Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:13047

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-12-2021
Datum publicatie
03-01-2022
Zaaknummer
9218368 \ CV EXPL 21-16934
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achterstallige premiebedragen, incassokosten en rente zijn toewijsbaar. Eiseressen hebben reeds voldoende rekening gehouden met de gevolgen van Covid-19. Betalingsuitstel is slechts mogelijk met instemming van eiseressen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9218368 \ CV EXPL 21-16934

uitspraak: 31 december 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. de stichting

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

2. de stichting

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Carrosseriebedrijf,

gevestigd te Sassenheim,

3. de stichting

Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

4. de stichting

Stichting Private Aanvulling WW en WGA Metaal en Techniek,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[bedrijf A]

, voor 18 juni 2021 statutair genaamd de besloten vennootschap [bedrijf A1],

gevestigd te [plaats A] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als “PMT”, “OOC”, “SFM”, “SWWM” en “ [bedrijf A] ”. PMT, OOC, SFM en SWWM worden tezamen aangeduid als “de Fondsen”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 7 mei 2021 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met één productie;

  • -

    de eisvermindering van de Fondsen d.d. 20 mei 2021;

  • -

    het tussenvonnis d.d. 14 juni 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

  • -

    de brief d.d. 9 juli 2021 met producties van de Fondsen;

  • -

    de e-mail d.d. 14 juli 2021 met producties van [bedrijf A] .

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 20 juli 2021. Namens de Fondsen is verschenen de heer mr. J.J.F. de Geus als gemachtigde. Voorts is namens [bedrijf A] verschenen de heer [persoon A] . Partijen hebben ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. Door de Fondsen zijn daarbij nog nadere producties overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier. De kantonrechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de eerstvolgende lopende zakenrol ten einde partijen in de gelegenheid te stellen om in de tussenliggende periode een minnelijke oplossing te beproeven en zich op die lopende zakenrol bij akte uit te laten over het verdere verloop van de procedure.

1.3

Door de Fondsen is op de lopende zakenrol van 11 augustus 2021 een akte ingediend.

1.4

[bedrijf A] heeft daarop, hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld, op de rolzitting van 8 september 2021 niet meer gereageerd.

1.5

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[bedrijf A] is een werkgever in de metaal en technische bedrijfstak die valt onder de werkingssfeer van de Fondsen.

2.2

[bedrijf A] is gehouden jaarlijks aan de administrateur van de Fondsen opgave te doen van de bij haar in dienst zijnde werknemers, met de bij die werknemers behorende jaarsalarissen en naam, adres, woonplaats en geboortedatum.

2.3

Op grond van de van toepassing zijnde algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten en/of pensioenreglementen is [bedrijf A] gehouden om aan de Fondsen premiebijdragen te voldoen. De bijdragen worden geheven in vier kwartaaltermijnen.

3. De vordering in conventie en het verweer in reconventie

3.1

De Fondsen hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijf A] te veroordelen tot betaling aan:

I. PMT van een bedrag van € 63.404,59, vermeerderd met rente vanaf 17 maart 2021;

II. OOC van een bedrag van € 1.434,91, vermeerderd met rente vanaf 30 november 2020;

III. SFM van een bedrag van € 574,04, vermeerderd met rente vanaf 30 november 2020;

IV. SWWM van een bedrag van € 1.148,03, vermeerderd met rente vanaf 30 november 2020;

zulks met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van dit geding, vermeerderd met de omzetbelasting over de daarvoor in aanmerking komende kostenposten.

3.2

Aan de vordering hebben de Fondsen – samengevat weergegeven en voor zover hierna van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

Bij dagvaarding hebben de Fondsen gesteld dat [bedrijf A] de aan de Fondsen verschuldigde bijdragen over kwartaal 3 en 4 van het jaar 2020, welke in rekening zijn gebracht bij de facturen van respectievelijk 14 augustus 2020 en 13 november 2020, (deels) onbetaald heeft gelaten. De administrateur van de Fondsen heeft [bedrijf A] vervolgens herhaaldelijk aangemaand, doch betaling van de zijde van [bedrijf A] is uitgebleven.

Door de uitblijvende betaling hebben de Fondsen zich genoodzaakt gezien de vorderingen ter incasso uit handen te geven aan hun gemachtigde Flanderijn. [bedrijf A] heeft de nadien door Flanderijn verzonden sommaties ontvangen en zonder protest behouden. Volledige betaling van de facturen heeft niet plaatsgevonden.

3.4

Ten gevolge van de te late betaling is [bedrijf A] op grond van de van toepassing zijnde CAO’s en/of pensioenreglementen, naast de nog openstaande hoofdsom, tevens rente en incassokosten c.q. een boete (welke door de Fondsen is gematigd van 15% naar 10%) met een minimum van € 22,- verschuldigd geworden. De ten tijde van dagvaarding door [bedrijf A] aan de Fondsen nog verschuldigde bedragen zijn door de Fondsen, met inachtneming van het voorgaande, vastgesteld op:

  • -

    € 63.404,59 aan premie en boete ten aanzien van PMT;

  • -

    € 1.434,91 aan premie en incassokosten ten aanzien van OOC;

  • -

    € 574,04 aan premie en incassokosten ten aanzien van SFM;

  • -

    € 1.148,03 aan premie en incassokosten ten aanzien van SSWM.

3.5

Tijdens de minnelijke fase bij de Fondsen zelf, is sedert begin 2020 vanwege de coronacrisis, en in afwijking van haar gebruikelijke beleid, geen aanspraak gemaakt op boete/incassokosten vanwege de te late betaling. Voorgaande is in het “bericht in verband met coronavirus”, welk door de administrateur van de Fondsen als bijsluiter bij haar betalingsherinneringen was gevoegd, aan [bedrijf A] kenbaar gemaakt. Tevens is in de bijsluiter verwezen naar de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen. Zodoende heeft [bedrijf A] langer de gelegenheid gehad om kosteloos de hoofdsom te betalen. Overeenkomstig de aanzegging omtrent de kosten in de herhaalde aanmaning, hebben de Fondsen vanaf het moment dat Flanderijn is ingeschakeld alsnog wel aanspraak gemaakt op vergoeding van de incassokosten

3.6

De Fondsen hebben bij brief d.d. 9 juli 2021 kenbaar gemaakt hun eis te willen vermeerderen met de door [bedrijf A] na herinnering, aanmaning en herhaalde aanmaning onbetaald gelaten factuur van 10 februari 2021, betrekking hebbende op het eerste kwartaal van 2021. De factuur van 10 februari 2021 leidt tot een vermeerdering van eis met de volgende bedragen:

  • -

    € 44.565,62 aan premie en € 4.456,56 aan boete ten aanzien van PMT;

  • -

    € 1.244,03 aan premie en € 124,40 aan incassokosten ten aanzien van OOC;

  • -

    € 497,60 aan premie en € 49,76 aan incassokosten ten aanzien van SFM;

  • -

    € 995,19 aan premie en € 99,52 aan incassokosten ten aanzien van SSWM.

3.7

De Fondsen hebben voorts bij brief d.d. 9 juli 2021 alsook bij akte d.d. 11 augustus 2021 naar voren gebracht dat door [bedrijf A] na dagvaarding nog diverse betalingen zijn verricht welke in mindering dienen te strekken op de vordering, te weten betaling van:

  • -

    € 4.700,- op 7 mei 2021;

  • -

    € 4.700,- op 21 mei 2021;

  • -

    € 4.700,- op 31 mei 2021;

  • -

    € 4.700,- op 17 juni 2021;

  • -

    € 4.700,- op 29 juni 2021;

  • -

    € 4.700,- op 6 juli 2021;

  • -

    € 12.088,99 op 7 juli 2021;

  • -

    € 4.700,- op 15 juli 2021.

3.8

Voornoemde betalingen zijn door de Fondsen over PMT, OOC, SFM en SSWM verdeeld volgens de verdeelsleutel van 96,96%, respectievelijk 1,38%, 0,55% en 1,1%. Na eisvermeerdering en vermindering dient [bedrijf A] aan de Fondsen in totaal aan premie en boete/incassokosten nog te voldoen € 73.605,26, waarvan € 68.805,44 aan PMT, € 2.182,49 aan OOC, € 873,96 aan SFM en € 1.743,36 aan SSWM.

3.9

Ten aanzien van de door [bedrijf A] ingediende “tegeneis” hebben de Fondsen voorts het volgende naar voren gebracht.

3.9.1

De bij dagvaarding gevorderde premies, ziende op kwartaal 3 en 4 van 2020, zijn opeisbaar, zodat de Fondsen het recht hebben in rechte veroordeling tot betaling daarvan te vorderen. [bedrijf A] heeft gezien de opeisbaarheid niet het recht om te vorderen dat haar meer tijd wordt gegund om te betalen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:29 BW zijn de Fondsen niet verplicht een betalingsregeling te treffen, dan wel te gedogen dat [bedrijf A] niet ineens het gehele opeisbaar verschuldigde betaalt, maar in delen. De Fondsen staan niet open voor een langlopende betalingsregeling. Op deze wijze blijven partijen achter de feiten aanlopen. Door [bedrijf A] zijn al meerdere keren getroffen betalingsregelingen niet nagekomen. Ook voor corona waren er al betalingsproblemen. De NOW-subsidie dient door [bedrijf A] te worden gebruikt voor de loonkosten, waaronder ook de pensioenpremie valt.

3.9.2

De Fondsen zien geen reden om hun aanspraak op boete/incassokosten voor de kwartalen 3 en 4 van 2020 en kwartaal 1 van 2021 te laten vallen en zien evenmin aanleiding om de door [bedrijf A] reeds betaalde boete/incassokosten ziende op kwartaal 1 en 2 van 2020 te verrekenen. De Fondsen zijn op grond van de van toepassing zijnde CAO’s en reglementen gerechtigd om in geval van te late betaling 15% boete/incassokosten in rekening te brengen. De Fondsen zijn [bedrijf A] reeds tegemoet gekomen door de boete/incassokosten te matigen tot 10%. Tevens hebben zij [bedrijf A] , overeenkomstig het “bericht in verband met coronavirus” met betrekking tot alle voornoemde kwartalen langer de gelegenheid gegeven om kosteloos de hoofdsom te betalen. De facturen van 14 februari 2020 en 15 mei 2020 zijn door [bedrijf A] echter pas na het uit handen geven van de vorderingen aan Flanderijn, via een betaalafspraak, inclusief incassokosten voldaan. De premies op de facturen van 14 augustus 2020, 13 november 2020 en 10 februari 2021 zijn door [bedrijf A] evenmin (in zijn geheel) voor het uit handen geven daarvan aan Flanderijn voldaan. De Fondsen waren dan ook gerechtigd de boete/incassokosten in rekening te brengen. Opgemerkt wordt daarnaast nog dat PMT geen boete heeft gevorderd maar incassokosten. De hoogte van de door PMT gevorderde incassokosten is gelijk aan de hoogte van de boete die normaliter zou zijn gevorderd, zodat [bedrijf A] niet is benadeeld ten opzichte van de normale situatie.

4. Het verweer in conventie en de eis in reconventie

4.1

[bedrijf A] verzoekt om de vorderingen van de Fondsen af te wijzen, haar lopende betalingsverplichtingen tot en met het eerste kwartaal van 2021 op te schorten en om haar de tijd te geven het nog aan de Fondsen verschuldigde bedrag over een langere periode in termijnen te mogen voldoen. Daarnaast vordert [bedrijf A] om de boetes zoals in rekening gebracht in 2020 terug te draaien en voor zover door haar reeds betaald in mindering te brengen op de nog openstaande vorderingen, met veroordeling van PMT in de kosten van de procedure.

4.2

[bedrijf A] heeft als productiebedrijf in 2020 veel last gehad van de Covid-19 pandemie, hetgeen heeft geleid tot aanzienlijke verliezen waarvoor zij geen externe financiering heeft kunnen vinden en welke nu gedragen wordt door (meerdere) crediteuren, waaronder PMT. Daarnaast heeft [bedrijf A] , nu zij werkgelegenheid biedt aan 32 laaggeschoolde werknemers, te maken met een aanzienlijk hoog ziekteverzuim, waarvoor zij zich niet kan verzekeren en waarvan de kosten ten laste van [bedrijf A] komen. Ondanks het voorgaande heeft [bedrijf A] getracht de premies te blijven voldoen. [bedrijf A] verricht regelmatige betalingen van € 4.700,-, hetgeen blijkt uit het door [bedrijf A] overgelegde overzicht van betalingen. Om de schulden in te lopen zou [bedrijf A] dubbele termijnen moeten betalen. [bedrijf A] kan echter net het hoofd boven water houden. [bedrijf A] heeft de ontvangen NOW-bijdragen eerst aangewend om de salarissen te betalen en is nog in afwachting van de resterende NOW-bijdragen. [bedrijf A] wenst de lopende betalingsverplichtingen op te schorten tot en met het eerste kwartaal van 2021 om de nog te ontvangen NOW-bijdragen te ontvangen en te gebruiken voor het inlossen van de oude schulden zonder boete en kosten. In het geval opschorting niet mogelijk is, wenst [bedrijf A] haar een termijn van 12 maanden te gunnen om de ontstane schulden af te betalen.

4.3

Op de mondelinge behandeling heeft [bedrijf A] erkend dat er op dat moment ter zake het jaar 2020 nog open staat een bedrag van € 21.572,58, waarvan € 14.290,67 aan premie en € 7.281,91 aan boete/incassokosten.

4.4

Ondanks Covid-19 en de bij [bedrijf A] sinds 2017 spelende liquiditeitsproblemen blijven de Fondsen maar boetes opleggen. Hiermee wordt de positie van [bedrijf A] om de achterstand in te lopen verzwakt en jagen de Fondsen [bedrijf A] op extra kosten. [bedrijf A] wijst er daarbij voorts op dat PMT voor de te betalen premies jonger dan een jaar wordt gecompenseerd door het UWV als er sprake is van verplichte deelneming. [bedrijf A] verzoekt dan ook om de boetes zoals in 2020 in rekening zijn gebracht terug te draaien en voor zover reeds betaald in mindering te brengen op de openstaande vorderingen.

4.5

In het geval PMT faillissement van [bedrijf A] aanvraagt, doet [bedrijf A] alvast een beroep op de WHOA.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1

Vanwege de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie hierna tezamen beoordeeld.

5.2

Niet in geschil is tussen partijen dat [bedrijf A] als werkgever valt onder de werkingssfeer van de Fondsen alsmede dat zij gehouden is ieder kwartaal aan de Fondsen premiebijdragen te voldoen.

5.3

[bedrijf A] heeft de hoogte en het onbetaald laten van de door de Fondsen genoemde achterstand in de betaling van de premiebijdragen berekend tot en met het eerste kwartaal van 2021 naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist, zodat in rechte van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. In dit kader wordt er in de eerste plaats op gewezen dat door [bedrijf A] op de mondelinge behandeling is erkend dat er op dat moment ter zake van premiebijdragen over kwartaal 3 en 4 van 2020 nog een bedrag van € 14.290,67 open stond en gesteld noch gebleken is daarnaast dat er door [bedrijf A] ter zake van de factuur d.d. 10 februari 2021 voor kwartaal 1 van 2021 reeds betalingen zijn verricht. Op de door de Fondsen op de rolzitting d.d. 11 augustus 2021 ingediende akte, waaruit de kantonrechter af leidt dat er met betrekking tot kwartaal 3 en 4 van 2020 en kwartaal 1 van 2021 in totaal nog een bedrag van € 61.593,11 aan premie onbetaald is gelaten, is door [bedrijf A] , hoewel zij daartoe naar behoren in de gelegenheid is gesteld, in het geheel niet meer gereageerd. Uit het bij die akte verstrekte overzicht met enerzijds de door [bedrijf A] verschuldigd geworden premiebedragen en anderzijds de door [bedrijf A] verrichte betalingen, volgt daarnaast voldoende dat door de Fondsen reeds rekening is gehouden met de betalingen zoals door [bedrijf A] vermeld in haar bijlage bij de e-mail van 14 juli 2021. Dit echter met uitzondering van de door [bedrijf A] genoemde betaling d.d. 6 april 2021 van € 3.050,94 waarvan de Fondsen de ontvangst uitdrukkelijk hebben betwist. Door [bedrijf A] is nadien geen betalingsbewijs overgelegd waaruit volgt dat het bedrag van € 3.050,94 door [bedrijf A] ook daadwerkelijk aan de Fondsen is betaald, zodat dit bedrag buiten beschouwing wordt gelaten. De door [bedrijf A] genoemde financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, ontslaan haar niet van haar betalingsverplichtingen jegens de Fondsen en staan aan toewijzing van de gevorderde premiebedragen niet in de weg.

5.4

[bedrijf A] heeft verzocht om uitstel van betaling alsook om het verschuldigde in termijnen te mogen voldoen. De door de Fondsen gevorderde premiebijdragen zijn opeisbaar, zodat de Fondsen gerechtigd waren betaling daarvan in rechte te vorderen. Daarnaast volgt uit artikel 6:29 BW dat een schuldenaar zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd is het verschuldigde in gedeelten te voldoen. De Fondsen zijn derhalve niet verplicht een betalingsregeling te treffen dan wel te gedogen dat [bedrijf A] niet ineens het gehele opeisbaar verschuldigde betaalt maar in delen. De Fondsen hebben op de mondelinge behandeling duidelijk kenbaar gemaakt niet akkoord te willen gaan met een (langlopende) betalingsregeling, nu in het verleden reeds meerdere betalingsregelingen niet behoorlijk zijn nagekomen. De kantonrechter is niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen dan wel uitstel van betaling te verlenen zonder instemming van de Fondsen zelf. Uiteraard staat het [bedrijf A] wel vrij om na verkrijging van dit vonnis alsnog te trachten met de Fondsen tot een betalingsregeling te komen.

5.5

[bedrijf A] heeft daarnaast verzocht om haar lopende betalingsverplichtingen tot en met het eerste kwartaal van 2021 op te mogen schorten. Opschorting kan onder meer worden ingeroepen als pressiemiddel om alsnog nakoming van de wederpartij te bewerkstelligen. Een van de vereisten om te mogen opschorten is dat er sprake moet zijn van een opeisbare vordering op de schuldeiser. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. Gesteld nog gebleken is immers dat, en zo ja op welke wijze, de Fondsen hun verbintenissen niet zijn nagekomen. Een deugdelijke grondslag om de (lopende) betalingsverplichtingen op te mogen schorten, ontbreekt in het onderhavige geval dan ook.

5.6

De kantonrechter begrijpt het verweer van [bedrijf A] ten aanzien van de in rekening gebrachte boetes/incassokosten in die zin, dat [bedrijf A] als zodanig niet betwist dat de Fondsen op grond van de van toepassing zijnde CAO’s/reglementen in geval van te late betaling in beginsel gerechtigd zijn deze kosten in rekening te brengen, doch wel dat het in rekening brengen daarvan in de gegeven omstandigheden, waaronder de ingrijpende (financiële) gevolgen van Covid-19, niet redelijk kan worden geacht. Vooropgesteld wordt dat niet in geschil lijkt te zijn dat de boetes/incassokosten betrekking hebbende op de kwartalen 1 en 2 van 2020 door [bedrijf A] inmiddels zijn voldaan, alsook dat de boetes/incassokosten voor de kwartalen 3 en 4 van 2020 ad € 7.281,91 en voor kwartaal
1 van 2021 ad € 4.730,24, onbetaald zijn gelaten. Door de Fondsen is ten aanzien van de boetes/incassokosten naar voren gebracht dat zij reeds rekening heeft gehouden met de gevolgen van Covid-19 door [bedrijf A] sedert begin 2020 in de gelegenheid te stellen om gedurende het minnelijk traject de hoofdsom zonder bijkomende kosten te voldoen en aan haar de mogelijkheid heeft geboden om een betalingsregeling te treffen. Dat de door de Fondsen genoemde bijsluiter waaruit het voorgaande volgt bij de herinneringsbrieven van de Fondsen was gevoegd en [bedrijf A] daarvan ook kennis heeft kunnen nemen, is door [bedrijf A] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Bij conclusie van antwoord hebben de Fondsen bovendien nog toegelicht dat door PMT geen boete is gevorderd maar incassokosten waarvan de hoogte gelijk is aan de hoogte van de boete, zodat [bedrijf A] hierdoor niet is benadeeld. Nu de Fondsen met de door hen getroffen maatregelen naar het oordeel van de kantonrechter naar redelijkheid voldoende rekening hebben gehouden met de gevolgen van Covid-19 en voor het overige niet is betwist dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, hetgeen overigens ook volgt uit de door de Fondsen overgelegde stukken, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de gevorderde incassokosten af te wijzen, laat staan om de reeds betaalde incassokosten te verrekenen met hetgeen jegens [bedrijf A] toewijsbaar is. Voorgaande leidt ertoe dat de thans nog gevorderde incassokosten ad € 12.012,15 zullen worden toegewezen.

5.7

Nu een faillissement van [bedrijf A] niet aan de orde is, behoeft het door [bedrijf A] gedane beroep op de WHOA geen bespreking meer.

5.8

Vaststaat dat [bedrijf A] met de tijdige betaling van de door haar verschuldigde premiebedragen in gebreke is gebleven, zodat zij eveneens de gevorderde rente verschuldigd is geworden. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat de Fondsen deze kosten reeds aan haar incassogemachtigde betaald hebben. De rente wordt toegewezen zoals hierna vermeld in het dictum.

5.9

[bedrijf A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Voorgaande met dien verstande dat de proceskosten in reconventie vanwege de samenhang met de vordering in conventie wordt begroot op nihil.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [bedrijf A] tot betaling:

  • -

    aan PMT van een bedrag van € 68.805,44 aan premie en incassokosten berekend tot en met kwartaal 1 van 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan hoofdsom dat na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan vanaf 17 maart 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    aan OOC van een bedrag van € 2.182,49 aan premie en incassokosten berekend tot en met kwartaal 1 van 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan hoofdsom dat na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan vanaf
    30 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    aan SFM van een bedrag van € 873,96 aan premie en incassokosten berekend tot en met kwartaal 1 van 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan hoofdsom dat na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan vanaf 30 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    aan SWWM van een bedrag van € 1.743,36 aan premie en incassokosten berekend tot en met kwartaal 1 van 2021, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan hoofdsom dat na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan vanaf
    30 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Fondsen vastgesteld op € 1.116,83 aan verschotten en € 1.870,- aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

wijst de vorderingen van [bedrijf A] af;

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Fondsen begroot op nihil;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

495