Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1289

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
10-288802-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdige klacht belaging. Geen stelselmatigheid, vrijspraak belaging. Veroordeling voor meerdere bedreigingen via voicemailberichten. Relationele sfeer. Geen contactverbod, wel locatieverbod. Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-288802-19

Datum uitspraak: 16 februari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een locatieverbod en een contactverbod;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van honderdvijftig (150) uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door vijfenzeventig (75) dagen hechtenis.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat het primair ten laste gelegde feit een klachtdelict betreft en dat de klacht niet tijdig is ingediend. Aangeefster [naam slachtoffer] heeft op 7 augustus 2016 kennisgenomen van het ten laste gelegde feit. Dat is het eerste moment waarop de aangeefster door de verdachte zou zijn belaagd. Vervolgens is er pas op 9 januari 2019 aangifte gedaan en de klacht op 9 januari 2019 ontvangen. Nu hier meer dan drie maanden tussen zit, is de wettelijk voorgeschreven termijn overschreden.

Beoordeling

Belaging kent als delictsbestanddeel de stelselmatigheid van het inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer. Voor de vervulling van dat bestanddeel is vereist dat de gedragingen die leiden tot de bedoelde inbreuk zich gedurende een zekere periode voordoen. Immers, een enkele last of hinder veroorzakende gedraging is onvoldoende. Dit brengt met zich, dat de in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vermelde termijn van drie maanden waarbinnen een klacht wordt ingediend, niet reeds aanvangt bij een eerste last of hinder veroorzakende gedraging. Dat doet immers tekort aan de aard van het delict omdat er niet reeds bij de eerste handeling sprake kan zijn van stelselmatigheid in de zin van belaging. Gelet op de aard van het in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf en in aanmerking genomen de strekking van de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend, is de rechtbank van oordeel dat die termijn drie maanden na de datum, waarop de laatste last of hinder veroorzakende gedraging plaatsvond eindigt.

Voor de beantwoording van de vraag wat de laatste last of hinder veroorzakende gedraging is, dient naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de aangifte leidend te zijn. De in de aangifte genoemde periode eindigt op 19 december 2018, en de rechtbank zal die datum dan ook als uitgangspunt nemen bij de berekening van de termijn als bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is op 9 januari 2019 aangifte gedaan en is op dezelfde datum een klacht ingediend. De slotsom luidt dan ook dat aangeefster haar klacht heeft ingediend binnen de termijn als bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht en dat het openbaar ministerie in zijn vervolging kan worden ontvangen, in ieder geval voor wat betreft de periode tot en met 19 december 2018.

Vervolgens is de aangeefster op 23 juni 2019 door de politie gehoord. Zij heeft toen verklaard dat het van januari 2019 tot 15 juni 2019 stil is geweest. Op die datum is er meerdere keren anoniem naar het nummer van de moeder van de aangeefster gebeld. Tijdens een gesprek meende de aangeefster de stem van de verdachte te herkennen. Hiervan is niet opnieuw een aangifte opgenomen en er is ook geen klacht ingediend.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de periode vanaf 20 december 2018 tot en met 15 juni 2019 geen aangifte is gedaan en evenmin een klacht is ingediend. Dit heeft tot gevolg dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het primair ten laste gelegde feit, maar alleen voor wat betreft de periode vanaf 20 december 2018 tot en met 15 juni 2019.

5. Geldigheid dagvaarding

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig is nu de omschrijving ‘vrienden, familie en/of collega's’ onvoldoende specifiek is. Voor de verdachte is het niet duidelijk hoe zij zich hiertegen dient te verdedigen.

Beoordeling

Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding gaat het om de vraag of het gemaakte verwijt voor de verdachte te begrijpen is, wat hier naar het oordeel van de rechtbank het geval is. De tekst van de tenlastelegging heeft in combinatie met het onderliggende dossier voldoende duidelijk gemaakt waartegen de verdachte zich heeft moeten verdedigen. Het verweer wordt daarom verworpen. De dagvaarding is geldig.

6. Waardering van het bewijs

Op 9 januari 2019 heeft de aangeefster verklaard dat zij tussen 7 augustus 2016 en 19 december 2018 veelvuldig is lastiggevallen door de verdachte. De verdachte zou op allerlei manieren hebben geprobeerd in contact te komen met de aangeefster. Zij zou onder meer via WhatsApp, Facebook, Instagram, SMS, Messenger en email berichten hebben gestuurd naar de aangeefster en haar vrienden, familie en collega’s. Ook zou de verdachte berichten hebben ingesproken en naar het werk van de aangeefster hebben gebeld. Volgens de aangeefster heeft de verdachte hierdoor inbreuk gemaakt op haar privéleven en voelde zij zich ernstig belemmerd in haar vrijheid en dagelijks functioneren.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar niet van alle berichten en belpogingen kan worden vastgesteld dat die van de verdachte afkomstig zijn geweest. Wat resteert levert voldoende bewijs op dat de verdachte zich vanaf november 2017 schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat een aantal aan de verdachte verweten gedragingen geen steun vindt in de bewijsmiddelen. De aangifte berust vooral op aannames en vermoedens van de aangeefster. Weliswaar heeft de verdachte toegegeven dat zij gedurende een korte periode enkele berichten heeft gestuurd naar de aangeefster, maar uit het dossier blijkt niet wanneer dit is gedaan. Daarnaast wijst de verdediging op de setting waarin deze berichten zouden zijn verstuurd. Het gaat hier om berichten waarin door de aangeefster en de verdachte over en weer werd gereageerd en die passen in een situatie van ruzie en relationele perikelen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze contacten niet wederrechtelijk waren, omdat zowel de aangeefster als de verdachte contact zocht met de ander. Voor zover het initiatief op momenten alleen bij de verdachte lag, kan niet gezegd worden dat daarmee reeds een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster.

Daarnaast is er volgens de verdediging geen sprake van stelselmatigheid. Er is immers in 2016 en 2017 geen contact geweest tussen de verdachte en de aangeefster. Bovendien kunnen meerdere verweten gedragingen niet wettig en overtuigend aan de verdachte worden toegeschreven. Wat dan resteert zijn enkele ongedateerde berichten waarvan niet kan worden vastgesteld wanneer die zijn verstuurd. Dit is onvoldoende om op grond daarvan over de ten laste gelegde periode de stelselmatigheid te kunnen aannemen.

Ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Allereerst blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat de verdachte al deze berichten daadwerkelijk heeft verstuurd. Verder moet het volgens de verdediging voor de aangeefster duidelijk zijn geweest dat de berichten een reactie waren op haar gedrag, zodat er voor haar nooit een moment is geweest waarbij zij daadwerkelijk de vrees gehad kan hebben dat haar wat aangedaan zou worden. Tegen die achtergrond is er geen sprake van bedreiging.

Beoordeling

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde: belaging

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is van belang wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van het dossier genoegzaam is komen vast te staan dat de volgende berichten en gedragingen door de verdachte zijn verstuurd en verricht.

Op 7 november 2017 om 19.13 uur heeft de aangeefster een bericht ontvangen van [naam e-mailadres] . Dit bericht bevatte het bericht: “Je weet toch dat [naam persoon] mij mist en jou daarvoor gebruikt dom meisje, haha”.

Op 17 december 2018 is de aangeefster meerdere keren gebeld met het nummer van de toenmalige partner van de verdachte. Tevens werden er geluidsfragmenten toegestuurd. Op dezelfde dag werd er naar het werk van de aangeefster gebeld en werd er gescholden en bedreigingen geuit tegen een collega die de telefoon opnam.

Op 19 december 2018 is de aangeefster meerdere keren gebeld door een anoniem nummer. Aan de hand van de geluidsfragmenten herkende zij de stem van de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank worden de overige in de aangifte omschreven gedragingen en berichten niet of onvoldoende ondersteund door de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Deze kunnen dan ook niet worden gekoppeld aan de verdachte.

De vraag is dan of de rechtbank tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde belaging kan komen. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Weliswaar kunnen de bewezen geachte gedragingen en berichten onaangenaam en kwetsend op de aangeefster zijn overgekomen, maar er is geen sprake van een zodanige duur, frequentie en intensiteit van gedragingen en berichten dat kan worden gesproken van een strafbaar stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit niet bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Gelet hierop zal de rechtbank de bespreking van het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van het ontbreken van de wederrechtelijkheid achterwege laten.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde: bedreiging

De in het subsidiair ten laste gelegde feit omschreven teksten zijn afkomstig uit geluidsfragmenten die volgens de aangifte in de nacht van 16 op 17 december 2018 zijn ingesproken. Deze geluidsfragmenten waren afkomstig van het telefoonnummer dat in gebruik was bij de toenmalige partner van de verdachte. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij in die periode een paar keer naar de aangeefster heeft gebeld en iets heeft ingesproken.

Op grond van het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van het dossier acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging omschreven teksten heeft ingesproken.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte hiermee de aangeefster heeft bedreigd met verkrachting, enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

​Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf gepleegd zou kunnen worden en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Het is daarbij niet vereist dat er werkelijk vrees is opgewekt. Het gaat er om dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Gelet op de inhoud van de geluidsfragmenten is aan dit criterium voldaan.

Conclusie

Het subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op tijdstippen in de periode van 7 augustus 2016

tot en met 15 juni 2019 te Rotterdam en/of Rijswijk, [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met verkrachting, enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware

mishandeling,

door die [naam slachtoffer] berichten te sturen per whatsapp, facebook, sms en e-

mail, met daarin de teksten

"ik breek je kankerbek voor je”, , “ik neuk je”, “ik snij je kankerstrot door”,

“we weten precies waar die kind op school zit, weten

precies waar hij voetbalt”, “als jij niet wil dat ik jou kankerbek kom verbouwen”,

“ik heb nu een foto van jouw dochter moet jij zien hoe ik haar te koop gaat zetten

op elke kanker sekssite”, “sla ik de kanker uit jou en die kankerkinderen van jou”

en “ik sla je kankertanden eruit”,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

(subsidiair)

bedreiging met verkrachting, met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het criterium voor bedreiging gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de verdediging dat het bewezen verklaarde feit niet gekwalificeerd zou kunnen worden als bedreiging.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

8. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in korte tijd vele malen schuldig gemaakt aan het bedreigen van het slachtoffer. De bedreigende teksten werden via voicemailberichten ingesproken op de telefoon van het slachtoffer. De verdachte liet zich – volgens haar eigen verklaring - volledig gaan in haar emoties en heeft het slachtoffer niet alleen gekrenkt, maar ook haar gevoel van veiligheid aangetast, zoals is gebleken uit de door het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring. De rechtbank weegt mee dat bedreigingen het hoogtepunt lijken te zijn van een lang bestaande vete in de relationele sfeer tussen aangeefster en verdachte.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 13 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar die veroordelingen dateren van langere tijd geleden.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft recent een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De kern van het probleem ligt op de leefgebieden psychosociaal functioneren en houding. Er is een gedragspatroon van ernstig geweld. Door een gebrekkige impulscontrole reageert de verdachte in conflictsituaties impulsief en soms met geweld. Wij concluderen dat de verdachte enig inzicht in haar delictgedrag heeft. De kans op recidive is substantieel afgenomen. Interventies om het gedrag in deze zaak te beïnvloeden zijn achterhaald en niet van toegevoegde waarde. De reclassering heeft beschermende factoren in het leven van de verdachte gezien. Zij heeft haar financiële zaken op orde en heeft een steunend familienetwerk. Geadviseerd wordt als bijzondere voorwaarden een contactverbod en een locatieverbod op te leggen.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank zal afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat rekening wordt gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. In plaats daarvan worden een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

Nu de rechtbank, overeenkomstig het advies van de reclassering, een locatieverbod noodzakelijk acht, zal dit verbod als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden. Deze voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding een contactverbod op te leggen, omdat er geen signalen zijn die er op duiden dat de verdachte in de periode na aangifte en nu enig contact met het slachtoffer heeft gezocht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

10. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

[naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 136,61 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.750,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de telefoonkosten. De officier van justitie heeft gevorderd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van het toe te wijzen bedrag.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dan verzoekt de verdediging de vordering tot schadevergoeding af te wijzen dan wel het toe te wijzen bedrag te matigen gelet op de eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat onduidelijk is in hoeverre de gestelde psychische schade bij de benadeelde partij is voortgekomen uit het handelen van de verdachte.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering voor dat gedeelte genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen tot een bedrag van (€ 15,25 + € 121,36 =) € 136,61.

Naar het oordeel is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,-. De rechtbank heeft de eigen schuld van de benadeelde partij hierin verdisconteerd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van dit deel van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2019.

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 336,61 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

11 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

12 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van het primair ten laste gelegde feit, voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 20 december 2018 tot en met 15 juni 2019;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) week;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich niet bevinden in de straat of rond de woning aan de [adres] , [postcode] Rotterdam, binnen een straal van 100 meter, van [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie noodzakelijk vindt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 336,61 (zegge: driehonderdzesendertig euro en eenenzestig cent), bestaande uit € 136,61 aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 336,61 (hoofdsom, zegge: driehonderdzesendertig euro en eenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 336,61 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en P. van Dijken, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2016

tot en met 15 juni 2019 te Rotterdam en/of Rijswijk, althans in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam slachtoffer] ,

door

- veelvuldig, althans meermalen berichten naar die [naam slachtoffer] en/of haar

vrienden, familie en/of collega's te sturen via WhatsApp, Facebook, Instagram,

SMS, Messenger, mail,

- veelvuldig, althans meermalen vriendschapsverzoeken te sturen via facebook,

- veelvuldig, althans meermalen voicemailberichten en/of spraakberichten in te

spreken op het telefoonnummer en/of de whatsapp van die [naam slachtoffer] en/of haar

vrienden, familie en/of collega's,

- het werk van die [naam slachtoffer] te bellen en/of

- veelvuldig, althans meermalen te bellen naar het telefoonnummer van die

[naam slachtoffer] en/of haar vrienden, familie en/of collega's,

met het oogmerk die [naam slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2016

tot en met 15 juni 2019 te Rotterdam en/of Rijswijk, althans in Nederland,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd

met verkrachting, enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling,

door die [naam slachtoffer] berichten te sturen per whatsapp, facebook, sms en/of e-

mail, met daarin de teksten

"ik breek je kankerbek voor je”, “verneuk jouw kankerzoon, neuk jouw kankerzoon

in zijn reet”, “ik neuk je kankermoeder”, “ik neuk je”, “ik snij je kankerstrot door”,

“ik neuk je kankerdochter”, “we weten precies waar je kind op school zit, weten

precies waar hij voetbalt”, “als jij niet wil dat ik jou kankerbek kom verbouwen”,

“ik heb nu een foto van jouw dochter moet jij zien hoe ik haar te koop ga zetten

op elke kanker sekssite”, “sla ik de kanker uit jou en die kankerkinderen van jou”

en/of “ik sla je kankertanden eruit”,

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.