Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12981

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2021
Datum publicatie
31-12-2021
Zaaknummer
9193630 \ CV EXPL 15633
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging autoverzekering. Narisico. Premie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9193630 \ CV EXPL 21-15633

uitspraak: 24 december 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te: [vestigingsplaats] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 8 april 2021,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] respectievelijk [gedaagde] .

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de bij e-mail van 22 juni 2021 ingediende conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties, tevens akte houdende vermindering van eis.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] heeft op 22 april 2020 via MLA Financiële Diensten een autoverzekering bij Avero Achmea afgesloten ten behoeve van de auto met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto).

2.2

Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] maandelijks verzekeringspremie verschuldigd.

2.3

Op de verzekeringsovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van Avero Achmea en de Bijzondere voorwaarden wettelijke aansprakelijkheid goed op weg autoverzekering

van toepassing.

Artikel 8 van de bijzondere voorwaarden luidt -voor zover van belang- als volgt:

“Art. 8. Risicowijziging

1. Algemeen

De verzekerde is verplicht ons te informeren over elke verandering waardoor het risico wijzigt. Dat moet de

verzekerde zo spoedig mogelijk doen, en uiterlijk binnen zestig dagen. Met wijziging van het risico wordt in elk

geval ook bedoeld wijziging van:

a. de woonplaats van verzekerde;

b. de regelmatige bestuurder;

c. het gebruik van de auto.

Bij wijziging van woonplaats hebben wij het recht de premie en/of voorwaarden te herzien zonder dat u de polis

kunt opzeggen. Bij wijziging van de regelmatige bestuurder of het gebruik van de auto hebben wij het recht de

premie en/of voorwaarden te herzien of de verzekering te beëindigen.”

2.4

De auto stond tot 23 september 2020 op naam van [gedaagde] .

2.5

De verzekeringspolis is (met terugwerkende kracht) per 26 oktober 2020 beëindigd.

2.6

[eiseres] treedt voor verzekeraars op als gevolmachtigde. Dit betekent onder andere dat zij in eigen naam, namens de verzekeraar verzekeringspremies incasseert.

3. De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 672,43 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2021 over een bedrag van € 549,15 tot de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten waarbij de nakosten begroot kunnen worden op een half punt gemachtigdensalaris conform het gehanteerde liquidatietarief.

3.2

[eiseres] heeft -naast de onder 2. genoemde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven- aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeringspremie over maanden juni 2020 tot en met december 2020 van in totaal € 549,15 niet te betalen. [eiseres] vordert een bedrag van

€ 549,15 aan hoofdsom.

Daarnaast vordert zij op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente die berekend tot 1 april 2021 € 9,78 bedraagt. Verder vordert zij op grond van artikel 6:96 BW een bedrag van € 113,50 (incl. 19,70 btw) aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

[eiseres] heeft haar vordering naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] bij akte van 13 oktober 2021 verminderd. Zij vordert nu premie over de periode 1 juni 2020 tot 26 oktober 2020 van € 384,15, rente die berekend tot 12 oktober 2021 € 9,29 bedraagt en een bedrag van € 69,72 aan buitengerechtelijke incassokosten (incl. € 12,10 btw).

4. Het verweer

[gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij de auto op 23 september 2020 heeft verkocht. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij bij dupliek een document van de RDW overgelegd. [gedaagde] is bereid om de premie tot 23 september 2020 te betalen.

Als de verzekeraar en de deurwaarder onderzoek hadden gedaan naar de tenaamstelling van de auto was het nooit tot een procedure en de daarmee gepaard gaande kosten gekomen, aldus [gedaagde] .

5. De beoordeling

5.1

[gedaagde] heeft bij dupliek een document van de RDW in het geding gebracht. Uit dit document blijkt dat de auto tot 23 september 2020 op naam van [gedaagde] stond geregistreerd.

5.2

[gedaagde] meent dat hij sinds 23 september 2020 geen premie meer verschuldigd is.

Dat uitgangspunt is onjuist. De wijziging van de tenaamstelling van de auto leidt niet automatisch tot het einde van de autoverzekering. Het had in elk geval op de weg van [gedaagde] gelegen om [eiseres] in kennis te stellen van de wijziging van de tenaamstelling van de auto.

[eiseres] had de overeenkomst vervolgens op grond van artikel 8 van de bijzondere voorwaarden kunnen beëindigen.

5.3

[gedaagde] heeft echter nagelaten [eiseres] op de hoogte te brengen van de wijziging van de tenaamstelling van de auto. Door [eiseres] is immers onbetwist gesteld dat zij nier eerder dan bij dupliek kennis heeft genomen van het document van de RDW. Dit brengt met zich dat de overeenkomst ook na 23 september 2020 door is blijven lopen en [gedaagde] in beginsel de nadien vervallen premie verschuldigd is.

5.4

[eiseres] heeft de overeenkomst echter per 26 oktober 2020 (de datum waarop de auto bij een andere verzekeraar is aangemeld), gelet op het na-risico dat zij tot die datum heeft gelopen, beëindigd en haar vordering coulancehalve met een bedrag van € 165,00 verminderd. De premie over de periode 1 juni 2020 tot 26 oktober 2020 van € 384,15 wordt dan ook toegewezen.

5.5

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de deurwaarder en [eiseres] onderzoek hadden moeten doen naar de tenaamstelling van de auto, zodat kosten bespaard hadden kunnen worden. Voor zover hij hiermee de bijkomende incasso- en proceskosten betwist treft dit verweer geen doel. Zoals onder 5.2 is overwogen is het de verantwoordelijkheid van [gedaagde] als verzekeringnemer om de verzekeraar op de hoogte te brengen van de wijziging van de tenaamstelling van de auto. De deurwaarder staat hier geheel buiten.

5.6

Nu een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen, kan het aan vervallen wettelijke rente berekende bedrag niet juist zijn. De wettelijke rente wordt daarom, als verder niet weersproken, toegewezen op de wijze zoals hierna bij de beslissing wordt vermeld.

5.7

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt voor toewijzing in aanmerking nu met het versturen van de brief van 18 februari 2021, die bij dagvaarding als productie 3 is overgelegd, is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96, zesde lid BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal, conform de staffel bij het Besluit buitengerechtelijke incassokosten, worden toegewezen voor een bedrag van € 69,72 (incl. € 12,10 btw).

5.8

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 234,22 aan verschotten (waarvan € 108,22 ziet op de dagvaarding en € 126,00 op het griffierecht) en € 187,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punt van € 75,00 per punt).

5.9

Voor zover het griffierecht een bedrag van € 126,00 te boven gaat, dient het meerdere als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van [eiseres] te blijven.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] gedaagde om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 453,87 (waarvan € 384,15 ziet op de hoofdsom en € 69,72 op de buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 384,15 vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op:

- € 234,22 aan verschotten (waarvan € 108,22 ziet op de dagvaarding en

€ 126,00 op het griffierecht);

- € 187,50 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 37,50 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426