenvonnis tevens houdende wijziging van eis aan de zijde van Odfjell van 26 juni 2019). Het gaat dus in totaal om 13 van de 53 tanks. Bij gebreke van concrete stellingen of andere gegevens gaat de rechtbank ervan uit dat alle tanks uit een oogpunt van alternatieve opslagkosten aan elkaar gelijk te stellen zijn. Weliswaar hebben Verzekeraars bezwaar gemaakt tegen deze ponds/pondsgewijze benadering, maar zij hebben geen alternatief genoemd en aanemelijk is dat een rechter die de claim van Shell jegens Odfjell moest beoordelen, de schade begrotend en bij gebrek van andere aanknopingspunten, deze benadering ook gebruikt zou hebben. Dat betekent dat een bedrag voor alternatieve opslag aan gebeurtenissen 1 en 2 gerelateerd kan worden ter hoogte van 13/53 x € 1.368.000,- = € 335.547,17. Bij gebrek aan een nadere duiding in de tijd, schrijft de rechtbank 6/13e toe aan gebeurtenis 1 (€ 154.867,93) en 7/13e aan gebeurtenis 2 (€ 180.679,25).

2.32.

Het vorenstaande brengt met zich dat ten aanzien van Shell een bedrag aan gedekte schade ter zake gebeurtenis 1 van € 427.511,24 (€ 272.643,31 + € 154.867,93) in aanmerking komt en ter zake gebeurtenis 2 een bedrag van € 293.764,25 (€ 113.085,- + € 180.679,25).

Daaruit blijkt dat het schadebedrag per gebeurtenis blijft binnen de aansprakelijkheidslimiet die Odfjell met Shell had afgesproken in artikel 14.3 van de Master Agreement, zodat de rechtbank voorbij gaat aan enig verweer op dit punt van Verzekeraars.

Dit betekent dat als ingevolge de schikking betaalde, gedekte schade van Shell als gevolg van gebeurtenis 1 € 427.511,24 voor vergoeding onder de polis in aanmerking komt en ter zake gebeurtenis 2 een bedrag van € 293.764,25.

SABIC

2.33.

Met Sabic heeft Odfjell op 24 januari 2011 een Storage Agreement gesloten (productie 24 bij dagvaarding) en in maart 2012 een Distillation Agreement (productie 23 bij dagvaarding).

2.34.

Op de Storage Agreement zijn de VOTOB-voorwaarden van toepassing verklaard; in artikel 10 van de Distillation Agreement (PID contract) is de toepasselijkheid van de VOTOB-voorwaarden uitgesloten. De aansprakelijkheid voor directe schade is onbeperkt in geval van opzet of grove schuld en anders beperkt tot (i) the average monthly Fee paid by SABIC to PID during the three months prior to the circumstances giving rise to the relevant liability (therefore adding the monthly Fees during such months and then dividing the total by three), or (ii) the price paid by SABIC to a third party for the relevant quantity of Condensate in relation to which the liability occurs.

De average monthly fee wordt door Odfjell geschat op € 225.000,- omdat deze fee niet meer kan worden achterhaald.

2.35.

Sabic hield Odfjell aansprakelijk voor de gevolgen van het niet kunnen opslaan van gascondensaat en destillatieafval en van het niet kunnen destilleren van opgeslagen gascondensaat op Odfjell's terminal (zie productie 25 bij dagvaarding) vanwege gebeurtenis 1. Op grond van artikel 1.6 van de Distillation Agreement leverde, aldus Odfjell, reeds het niet kunnen laden en lossen van condensaat op de terminal wanprestatie op:

1.6

PID [Odfjell, opm rb] will ensure that Condensate can be discharged off-loaded at its facilities in Rotterdam (Botlek) as soon as possible within from arrival of the relevant road/rail tank car or barge/sea going vessel (the "Discharge Window"). In this respect PID shall ensure that the equipment of the relevant road/rail tank car or barge/sea going vessel is able to discharge the Condensate at a flow rate of 50 Mt per hour. PID shall warrant that the discharge terminal at its facilities in Rotterdam (Botlek) is in all respects fitted and suitable for the safe discharge of Condensate in accordance with this Agreement and furthermore complies with all applicable laws and regulations (including without limitation with respect to health and safety). SABIC shall warrant that the relevant road/rail tank car or barge/sea going vessel used to deliver the Condensate is in all respects fitted and suitable for the safe discharge of Condensate in accordance with this Agreement and furthermore complies with all applicable laws and regulations (including without limitation with respect to health and safety).

2.36.

De schade waarop Sabic volgens Odfjell aanspraak heeft gemaakt bestaat uit de volgende posten:

1. Waardevermindering product:

  • -

    een waardevermindering van € 161.000,- van gascondensaat uit Roodeschool dat niet meer opgeslagen mocht worden op de terminal van Odfjell en naar Gent is vervoerd met als gevolg dat het niet meer gedestilleerd kon worden (PID-contract),

  • -

    vervangingskosten van € 159.000,- wegens gascondensaat uit Waalwijk dat niet meer in Rotterdam opgeslagen mocht worden en pas veel later weggevoerd kon worden zodat het waardeloos was (Storage Agreement),

  • -

    € 83.000,- wegens het opnieuw destilleren van een product dat in een Balgzandcondensaat-tank terecht is gekomen en daardoor vervuild is geraakt (PID-contract).

2. Extra transportkosten:

  • -

    voor gascondensaat uit Waalwijk: € 17.000,-,

  • -

    voor vervoer naar alternatieve storage in Amsterdam: € 52.500,- (€ 42.000,- als gevolg van gebeurtenissen 1 en 2; € 21.000,- waar Odfjell met Sabic discussie over had en waar Odfjell uiteindelijk de helft van heeft vergoed),

  • -

    voor het vervoeren van Balgzand barges naar Antwerpen: € 67.000,-,

  • -

    voor het verschepen van naphta naar Antwerpen omdat de pijpleiding niet meer gebruikt kon worden: € 139.000,-

3. Alternatieve opslagkosten:

- alternatieve opslag in Amsterdam: € 145.000,-

Het totaal aan directe kosten gemaakt in 2012 bedraagt volgens Odfjell derhalve

€ 823.500,-.

2.37.

Verzekeraars voeren, kort samengevat, aan dat de gestelde productschade onvoldoende is onderbouwd. Expertise is niet verricht en of Odfjell ervoor aansprakelijk zou kunnen zijn, staat niet vast. Evenmin valt in te zien waarom nog aanzienlijke kosten gemaakt zouden moeten worden voor een partij gascondensaat die volgens eigen opgave van Odfjell in Waalwijk reeds waardeloos geworden was. Ook is niet duidelijk waarom de ‘Gent-schade’ onder het PID-contract en de ‘Waalwijk-schade’ onder de Storage-overeenkomst zou vallen. Omdat niet blijkt van enige bemoeienis van Odfjell met het vervoer en de lossing van het Waalwijk-product naar Antwerpen, bestrijden Verzekeraars voorts dat dit soort schades gedekt zijn. Dat geldt eveneens voor nog verdergaande pure gevolgschades zoals het vervoeren van Balgzand barges naar Antwerpen. Bovendien zijn op de Storage- en Distillation overeenkomsten aansprakelijkheidslimieten van toepassing zodat Odfjell in ieder geval geen dekking heeft voor zover haar betaling aan Sabic die limieten overstijgt. Tot slot kan het in redelijkheid niet zo zijn dat Odfjell in deze procedure niet meer zou kunnen achterhalen wat de average monthly fee is en dat deze daarom geschat moet worden.

2.38.

Verzekeraars hebben de door Odfjell ingenomen stelling dat en welke schadeposten zij heeft vergoed aan Sabic in het kader van een schikking en de stelling dat de betreffende schadeposten in relatie staan tot gebeurtenis 1 onvoldoende gemotiveerd betwist. De door Odfjell gestelde schadebedragen staan dus vast, evenals het feit dat deze verband hielden met gebeurtenis 1. Of alle opgevoerde schadeposten ook posten betreffen waarvoor Odfjell richting Sabic aansprakelijk zou zijn geweest indien het tot een procedure was gekomen, kan, gelet op het hiervoor in rov. 2.15 genoemde uitgangspunt voor het beoordelen van een schikking, in het midden blijven. In het kader van de door Odfjell met Sabic getroffen schikking kon Odfjell naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het standpunt innemen dat er voldoende grondslag voor aansprakelijkheid bestond voor de betreffende schadeposten nu deze alle in enig verband stonden met gebeurtenis 1. Het door Verzekeraars op dit punt gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

2.39.

Wat betreft de vraag of Odfjell richting Sabic een beroep had moeten doen op haar aansprakelijkheidslimieten en of een dergelijk beroep in rechte stand had gehouden, overweegt de rechtbank als volgt. Als onvoldoende bestreden staat vast dat de schadeposten van € 161.000,- en van € 83.000,- (dus € 244.000,- in totaal) onder de Distillation Agreement (ofwel het PID-contract) vallen, waarvoor een aansprakelijkheidslimiet is afgesproken ter hoogte van de average monthly fee. Verzekeraars voeren aan dat Odfjell niet kan volstaan met een geschatte monthly fee van € 225.000,- maar onderbouwen dat niet en komen in dit verband zelf niet met een ander bedrag, zodat de rechtbank uit zal gaan van voornoemd bedrag als de aansprakelijkheidslimiet.

Naar het oordeel van de rechtbank zou een beroep van Odfjell jegens haar klanten op de aansprakelijkheidslimiet van € 225.000,-, gelet op de maatstaf uit r.o. 2.18, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn geweest. Daarvoor is relevant dat het gaat om een beding dat in niet mis te verstane bewoordingen de aansprakelijkheid voor de vergoedbare schade onder de Distillation Agreement maximeert tot het genoemde bedrag. Van belang is dat een dergelijke maximering van aansprakelijkheid, zo staat onbetwist tussen partijen vast, in de branche gebruikelijk is. Daarnaast is van belang dat de aansprakelijkheidslimiet uit de Distillation Agreement maar € 19.000,- lager is dan de geclaimde schade. Gelet op deze omstandigheden is er geen aanleiding om aan te nemen dat de limiet niet in rechte stand zou houden.

De rechtbank gaat er, bij gebrek aan andersluidende stellingen, voorts vanuit dat de overige schadeposten onder de Storage Agreement vallen. Het gaat dus om een totaalbedrag van

€ 579.500. Na verrekening van de kennelijk verrichte crediteringen van € 200.000,- gaat het om een schadebedrag van € 379.500,-. Dit bedrag blijft onder de aansprakelijkheidslimiet van artikel 58 VOTOB-voorwaarden van f 1.000.000,-, dus € 454.070,-.

Gelet op het kader zoals dat is geschetst in r.o. 2.15, stelt de rechtbank vast dat er geschikt is voor schade ten gevolge van een gedekt evenement terwijl het commerciële aspect voldoende is verdisconteerd door het aftrekken van € 200.000 wegens creditering.

2.40.

Dit betekent dat een bedrag van € 604.500,- (€ 225.000,- + € 379.500,-) als ingevolge de schikking betaalde, gedekte schade van Sabic als gevolg van gebeurtenis 1 voor vergoeding in aanmerking komt.

LYONDELL

2.41.

Odfjell heeft met Lyondell op 28 augustus 2007 een Umbrella Contract gesloten (productie 28 bij dagvaarding) waarin in belangrijke mate is afgeweken van de VOTOB-voorwaarden. Artikel 7 bepaalt dat een beperking geldt voor aansprakelijkheid voor directe schade tot € 2.500.000,-. Aansprakelijkheid voor directe schade geldt reeds in geval van ‘a circumstance attributable to’ Odfjell (artikel 7.1 sub c). Gevolgschade is uitgesloten behoudens in geval van opzet of grove schuld. De artikelen 58.1 en 58.2 van de VOTOB-voorwaarden zijn buiten toepassing gesteld. Voorts hebben Odfjell en Lyondell op 26 maart 2013 een Product Agreement gesloten (productie 29 bij dagvaarding) waarin een specifieke regeling is opgenomen voor de vergoeding van overliggelden, welke vergoeding gemaximeerd is tot € 134.000,- per jaar (artikel 15).

2.42.

Voor de hoogte van de schade sluit Odfjell aan bij een door Cunningham Lindsey opgemaakt rapport (productie 35 bij dagvaarding) nadat Lyondell haar schade had laten berekenen door Crawford. Lyondell heeft de volgende directe kosten geclaimd:

  • -

    extra transportkosten: Lyondell heeft extra transportkosten geclaimd vanwege het verplaatsen van de MTBE-productie naar Rotterdam, terwijl de meeste MTBE-klanten van Lyondell dichter bij de Franse faciliteit zaten. Dit kan beschouwd worden als schadebeperkende maatregel ter voorkoming van directe kosten,

  • -

    extra kosten gerelateerd aan ethanol:

• overliggelden ad € 29.952,- (volgens Cunningham Lindsey onderbouwd met facturen)

• extra transportkosten omdat ethanol door Lyondell's leverancier Tereos vervoerd moest worden naar Fos in plaats van naar Rotterdam ad € 1.528.000,-

• alternatieve opslag voor een vracht ethanol ad € 8.003,-

• extra transportkosten om de ethanol uit Rotterdam te vervoeren naar Fos (€ 643.861,-)

• swap kosten: in plaats van ethanol te vervoeren van Rotterdam naar Fos is voor een deel besloten ethanol in Rotterdam te verkopen en in Fos aan te kopen. Dat was namelijk goedkoper dan vervoeren. Hiermee is de schade beperkt: schade die eigenlijk ruim € 150.000,- aan transportkosten geweest zou zijn, bedroeg uiteindelijk € 119.240,-

• extra transportkosten vanwege aankoop van ethanol voor Fos ad € 220.159,-

in totaal € 2.523.056,-.

  • -

    extra kosten gerelateerd aan methanoldoorvoer: kosten voor de hogere methanoldoorvoer op de plant in Rotterdam, ad € 314.000,- aan reeds gemaakte kosten en ad € 248.000,- aan geprognotiseerde kosten. Odfjell heeft deze kosten niet vergoed;

  • -

    extra opslagkosten: € 346.000,- direct na de sluiting van Lyondell's tanks; € 296.000,- voor de opslag vanaf mei 2013 en € 525.000,- aan geprognotiseerde kosten vanaf december 2013. Kosten voor alternatieve opslag heeft Odfjell beschouwd als directe kosten waarvoor zij – zeker onder het ruime aansprakelijkheidsregime van de overeenkomsten met Lyondell – hoe dan ook aansprakelijk zou zijn, en deze heeft zij derhalve vergoed;

  • -

    extra kosten gerelateerd aan methanol: € 349.000,- aan extra transportkosten, in rekening gebracht door de leverancier van methanol, die zijn methanol ineens niet naar Fos maar naar Rotterdam moest vervoeren;

  • -

    kosten voor aanpassing van de plant in Rotterdam om deze geschikt te maken voor methanol: € 189.000,-

  • -

    overliggelden: € 41.000,-

  • -

    extra kosten omdat Lyondell ten behoeve van de switch MTBE op de open markt heeft moeten aankopen en verkopen: € 21.008,-.

Het geschil is uiteindelijk geschikt voor een lumpsum bedrag van € 2.000.000,- omdat dit bij benadering het bedrag was van de schadeposten waarvan Odfjell zelf oordeelde dat deze in ieder geval voor vergoeding in aanmerking kwamen. Daarnaast is het bij benadering het bedrag aan gerealiseerde kosten zoals vastgesteld door Cunningham Lindsey.

2.43.

Volgens Verzekeraars ziet de Lyondell-claim niet op enige directe schade. Verzekeraars betwisten dat extra kosten voor transport, opslag en overliggelden als directe schade gekenmerkt kunnen worden. Het betreft steeds gevolgschade. Gevolgschade is contractueel uitgesloten behoudens in geval van opzet of grove schuld zijdens Odfjell. De uitsluiting van aansprakelijkheid ex artikel 57 aanhef en lid 2 VOTOB-voorwaarden inzake overliggelden is van toepassing. Bewijsstukken van de schadeclaims ontbreken. De bedragen die door Odfjell als ‘geprognotiseerde kosten’ worden vermeld, zijn bovendien hoe dan ook niet toewijsbaar. Inmiddels kan verwacht worden dat meer beschikbaar is dan een prognose en deze posten zijn oncontroleerbaar. Verzekeraars bestrijden daarom dat zij gehouden kunnen worden dergelijke kosten te dekken.

2.44.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals reeds overwogen in r.o. 2.20 volgt de rechtbank Verzekeraars niet in hun verweer dat kosten voor transport, opslag en overliggelden niet als directe schade gekenmerkt kunnen worden. Ter zake het verweer over de exoneratie voor opslagkosten en overliggelden verwijst de rechtbank naar wat daarover in r.o. 2.21 en verder is overwogen. De VOTOB-voorwaarden staan dan ook niet aan dekking in de weg. Voor zover Verzekeraars nog betogen dat zij in hun belangen zijn geschaad nu Odfjell met Lyondell een schikking heeft getroffen zonder dat Verzekeraars daarbij zijn betrokken, verwijst de rechtbank naar wat daarover in r.o. 2.15 is overwogen. Bovendien heeft Odfjell met het rapport van Cunningham Lindsey gemotiveerd onderbouwd op welke wijze zij tot het schikkingsbedrag is gekomen en onderbouwd dat dit geen onredelijke afdoening is van de claim van Lyondell. De rechtbank stelt in dit kader ook vast dat het betaalde bedrag blijft binnen de met Lyondell overeengekomen aansprakelijkheidslimiet.

Dan resteert de vraag welke schade in causaal verband staat met gebeurtenis 1 en welke schade met gebeurtenis 2. De rechtbank leidt uit de door Odfjell opgestelde tabel op pagina 16 en 17 van haar Notitie (productie 125 bij de akte van Odfjell van 3 juni 2020) af dat tanks 517-519 op terrein 3-A op 1 augustus 2012, dus na gebeurtenissen 1 en 2, nog goed gevuld waren en pas leeg waren in de periode van 27 augustus tot en met 11 september 2012. Op grond van deze tabel, en bij gebrek aan andersluidende stellingen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de schade met betrekking tot deze tanks in causaal verband staat met de onder de verzekering gedekte gebeurtenissen. Uit dit schema leidt de rechtbank voorts af dat tanks 801-803 op terrein 13-B wel geleegd moesten worden naar aanleiding van gebeurtenis 1 en de daarmee gepaard gaande schade dus in causaal verband staat met die gebeurtenis. De rechtbank maakt uit het voornoemd schema op dat gebeurtenis 2 in het geheel geen schade heeft veroorzaakt.

Indien de schadeclaim van Lyondell door een rechtbank was beoordeeld, had de rechtbank, bij gebrek aan een verdere duiding van de gevorderde schadeposten in tijd en aan leeg te maken tanks, de met gebeurtenis 1 verband houdende schade naar verwachting schattenderwijs vastgesteld. Daarbij zou het in de rede hebben gelegen om bij deze schatting uit te gaan van het aantal kilogram product dat zich in tanks 801-803 bevond op 1 juni 2012 in vergelijking met het totaal aantal kilogram product van Lyondell in alle zes de tanks, waarbij de rechtbank voor tanks 517-519 uit zou gaan van de inhoud van die tanks per 1 juli 2012. Deze benadering zal de rechtbank ook in dit geschil hanteren, hetgeen leidt tot de volgende berekening: totaal aantal kilogram product in de 6 tanks = 12.922.607 kg, waarvan 1.783.498 kg in tanks 801-803 zat. Dit komt neer op 13,8% van het totaal.

Uitgaande van het schikkingsbedrag van € 2.000.000,-, is een bedrag van € 276.027,50 toewijsbaar als in de schikking begrepen vergoeding wegens gedekte schade als gevolg van gebeurtenis 1.

INTERCHEM

2.45.

Odfjell en Interchem zijn een Storage Agreement aangegaan op 6 december 2010 (productie 69 bij dagvaarding) en een PID Agreement op 20 juni 2012 (productie 70 bij dagvaarding). Op beide overeenkomsten zijn de VOTOB-voorwaarden van toepassing verklaard.

2.46.

Interchem had een vordering van € 1.500.000,- ingediend bij Odfjell. Dit bedrag is gebaseerd op de kosten voor alternatieve benzeenopslag voor 29 maanden, wat inclusief overtime zou neerkomen op € 1.424.080,-. Uit de tussen Odfjell en Interchem gesloten vaststellingsovereenkomst (productie 71 bij dagvaarding) blijkt dat de kosten voor alternatieve storage als gevolg van gebeurtenis 2 zijn afgerond op € 500.000,-, welk bedrag Odfjell van Verzekeraars vordert.

2.47.

Verzekeraars hebben aangevoerd dat Interchem een VOTOB-klant is en dat niet duidelijk is of het een ‘gebeurtenis 2-claim’ betreft. Uit de tabel op pagina 20 van de Notitie (productie 125 bij de akte van Odfjell van 3 juni 2020) blijkt dat de Interchem-tanks leeg werden gemaakt naar aanleiding van gebeurtenis 1 op 18 juni 2012. Verzekeraars kunnen voorts niet inzien waarom in de claimopstelling in redelijkheid rekening zou moeten worden gehouden met de gevolgschade van 29 maanden voor alternatieve kosten. Verzekeraars betwisten dat een zo lange periode een redelijke basis vormt voor de claim van Interchem jegens Odfjell. Waarschijnlijk heeft het ermee te maken dat, zoals Odfjell erkent, Interchem een zeer belangrijke PID-klant voor Odfjell was. Dit was kennelijk leidend in de acceptatie door Odfjell van claims waartegen zij zich kon verweren.

2.48.

De rechtbank overweegt dat uit de door Odfjell in het geding gebrachte vaststellingsovereenkomst met Interchem blijkt dat zij (onder meer) voor alternatieve opslag een bedrag van € 500.000,- heeft betaald, ongeveer een derde van de claim. Het door Odfjell aan Interchem betaalde bedrag houdt volgens Odfjell verband met gebeurtenis 2. Dit wordt echter niet ondersteund door de tabel op pagina 20 van de Notitie (productie 125 bij de akte van Odfjell van 3 juni 2020) en de data waarop de tanks leeg waren. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat Odfjell per abuis heeft gesteld dat de schade verband houdt met gebeurtenis 2 en dat is bedoeld gebeurtenis 1.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, staan de VOTOB-voorwaarden niet aan vergoeding van een bedrag aan alternatieve opslagkosten in de weg.

2.49.

Dan komt de rechtbank toe aan de vraag of Verzekeraars het volledig door Odfjell betaalde bedrag van € 500.000,- aan alternatieve opslagkosten dienen te vergoeden, danwel een deel van dat bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank zou een beroep van Odfjell jegens Interchem op de aansprakelijkheidslimiet van artikel 58 VOTOB-voorwaarden van f 1.000.000,-, dus € 454.070,-, gelet op de maatstaf uit r.o. 2.18, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn geweest. Daarvoor is relevant dat het gaat om een beding dat in niet mis te verstane bewoordingen de aansprakelijkheid voor de vergoedbare schade onder de Storage Agreement maximeert tot het genoemde bedrag. Van belang is dat een dergelijke maximering van aansprakelijkheid, zo staat onbetwist tussen partijen vast, in de branche gebruikelijk is. Gelet op deze omstandigheden is er geen aanleiding om aan te nemen dat de limiet niet in rechte stand zou houden.

Per saldo gaat het dus om een schikking ter zake van gedekte schade, die aanmerkelijk beneden het gevorderde bedrag ligt, zodat niet aannemelijk is dat daarin nog een relevant commercieel element is verdisconteerd zodat de verweren van Verzekeraars op dat punt falen.

2.50.

Het vorengaande betekent dat een bedrag van € 454.070,- als schikkingsbedrag wegens gedekte schade van Interchem als gevolg van gebeurtenis 1 voor vergoeding in aanmerking komt.

EASTMAN

2.51.

Odfjell is met Eastman een Storage Agreement aangegaan per december 2004 (producties 37 bij dagvaarding). Op deze overeenkomst zijn de VOTOB-voorwaarden van toepassing verklaard.

2.52.

Uit een memo dat Odfjell als productie 42 bij dagvaarding in het geding heeft gebracht blijkt van kosten ad € 61.000,- die in rekening zijn gebracht voor alternatieve opslag van Solvenol. Daarnaast is alternatieve opslag gehuurd van Haulier De Rijke voor Solvenol voor een bedrag van € 75.500,- en blijkt van ongeveer € 50.000,- waardevermindering van Solvenol omdat deze niet gedestilleerd kon worden, in totaal derhalve € 186.500,- aan directe kosten als gevolg van gebeurtenis 2.

2.53.

Verzekeraars hebben ter zake de productschade te kennen gegeven dat niet duidelijk is hoe het bedrag van € 50.000,- tot stand is gekomen en dat ieder bewijsstuk, iedere factuur of ieder expertiserapport ontbreekt. Voorts achten zij het opvoeren van productschade tardief.

2.54.

De rechtbank overweegt dat Odfjell, anders dan Verzekeraars aanvoeren, met productie 42 bij dagvaarding voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een waardevermindering van € 50.000,- van Solvenol. Productie 42 bevat een memo waaruit blijkt (pagina 5 van 7) dat Eastman genoodzaakt was de Solvenol voor een lagere prijs te verkopen omdat deze niet gedestilleerd kon worden. Deze schade is derhalve als directe schade gedekt onder de verzekering. De rechtbank gaat ook voorbij aan het verweer van Verzekeraars dat de stelling van Odfjell dat sprake is van product- en dus zaakschade, tardief is, nu uit productie 42 reeds bleek dat zaakschade was gevorderd door Eastman en verdisconteerd in de schikking.

Nu hiervoor reeds is overwogen dat, mits aan alle voorwaarden is voldaan, schade wegens alternatieve opslagkosten gedekt is onder de verzekering en Verzekeraars niet gemotiveerd hebben betwist dat Odfjell deze kosten (€ 61.000,- en € 75.500,-) aan Eastman verschuldigd was, komt ter zake Eastman een bedrag van € 186.500,- als schikkingsbedrag wegens gedekte schade als gevolg van gebeurtenis 2 voor vergoeding in aanmerking.

NESTE OIL

2.55.

Met Neste Oil heeft Odfjell op 13 december 2011 een Storage Agreement gesloten. Hierop zijn de VOTOB-voorwaarden van toepassing verklaard.

2.56.

Neste Oil heeft bij Odfjell een factuur ingediend wegens alternatieve opslag. Deze factuur (van Interstream Barging) ter hoogte van € 28.699,46, is door Odfjell in het geding gebracht als productie 49 bij dagvaarding. De tanks van Neste Oil waren gevuld met ETBE en moesten volgens Odfjell worden leeggemaakt als gevolg van gebeurtenis 2. De factuur ziet op huur van alternatieve opslag op een schip in de periode van 20 tot en met 31 juli 2012.

2.57.

Verzekeraars betwisten dat de factuur van Interstream Barging ziet op zuivere vermogensschade van Neste Oil waarvoor Odfjell jegens Neste Oil aansprakelijk is en wordt/werd gehouden. Van enige vergoeding door Odfjell aan Neste Oil blijkt niet. Het betreft door Odfjell zelf gemaakte kosten. Bovendien ziet de factuur op een periode van 20 tot en met 31 juli 2012 zodat de alternatieve opslaghuur niet het gevolg kan zijn van een aanzegging per 24 juli 2012 (gebeurtenis 2).

2.58.

De rechtbank constateert dat Odfjell de factuur in de dagvaarding heeft opgevoerd als bereddingskosten. In het tussenvonnis van 24 april 2019 is overwogen dat de geleden schade niet kwalificeert als bereddingskosten. Thans stelt Odfjell zich op het standpunt dat de tanks van Neste Oil leeggemaakt moesten worden als gevolg van gebeurtenis 2. Daarmee valt echter niet te rijmen dat de factuur van Interstream Barging betrekking heeft op een periode die aanvangt op 20 juli 2012. Deze gestelde schade staat dan ook niet in causaal verband met gebeurtenis 2. Bovendien past de datering van de factuur (31 juli 2012) niet bij de schade zoals Odfjell die opvoert. Het gevorderde bedrag van € 28.699,46 komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 5.5.1.2 verzekeringsvoorwaarden niet van toepassing

2.59.

De door Odfjell per klant gevorderde bedragen die op grond van wat hiervoor is overwogen niet toewijsbaar zijn, zijn evenmin toewijsbaar op grond van artikel 5.5.1.2 van de verzekeringsvoorwaarden. Het betreft immers geen extra kosten die door of namens Odfjell moesten worden gemaakt krachtens wettelijk voorschrift of op last van de overheid, dan wel vanwege noodzakelijke veiligheidsmaatregelen.

2.60.

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de betaalde bedragen niet kunnen worden aangemerkt als ‘extra kosten’ als bedoeld in artikel 5.5.1.3 van de verzekeringsvoorwaarden (extra kosten gemaakt door verzekerde als gevolg van het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden, dan wel tot enige andere prestatie die hiervoor in de plaats treedt). Odfjell heeft, zo stelt zij, vrijwel geen extra kosten gemaakt voor het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van haar werkzaamheden. In plaats daarvan heeft zij in veel gevallen een of enkele maanden aan tankhuur aan haar klanten gecrediteerd. De vraag of de door Odfjell aan derden betaalde bedragen als kosten uit hoofde van voornoemd artikel kunnen worden aangemerkt, vormt dan ook geen onderwerp van debat meer.

2.61.

Hetgeen hiervoor ten aanzien van de schadeomvang is overwogen, is in het volgende overzicht samen te vatten:

Claimant Gebeurtenis 1 Gebeurtenis 2

Shell € 427.511,24 € 293.764,25

Sabic € 604.500,- --

Lyondell € 276.027,50 --

Interchem € 454.070,- --

Eastman -- € 186.500,-

Neste Oil -- --

Totaal € 1.762.108,74 € 480.264,25

Op voornoemde bedragen dient het eigen risico van € 10.000,- per aanspraak (waarbij de rechtbank gebeurtenis 1 en 2 als afzonderlijke aanspraken kwalificeert) in mindering te worden gebracht zodat ter zake gebeurtenis 1 een bedrag van € 1.752.108,74 en ter zake gebeurtenis 2 een bedrag van € 470.264,25 zal worden toegewezen.

Juridische kosten

2.62.

Partijen zijn bij tussenvonnis van 24 april 2019 in de gelegenheid gesteld het debat over de door Odfjell gevorderde juridische kosten te vervolgen. De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis overwogen dat in dit debat moeten worden betrokken die feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de kosten van verweer c.q. rechtsbijstand zijn gemaakt ten gevolge van gebeurtenis 1 dan wel gebeurtenis 2. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het debat moet worden betrokken wat het gevolg moet zijn van de prioriteitenbepaling in de polis, die inhoudt dat als er sprake is van tegenstrijdigheden in de tekst van de verzekeringsovereenkomst de clausules vóór de verzekeringsvoorwaarden gaan.

2.63.

Odfjell heeft, in aanvulling op hetgeen zij in haar processtukken voorafgaand aan het tussenvonnis ten aanzien van de juridische kosten heeft aangevoerd, het volgende nader toegelicht. Verzekeraars zijn van meet af aan geïnformeerd en betrokken geweest. De advocaat van Odfjell heeft met instemming van Verzekeraars de belangen van Odfjell vertegenwoordigd. Verzekeraars kunnen zich er dan ook niet op beroepen dat de schaderegelingsprocedure van artikel 7.2 van de verzekeringsvoorwaarden TA070-01/1 niet in acht is genomen. Ten aanzien van clausule TA071-047 verzuimen Verzekeraars aan te geven waarop zij de stelling gronden dat deze kosten alleen dan worden vergoed indien deze met instemming van Verzekeraars zijn gemaakt. Deze voorwaarde volgt niet uit de clausule. Kosten van rechtsbijstand tegen aanspraken zijn gedekt, ook al blijken deze ongegrond, en ongeacht of sprake is van een onder de polis gedekte aanspraak of gebeurtenis (vide artikel 7.3.2.2 van de verzekeringsvoorwaarden, dan wel bijzondere clausule TA071-047). Subsidiair stelt Odfjell zich op het standpunt dat de instemming impliciet is gegeven. Voorts kunnen de gemaakte kosten niet eenvoudig per gebeurtenis worden uitgesplitst en wordt niet toegekomen aan de prioriteitenbepaling aangezien er geen sprake is van tegenstrijdigheden.

2.64.

Verzekeraars hebben, in aanvulling op hetgeen zij eerder hebben aangevoerd omtrent de gevorderde juridische kosten, hun standpunt als volgt toegelicht. Het is gebruikelijk dat de verzekerde via de makelaar een schade meldt, dat Verzekeraars aan de makelaar opdracht geven om (zo zij dat wensen) een expert en/of advocaat in de arm te nemen en verder het voortouw nemen in de behandeling van de schade. Reeds op 20 augustus 2012 hebben Verzekeraars volgens dat gebruik via [naam bedrijf] mr. de Haan aangesteld als hun advocaat. Dat was direct bij Odfjell en haar advocaat bekend. Verzekeraars hebben al vroeg een voorbehoud met betrekking tot de dekking gemaakt. Indien sprake is van een gedekte aansprakelijkheid wijzen Verzekeraars in de regel namens verzekerde een advocaat aan. Dat is in het geval van Odfjell niet gebeurd. Odfjell koos ervoor met een eigen advocaat te werken zonder dit met Verzekeraars te overleggen. Dit staat haar vrij, maar betekent niet dat deze advocaat haar gang mocht gaan zonder dat zij of Odfjell Verzekeraars volledig informeerden als bedoeld in artikel 7.1 tot en met 7.2.2 TA070-01/1 van de verzekeringsvoorwaarden. Het betekent evenmin dat de advocaat van Odfjell ervan uit mocht gaan dat zij steeds met instemming van Verzekeraars de belangen van Odfjell vertegenwoordigde. Artikel 7.1.3 TA070-01/1 legt op de verzekerde de verplichting om Verzekeraars gevraagd of ongevraagd alle inlichtingen te geven die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van aansprakelijkheid. Odfjell diende dus steeds zelf informatie aan Verzekeraars te verschaffen. Dit heeft zij niet gedaan. Daarnaast is Odfjell er niet in geslaagd om te bewijzen dat de gevorderde kosten samenhangen met (verweer tegen) een claim wegens een gedekte gebeurtenis en heeft zij advocaatkosten opgevoerd die aantoonbaar niets met het onderhavige geschil te maken hebben (onder andere de kwesties Kolmar Group AG, Euro Maroc Phosphore en Mercon Steel Structures BV). Verzekeraars menen dan ook niet gehouden te zijn tot vergoeding van het door Odfjell gevorderde bedrag. Voor zover Verzekeraars wel gehouden zijn kosten van rechtsbijstand te vergoeden, geldt een begrenzing van maximaal € 10.000,- per geschil, derhalve in dit geval maximaal € 60.000,-. Zijn er per geschil minder advocaatkosten gemaakt, dan geldt het mindere en niet € 10.000,-.

2.65.

De rechtbank overweegt als volgt.

Dat Odfjell juridische kosten in verband met de claims van haar klanten heeft gemaakt is niet gemotiveerd bestreden, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Ten aanzien van de tegenstrijdigheid tussen de verzekeringsvoorwaarden 7.2 en 7.3 enerzijds en clausule TA071-047 anderzijds overweegt de rechtbank dat uit de verzekeringsvoorwaarden volgt dat Verzekeraars enkel gehouden zijn tot betaling van de gemaakte kosten van verweer tegen aanspraken van derden (artikel 7.3.2.2) wanneer de procedure van artikel 7.2 is gevolgd. Clausule TA071-047 stelt echter niet de voorwaarde dat instemming van Verzekeraars is vereist alvorens kosten van rechtsbijstand van verzekerde worden gedekt. Omdat clausules vóór verzekeringsvoorwaarden gaan, komen de juridische kosten van Odfjell op grond van voornoemde clausule voor vergoeding in aanmerking. Voorts volgt de rechtbank Verzekeraars, gelet op de bewoordingen van voornoemde clausule, niet in hun verweer dat de clausule maximaal € 10.000,- per geschil dekt en dat vastgesteld moet worden welke kosten daadwerkelijk per geschil zijn gemaakt. Ingevolge lid 3 van de clausule bedraagt het verzekerde bedrag voor de dekking immers € 10.000,- per geschil. De uitleg van Odfjell dat hier in feite een forfaitaire vergoeding is voorzien, is redelijk. Op Odfjell rust echter wel de verplichting om onderbouwd te stellen om hoeveel geschillen in de zin van de polis het gaat. Odfjell heeft gesteld dat sprake was van 24 claims en derhalve 24 geschillen in de zin van clausule TA071-047, zodat een bedrag van € 240.000,- aan juridische kosten voor vergoeding in aanmerking komt. Zij heeft die stellingen echter niet nader toegelicht, ook niet na daartoe bij het tussenvonnis te zijn uitgenodigd. Tot de door Odfjell genoemde kosten in randnummer 127 van de dagvaarding van € 211,924,58 behoren blijkens de facturen kosten die duidelijk zien op andere geschillen. Vast staat slechts in zeven gevallen (de zes hiervoor en Silcompa) dat sprake was van een geschil. Dat betekent, dat € 70.000,- voor vergoeding onder de polis in aanmerking komt.

Buitengerechtelijke kosten

2.66.

Odfjell vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het gevorderde bedrag van € 6.775,- zal, als niet weersproken, worden toegewezen.

Wettelijke rente

2.67.

Odfjell vordert wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom vanaf de respectievelijke data dat Odfjell door haar klanten aansprakelijk is gesteld. Verzekeraars hebben hiertegen aangevoerd dat de wettelijke rente niet eerder kan zijn ingegaan dan vanaf de datum dat Odfjell jegens Verzekeraars aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van gesubstantieerde bedragen onder de polis. Dat is voor het eerst op 15 december 2014 gebeurd via het memorandum van de advocaten van Odfjell, aldus Verzekeraars. De rente zal dan ook vanaf die dag worden toegewezen.

2.68.

De wettelijke rente over de kosten van rechtsbijstand vordert Odfjell vanaf het moment dat Odfjell deze bedragen aan haar advocaat verschuldigd is geraakt. Nu pas bij dagvaarding aanspraak op uitkering onder clausule TA071-047 van de polis is gemaakt zal de rechtbank die datum aanhouden.

Proceskosten

2.69.

Verzekeraars zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Odfjell worden begroot op:

- dagvaarding € 80,42

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat € 15.996,00 (4 punten × tarief € 3.999,00)

Totaal € 19.970,42

Er is geen grond voor hoofdelijke veroordeling van Verzekeraars; zij dienen naar rato van hun aandeel op de polis bij te dragen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt gedaagde sub 1 om aan Odfjell te betalen 40% van de navolgende bedragen, en veroordeelt gedaagden sub 2 t/m 7 ieder om aan Odfjell te betalen 10% van de navolgende bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 15 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening:

t.a.v gebeurtenis 1:

- een bedrag van € 1.752.108,74

en

t.a.v. gebeurtenis 2:

- een bedrag van € 470.264,25;

3.2.

veroordeelt gedaagde sub 1 om aan Odfjell te betalen ter zake kosten van verweer dan wel kosten van rechtsbijstand 40% van € 70.000,- en veroordeelt gedaagden sub 2 t/m 7 ieder om aan Odfjell te betalen 10% van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt Verzekeraars naar rato van hun hiervoor vermelde aandeel op de polis, om aan Odfjell te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 6.775,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.4.

veroordeelt Verzekeraars naar rato van hun hiervoor vermelde aandeel op de polis in de proceskosten, aan de zijde van Odfjell tot op heden begroot op € 19.970,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot de dag der algehele voldoening;

3.5.

veroordeelt Verzekeraars naar rato van hun hiervoor vermelde aandeel op de polis, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Verzekeraars niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.F. Koekebakker en mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.1

1 801/3078/106/1582/2054