Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
C/10/599314 / FA RK 20-4716
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:1045, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wetsartikelen: 1:253o BW wijziging beslissing over gezag, en 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW wijziging beslissing over omgang

De vrouw is ontheven uit het ouderlijk gezag en heeft al lange tijd geen omgang met de minderjarige omdat daar bij de minderjarige heel veel weerstand tegen is. De vrouw heeft de afgelopen jaren meerdere procedures gevoerd om omgang met en gezag over de minderjarige te krijgen, maar is daar niet in geslaagd. De vrouw is niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gezamenlijk gezag en vaststellen van een omgangsregeling omdat bij de laatste uitspraak van het hof over het gezag en de omgang niet is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Ook is nadien geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden.

De vrouw moet bij zichzelf te rade gaan wat zij voor de toekomst belangrijker vindt: doorgaan met het voeren van strijd en procedures met de kans dat de minderjarige nog meer weerstand tegen haar gaat krijgen, of stoppen met het voeren van strijd en procedures en de man en de minderjarige rust gunnen, met de kans dat er wellicht op termijn bij de minderjarige ruimte komt om het contact met haar moeder op te zoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/599314 / FA RK 20-4716

Beschikking van 19 januari 2021 betreffende het ouderlijk gezag, de omgang en de informatie- en consultatieregeling

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 30 juni 2020;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de man;

  • -

    de brief met bijlagen van de vrouw van 4 december 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2020.

Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd. Verder is namens de vrouw een e-mailbericht overgelegd van

[naam persoon] van 15 december 2020.

1.4.

De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, en heeft hiervan gebruik gemaakt.

2. De vaststaande feiten

2.1.

De vrouw en de man zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2008 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

Het huwelijk van de vrouw en de man is op 13 maart 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 februari 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2013 is de minderjarige onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Stadregio Rotterdam. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 11 juli 2017.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2017 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is de man belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2018 is voornoemde beschikking bekrachtigd.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2017 is het verzoek tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna ook: omgangsregeling) tussen de vrouw en de minderjarige afgewezen. Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2019 is voornoemde beschikking bekrachtigd.

3. De beoordeling

3.1.

Gezag en omgangsregeling

3.1.1.

De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, wijziging van de beschikking van het hof van 7 februari 2018, in die zin dat wordt bepaald dat de vrouw samen met de man met het gezag over de minderjarige wordt belast.

Voorts verzoekt de vrouw, naar de rechtbank begrijpt, wijziging van de beschikking van het hof van 7 augustus 2019, in die zin dat een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige wordt vastgesteld en met bepaling dat de man onvoorwaardelijk meewerkt aan alle door de Rechtbank te bepalen omgangscontacten, begeleidingstrajecten, onderzoeken of andere maatregelen, zulks op straffe van een dwangsom.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Ten aanzien van het gezag kan de rechtbank op grond van artikel 1:253o BW op verzoek van de ouders of een van hen de beslissing waarbij een ouder alleen met het gezag over de minderjarige is belast, wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Ten aanzien van de omgang kan de rechtbank op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW op verzoek van de ouders of van een van een beslissing inzake de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.1.4.

De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat het hof bij de beslissingen over het gezag en de omgang is uitgegaan van een aantal onjuiste of onvolledige gegevens. Voorts stelt de vrouw dat sprake is van nadien gewijzigde omstandigheden.

3.1.5.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het hof heeft in de beslissing van 7 februari 2018 het volgende overwogen:

“Thans stelt de moeder dankzij haar huidige advocaat haar houding te hebben gewijzigd en bereid te zijn tot onvoorwaardelijke medewerking. Nog afgezien van het feit dat van een ongewijzigde houding onvoldoende is gebleken, is naar het oordeel van het hof de voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn ruimschoots verstreken. De vader heeft ter zitting verklaard dat, hoewel de echtscheiding tussen partijen in 2012 is uitgesproken, deze nog altijd niet is afgewikkeld. Er lopen diverse procedures tussen partijen en deze trekken een zware wissel op de vader, die op leeftijd is en alleen voor de verzorging van de minderjarige staat. Onweersproken is dat de moeder geen kinderalimentatie betaalt, geen medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning verleent en ook nu weer dreigt met een kort geding tegen de vader. De moeder verliest zich in allerlei juridische procedures, geeft geen blijk van zelfinzicht en is niet in staat het belang van de minderjarige voorop te stellen. De reeks van klachten van de moeder tegen de jeugdbeschermers en de procedures tegen de vader vanaf 2010, hebben ervoor gezorgd dat de noodzakelijke hulpverlening aan de minderjarige om tot contactherstel met de moeder te komen, niet konden worden ingezet. Daarbij hebben de minderjarige en de vader te lijden onder de spanning die de aanhoudende strijd van de moeder veroorzaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Zij is thans nog maar negen jaar en heeft recht op een veilige en onbezorgde jeugd. Het zou de moeder sieren als zij haar strijd staakt en het gezin rust gunt. Aldus zal er wellicht op termijn ruimte komen voor de minderjarige om het contact met de moeder op te zoeken”.

3.1.6.

De rechtbank is van oordeel dat het hof in haar uitspraak van 7 februari 2018 betreffende het gezag, maar ook in die van 7 augustus 2019 betreffende de omgang niet van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In wat de vrouw daarover stelt is de rechtbank van oordeel dat niet tot een andere uitkomst was gekomen. Ook blijkt niet dat sinds die uitspraken van het hof de omstandigheden zijn veranderd. De vrouw heeft haar strijd om gezag over en omgang met de minderjarige te krijgen, nog altijd niet gestaakt en heeft daartoe weer een nieuwe juridische procedure gestart. Ook is de mening van de minderjarige dat zij geen contact met haar moeder wil, niet veranderd, en is de minderjarige daarin consistent. De minderjarige zit in de eerste klas van het gymnasium en haalt hoge cijfers, zodat gesteld kan worden dat zij intelligent is en in voldoende mate weet en beseft wat de gevolgen van haar keuzes zijn. Verder ziet de rechtbank niet in dat de gestelde integriteitsschendingen van de GI en de vermengingen met haar werkgever, enige relatie kunnen hebben met gezag over en omgang met de minderjarige.

De rechtbank is dan ook met de raad van oordeel dat er geen wijziging van omstandigheden is ten opzichte van de laatste uitspraak van 7 februari 2018 betreffende het gezag en de laatste uitspraak van 7 augustus 2019 betreffende de omgang.

3.1.7.

In het voorstel van de vrouw om de hulpverleningsinstelling Enver in te schakelen voor het onder meer laten onderzoeken en indien nodig behandelen van de minderjarige, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Niet is gebleken dat de minderjarige problemen heeft ontwikkeld waarvoor zij behandeling nodig heeft. Daarnaast is er bij de minderjarige geen draagvlak voor een behandeling zodat een behandeling onvoldoende kans van slagen zal hebben. De minderjarige wil eenvoudigweg dat haar moeder stopt met dit soort procedures, want alleen daarvan zegt ze last te hebben.

3.1.8.

Gelet op het voorgaande wordt de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken over het gezag en de omgang.

3.2.

Informatie- en consultatieregeling

3.2.1.

De vrouw verzoekt een consultatie- en informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de man bij elke gelegenheid die zich voordoet haar op deugdelijke wijze consulteert, en dat de man de vrouw per kwartaal via e-mail, WhatsApp of anderszins schriftelijk informeert over de minderjarige, inclusief een recente goedgelijkende foto, over:

  • -

    de algemene en sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals eten, drinken, slapen, dingen doen, ontwikkelen, zelfstandigheid etc.;

  • -

    lichamelijke ontwikkeling, zoals groei, motoriek etc.;

  • -

    medische aangelegenheden, zoals koorts, medicatie, doktersbezoek, wisselen tanden etc.;

  • -

    school en schoolaangelegenheden en BSO, zoals ontwikkeling in klas, leren, bezigheden op school etc.;

  • -

    sport en sociale activiteiten, zoals spelen, zwemles, sport, spelen met vriendjes/ vriendinnetjes, familie, verjaardagen, feestjes, speeltuin, bioscoop, lezen, voorlezen etc.;

  • -

    vakantie en vrije tijd;

zulks op straffe van een dwangsom indien de man zich daar niet aan houdt.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

3.2.4.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt onweersproken dat de man elke drie maanden de vrouw verslag doet over de minderjarige zoals over haar gezondheid, vrije tijd, sport en school, met twee keer per jaar een rapport en de schoolfoto. De man voldoet daarmee aan zijn wettelijke informatieplicht, en de rechtbank ziet niet waarom dat moet worden uitgebreid naar wat de vrouw verzoekt. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat wat de vrouw verzoekt bovenmatig is en te veel ver gaat.

3.2.5.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een consultatie- en informatieregeling en de daarbij verzochte dwangsom afgewezen

3.3.

Tot slot

3.3.1.

De rechtbank acht het van belang op te merken dat het de vrouw zou sieren als zij stopt met het voeren van strijd en procedures en het trekken aan de minderjarige. De vrouw heeft zeker het recht om juridische procedures te voeren, maar de kans dat er bij de minderjarige wellicht op termijn ruimte komt om met haar moeder contact te zoeken, wordt daardoor wel steeds kleiner. De vrouw moet bij zichzelf te rade gaan wat zij voor de toekomst wil: strijd en procedures voeren met de kans dat de minderjarige - die steeds ouder en wijzer wordt - nog meer weerstand tegen haar moeder gaat krijgen, of stoppen met het voeren van strijd en procedures en de man en de minderjarige rust gunnen, waarbij de kans bestaat dat er wellicht op termijn bij de minderjarige ruimte komt om het contact met haar moeder op te zoeken.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van het gezag over en de omgang met de minderjarige;

4.2.

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een consultatie- en informatieregeling vast te stellen, en de daarbij verzochte dwangsom;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, rechter, tevens kinder-rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier S. Breeman,

op 19 januari 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.