Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:13211

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2021
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
607778 HA ZA 20-1092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boedelverdeling. Tussenvonnis. Het gezamenlijke huis wordt aan de vrouw toebedeeld en zij moet de gezamenlijke leningen overnemen. Aanhouding verdere beslissingen voor verstrekking nadere informatie. Bepaling nieuwe mondelinge behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer: 607778 HA ZA 20-1092

vonnis van 29 december 2021,

in de zaak van:

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. G.P. Jongeneel,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. E van Veen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 4 november 2020;

  2. de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie;

  3. de conclusie van antwoord in reconventie;

  4. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021;

  5. de akte overleggen producties van [persoon A] tevens vermeerdering van eis;

  6. de akte overleggen producties van [persoon B] tevens vermeerdering van eis;

  7. de overgelegde producties.

Vervolgens is de uitspraak van het vonnis nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1

Partijen hebben van 2015 tot 2019 een affectieve relatie met elkaar gehad. [persoon B] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie.

2.2

Partijen hebben in december 2018 samen een woning gekocht. Hiervoor hebben zij op 14 december 2018 een hypothecaire geldlening van € 330.000,- bij Tulpenhuis B.V. afgesloten. De woning is tussen december 2018 en september 2019 verbouwd. In oktober 2019 zijn partijen er samen gaan wonen. Een maand later, in november 2019, heeft [persoon A] de woning verlaten. [persoon B] en haar kinderen wonen nu nog in de woning.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1

[persoon A] vordert – na eiswijziging – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair de woning aan [persoon A] toe te delen met overname van de hypothecaire verplichtingen aan Tulpenhuis BV, de persoonlijke lening van Interbank en de lening van [persoon A] sr, onder de verplichting van [persoon B] aan [persoon A] te voldoen € 69.000,-;

II. [persoon B] te veroordelen aan [persoon A] binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van € 100,- per dag voor iedere dag, die zij in gebreke mocht blijven aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, af te geven:
- de onderdelen van de aan [persoon A] in eigendom toebehorende jacuzzi;
- de kleding van [persoon A] ;

III. [persoon B] te veroordelen aan [persoon A] te voldoen het door haar hoofdelijk voor de helft bij te dragen bedrag met renten en kosten in de gerechtelijke procedure bekend onder zaakkenmerk [zaakkenmerk] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. [persoon B] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2

[persoon B] heeft verweer gevoerd. Zij vindt dat de vordering van [persoon A] moet worden afgewezen en dat hij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

4. De vordering en het verweer in reconventie

4.1

[persoon B] vordert – na eiswijziging – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) Hardinxveld-Giessendam aan de [adres] met de daaraan gekoppelde hypotheek aan [persoon B] wordt toegedeeld voor een waarde van € 330.000,-, althans subsidiair waarbij de waarde wordt vastgesteld op een bedrag van maximaal € 350.000,-;

II. te bepalen dat de schuld bij de ouders van [persoon B] ad € 24.500,- aan [persoon B] wordt toebedeeld, onder de verplichting van [persoon A] om de helft hiervan aan [persoon B] te vergoeden;

III. te gelasten dat [persoon A] meewerkt aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan [persoon B] telkens binnen een termijn van 14 dagen nadat hem daaromtrent door de notaris schriftelijk, bij aangetekende brief, is gevraagd;

IV. te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaring van [persoon A] indien hij niet meewerkt aan de overdracht;

V. te bepalen dat de persoonlijke lening bij Interbank zal worden verdeeld c.q. verrekend in de verhouding 28,57% voor [persoon B] en 71,43% voor [persoon A] , met dien verstande dat [persoon B] ter zake van deze lening maximaal een bedrag van € 9.385,96 zal dragen;

VI. [persoon A] te veroordelen om aan eiseres in reconventie te voldoen tegen algeheel bewijs van kwijting een bedrag van € 18.471,94, te vermeerderen met de helft van de kosten vanaf juni 2021 tot het moment waarop de woning is overgedragen aan [persoon B] , zijnde € 628,37 per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van heden tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. [persoon A] te veroordelen in de proceskosten en nakosten;

VIII. [persoon A] te veroordelen om aan [persoon B] te voldoen een bedrag gelijk aan de helft van de eventuele hoofdelijke veroordeling in de gerechtelijke procedure bekend onder zaakkenmerk [zaakkenmerk] , te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten daarover met de wettelijke rente en kosten daarover met ingang van de datum van deze eventuele veroordeling tot de dag der algehele voldoening.

4.2

[persoon A] heeft verweer gevoerd. Hij vindt dat de vordering van [persoon B] moet worden afgewezen en dat zij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

5. De beoordeling

De eiswijzigingen worden toegestaan

5.1

Partijen hebben beiden hun eis gewijzigd. De rechtbank acht deze wijzigingen niet in strijd met een goede procesorde, aangezien partijen op grond van artikel 130 Rv bevoegd zijn om hun eis en de gronden daarvan te veranderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen.

5.2

[persoon A] heeft nog niet kunnen reageren op de laatste akte van [persoon B] . De rechtbank acht het gewenst om een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen waarbij [persoon A] op de akte van [persoon B] kan reageren en mede omdat gekeken kan worden of partijen niet alsnog tot een schikking kunnen komen. De rechtbank zal nu echter al zoveel als mogelijk beslissen.

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt

5.3

[persoon B] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen al overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning. De rechtbank gaat daar niet in mee. Er is pas sprake van overeenstemming als partijen er over en weer op mochten vertrouwen dat zij een afspraak hadden. Dat is hier niet het geval, althans daarvoor heeft [persoon B] onvoldoende gesteld. Dat partijen op bepaalde punten het misschien al eens waren, betekent niet dat er al overeenstemming was nu zij het over andere belangrijke punten duidelijk nog niet eens waren. Bij een verdeling hangt het een en ander zo met elkaar samen dat de verschillende onderdelen niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Ten aanzien van de woning hebben partijen een gemeenschap

5.4

Partijen zijn samen eigenaar van een woning. Ten aanzien van de woning is daarom sprake van een eenvoudige gemeenschap zoals bedoeld in de wet.1 Aangezien de relatie tussen partijen is verbroken moet de woning worden verdeeld. Aangezien de woning in praktische zin niet kan worden opgedeeld, moet de woning aan één van partijen worden toebedeeld of verkocht.

Schulden kunnen niet worden verdeeld, wel worden toegerekend

5.5

Partijen hebben ook schulden waarvoor zij mogelijk samen c.q. hoofdelijk aansprakelijk zijn. Partijen vorderen verdeling van een aantal schulden. De rechtbank begrijpt dat partijen toerekening van die schulden vorderen.2 Slechts goederen kunnen volgens de wet verdeeld worden. Goederen zijn: zaken en rechten. Een schuld valt daar niet onder.

Inboedelgoederen

5.6

Partijen zijn mogelijk ook gezamenlijk eigenaar van een inboedel. Als dat zo is dan is ook ten aanzien van de inboedel sprake van een gemeenschap en kan ook verdeling van de inboedel worden gevorderd. [persoon A] wenst wat betreft een aantal specifieke inboedelgoederen een bedrag van € 7.000,- te verrekenen. [persoon B] betwist dat sprake is van gemeenschappelijke inboedelgoederen en betwist het bedrag van € 7.000,-. Op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie, die tijdens de voortgezette comparitie kan worden verstrekt.

De woning wordt aan [persoon B] toebedeeld

5.7

De woning zal op grond van 3:185 lid 1 BW aan [persoon B] worden toebedeeld. Anders dan [persoon A] is [persoon B] geworteld in de buurt waar de woning ligt. Zij is daar opgegroeid en haar familie woont in dezelfde straat. Aangezien de kinderen al vanaf het begin van het schooljaar 2019-2020 in Hardinxveld naar school gaan en sinds oktober 2019 in de woning wonen, zijn ook zij geworteld in de buurt. [persoon A] heeft bovendien momenteel een huurwoning waar hij samenwoont met zijn partner. Hij heeft niet gesteld dat hij verwacht deze woning binnenkort te moeten verlaten. Hoewel partijen gezamenlijk bijna een jaar aan het huis hebben geklust heeft [persoon A] er slechts één maand gewoond. Het belang van [persoon B] weegt daarom zwaarder.

5.8

De vordering van [persoon A] om de woning aan hem toe te bedelen wordt dus afgewezen. De vordering van [persoon B] om de woning aan haar toe te bedelen wordt toegewezen, zij het zoals hierna vermeld en op de hierna te noemen voorwaarden.

[persoon B] moet in beginsel een vergoeding betalen wegens overbedeling

5.9

Aangezien de woning aan [persoon B] wordt toebedeeld, wordt zij overbedeeld zoals bedoeld in artikel 3:185 lid 2 onder b BW. [persoon B] krijgt immers de gehele woning en [persoon A] krijgt niets. Partijen zijn voor de koop en verbouwing van de woning echter leningen aangegaan en van deze leningen moet nog een groot deel worden afgelost. Zoals reeds overwogen kan de rechter deze leningen toerekenen aan de ene of de andere partij en aldus bij de verdeling betrekken.

[persoon B] moet de leningen die zijn aangegaan voor de woning overnemen

5.10

Aan de toebedeling van de woning aan [persoon B] zal de voorwaarde worden verbonden dat [persoon B] [persoon A] laat ontslaan uit zijn verplichting tot terugbetaling van die leningen. Anders zou [persoon A] immers aansprakelijk blijven voor terugbetaling van leningen die waren bestemd voor de aankoop en verbouwing van een woning waarvan hij geen eigenaar meer is. Dat zou niet redelijk zijn.

5.11

Als [persoon B] de leningen overneemt, dan is de vergoeding die zij aan [persoon A] moet betalen in beginsel gelijk aan de helft van de overwaarde van de woning op het moment van de verdeling. De overwaarde is het verschil tussen de waarde van de woning en de nog openstaande leningen. Voor dit bedrag wordt [persoon B] dan immers daadwerkelijk overbedeeld.

De schuld aan Tulpenhuis B.V. wordt aan [persoon B] toegerekend

5.12

Partijen zijn het eens over de nog openstaande schuld aan Tulpenhuis B.V. Deze schuld zal aan [persoon B] worden toegerekend en zij deze moet overnemen. De hoogte van de schuld zal moeten worden vastgesteld op het moment van daadwerkelijke verdeling.

De schuld aan Interbank wordt ook aan [persoon B] toegerekend

5.13

Partijen zijn het niet eens over de schuld aan de Interbank. De rechtbank volgt [persoon A] op dit punt, zodat ook deze schuld aan [persoon B] zal worden toegerekend en zij deze moet overnemen.

5.14

De rechtbank stelt vast dat de lening was bedoeld voor de aanschaf en verbouwing van het huis. [persoon A] heeft immers aan de hand van bankafschriften laten zien dat op 11 september 2019 een van Interbank afkomstig bedrag van € 20.851,92 is ontvangen op de gezamenlijke rekening en dat op 17 september 2019 een bedrag van € 23.000,- aan de aannemer is betaald. Verder heeft [persoon A] met stukken onderbouwd dat van Interbank een bedrag van € 15.000,- is ontvangen op 28 november 2018 en dat daarna op 13 december 2018 een bedrag van € 18.529,12 aan de notaris is voldaan3. Hiertegenover heeft [persoon B] onvoldoende onderbouwd dat de geleende bedragen niet voor de aanschaf en de verbouwing van het huis zijn gebruikt.

5.15

Uit de e-mailberichten die partijen aan elkaar hebben verzonden volgt dat zij zijn uitgegaan van een verhouding 10 voor [persoon B] en 25 voor [persoon A] . Aangezien [persoon B] de lening nu echter geheel moet overnemen, lijkt de verhouding waarin zij onderling zouden moeten bijdragen minder van belang. Partijen kunnen zich hierover nog uitlaten.

De lening van de ouders van [persoon A] wordt niet betrokken bij de toerekening

5.16

[persoon A] stelt, althans lijkt te stellen, dat partijen hoofdelijk verbonden zijn om een lening aan zijn ouders terug te betalen. Deze lening zou zijn gebruikt voor de verbouwing van de woning en voor het betalen van de kosten van de overdracht. [persoon A] heeft echter niet gesteld hoe een en ander destijds is gegaan en wat partijen hierover onderling (impliciet) hebben afgesproken. Het enkele feit dat de ouders van [persoon A] geld hebben gegeven of rekeningen voor [persoon A] en [persoon B] hebben betaald, betekent nog niet dat deze bedragen ook moeten worden terugbetaald, laat staan dat [persoon B] en [persoon A] daarvoor samen c.q. hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dat is niet anders als [persoon B] van de betalingen op enig moment wel op de hoogte is geraakt. De gestelde lening zal daarom niet bij het vaststellen van een eventuele door [persoon B] aan [persoon A] te betalen vergoeding worden betrokken.

De lening van de ouders van [persoon B] wordt wel betrokken bij de toerekening

5.17

[persoon B] stelt op haar beurt dat partijen hoofdelijk verbonden zijn om een lening aan haar ouders terug te betalen. [persoon A] voert aan dat hij niet weet waar dit bedrag betrekking op heeft, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit zijn e-mail van 2 juli 20204 volgt dat hij van deze lening wel degelijk op de hoogte was. Daar schrijft hij immers dat hij het redelijk zou vinden dat zijn schuld komt te vervallen. Daar komt de schriftelijke verklaring van de ouders van [persoon B] bij, welke verklaring overeenkomt met de gang van zaken zoals ter zitting door [persoon B] naar voren is gebracht. Hiertegenover heeft [persoon A] zijn betwisting onvoldoende onderbouwd. Deze lening zal daarom ook bij de toerekening worden betrokken en door [persoon B] moeten worden overgenomen.

5.18

Partijen zijn het verder niet eens over de hoogte van de lening. [persoon A] mag in dat kader echter nog reageren op de laatste akte van [persoon B] . De beslissing hierover wordt dan ook aangehouden.

Tussenconclusie

5.19

[persoon B] zal de lening bij Tulpenhuis B.V., de lening bij Interbank en de lening bij haar ouders moeten overnemen. Dat betekent dat zij ervoor moet zorgen (en dat [persoon A] er zo nodig aan moet meewerken) dat [persoon A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen. Als [persoon B] er niet in slaagt om dit te bewerkstelligen, zal de woning moeten worden verkocht.

5.20

De overwaarde die [persoon B] in beginsel aan [persoon A] zal moeten betalen is de helft van het verschil tussen de waarde van de woning op het moment van verdeling en het totaal van de nog openstaande leningen met rente aan Tulpenhuis B.V., de Interbank en de ouders van [persoon B] . De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding om hiervan ten gunste van een van partijen af te wijken. [persoon B] heeft sinds partijen uit elkaar zijn weliswaar het grootste deel van de aflossing van de hypothecaire lening alleen betaald, maar daar staat tegenover dat zij ook het genot van de woning heeft gehad.

Om de waarde van de woning te kunnen vaststellen wordt een deskundige benoemd

5.21

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning. Daarom zal een deskundige worden benoemd om de waarde van de woning te taxeren. De deskundige zal als peildatum de datum van het eindvonnis aanhouden, aangezien de datum van verdeling als peildatum voor de waarde van de woning te gelden heeft, tenzij dit in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn. Van zulke omstandigheden is hier geen sprake.

De ‘regresvordering’ van [persoon B] wordt afgewezen

5.22

De vordering van [persoon B] met betrekking tot de door haar betaalde ‘dubbele’ woonlasten zal worden afgewezen. [persoon B] heeft onvoldoende toegelicht dat zij op grond van wat tussen partijen gold meer heeft betaald dan haar eigen deel. Voor de periode na het uit elkaar gaan geldt dat [persoon B] in de woning is gebleven zodat het redelijk is dat zij over die periode de kosten moet betalen. Dat partijen daarover andere afspraken hebben gemaakt, heeft zij onvoldoende onderbouwd.

5.23

Voor de periode voorafgaand aan het uit elkaar gaan heeft [persoon B] onvoldoende onderbouwd dat zij meer heeft betaald dan zij op grond van de (impliciete) afspraken tussen partijen moest betalen. Dat partijen uit elkaar zijn gegaan is daarbij in beginsel niet van belang.

De vorderingen met betrekking tot procedure [zaakkenmerk] worden over en weer toegewezen

5.24

Zoals reeds overwogen kan de rechtbank de schulden niet aan een van partij ‘toebedelen’. De schuldeiser kan partijen hoofdelijk blijven aanspreken, hetgeen betekent dat hij partijen allebei voor het gehele bedrag kan aanspreken. Als een van partijen in de onderlinge verhouding meer dan zijn of haar eigen aandeel aan de schuldeiser heeft voldaan, dan mag die partij wat hij te veel heeft betaald van de ander vorderen. Partijen kunnen dus pas een vorderingsrecht op de ander krijgen nadat zij meer dan hun eigen aandeel hebben betaald. Pas dan kunnen zij een vordering instellen tegen de ander.

5.25

Partijen lijken het erover eens dat zij de schuld aan de aannemer voor gelijke delen moeten dragen. De vorderingen van partijen met betrekking tot de procedure met zaaknummer [zaakkenmerk] zal dan ook over en weer worden toegewezen met dien verstande dat partijen worden veroordeeld iets aan de ander te betalen nadat zij zelf meer dan de helft hebben betaald.

[persoon B] moet zoeken naar de onderdelen van de jacuzzi

5.26

[persoon B] heeft aangevoerd dat [persoon A] moet bewijzen dat hij eigenaar van de jacuzzi is. Zij heeft echter in het geheel niet uitgelegd waarom hij niet de eigenaar zou zijn. Als er nog onderdelen van de jacuzzi in de woning liggen, dan moet [persoon B] deze onderdelen daarom aan [persoon A] teruggeven. Zij heeft in haar laatste akte geschreven dat zij niet weet of er nog onderdelen van de jacuzzi in de woning liggen. Zij wordt daarom opgedragen om nog eens goed naar de betreffende onderdelen te zoeken. Tijdens de mondelinge behandeling zal haar worden gevraagd of zij de onderdelen heeft gevonden.

De vordering van [persoon A] met betrekking tot de kleding wordt afgewezen

5.27

De vordering tot teruggave van de kleding van [persoon A] wordt afgewezen. [persoon A] heeft onvoldoende onderbouwd dat er nog kleding bij [persoon B] ligt. Hij heeft niet uitgelegd om welke kleding het precies gaat en waarop hij baseert dat de kleding nog bij [persoon A] ligt.

Er zal een nieuwe mondelinge behandeling worden bepaald

5.28

Partijen hebben met het voorgaande meer duidelijkheid gekregen. Het lijkt in het belang van partijen dat zij nu onderling afspraken maken over hoe de verdeling verder moet plaatsvinden zonder dat de kosten zullen oplopen. De rechtbank zal daarom een mondelinge behandeling bepalen zodat de laatste geschilpunten kunnen worden besproken en kan worden gekeken of partijen er verder onderling kunnen uitkomen.

5.29

Partijen wordt geadviseerd om zelf voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling de waarde van de woning te laten bepalen en zij dienen dan duidelijk te hebben welke schulden er nog openstaan ten aanzien van de hiervoor besproken leningen.

6. De beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 26 januari 2022 waarbij partijen zich mogen uitlaten over de voortzetting van de procedure en waarbij zij verhinderdata voor de vier maanden daarna moeten opgeven.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

3486/2839

1 Artikel 3:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2 Artikel 3:184 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3 Producties 14 tot en met 16 van [persoon A] , overgelegd bij akte overlegging producties tevens vermeerdering van eis.

4 Productie 1 van [persoon B] , overgelegd bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.