Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12881

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2021
Datum publicatie
27-12-2021
Zaaknummer
FT EA 21/1397, FT EA 21/1398, FT EA 21/1399 en FT EA 21/1400
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing dwangakkoord, harde toezegging inspanningsverplichting.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 23 december 2021

in de zaak van:

[verzoekers]

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekers.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 9 november 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser]);

die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 16 december 2021 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    mevrouw Z. Karadirek, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam
    (hierna: schuldhulpverlening);

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift twintig schuldeisers, met drie preferente en negentien concurrente vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 84.255,12 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van 11 mei 2021 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,62 % aan de preferente schuldeisers en 2,31 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt fulltime en heeft een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd. Verzoekster is niet werkzaam en ervaart psychische en lichamelijke klachten als gevolg van een verkeersongeval. Verzoekster is niet vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting. Zij heeft ter zitting toegezegd dat zij op korte termijn op zoek zal gaan naar betaald werk teneinde zich maximaal in te spannen voor de aangeboden regelening.

De regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekers hebben zich – met inachtneming van het door verzoekster toegezegde ter terechtzitting – op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels door de budgetbeheerder voldaan.

Negentien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 259,50 op verzoekers, welke 0,3 % van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] gesteld dat de schuld die zij heeft aan verzoekers niet te goeder trouw is ontstaan. Volgens [schuldeiser] is willens en wetens gebruik gemaakt van haar diensten, zonder dat daar middelen voor waren en zonder dat verzoekers de intentie hadden om voor de geleverde diensten te betalen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 0,3 %. Daar tegenover staat dat een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negentien van de twintig schuldeisers, met de aangeboden regeling akkoord is gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker beschikt over een fulltime baan, op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Verzoekster heeft geen betaalde arbeid

en is niet vrijgesteld van haar arbeidsverplichting. Zij heeft ter zitting de harde toezegging gegeven om binnen een maand na uitspraak van dit vonnis haar inspanningsverplichting te vervullen. Schuldhulpverlening zal haar hierin ondersteunen en haar bevindingen aan de rechtbank rapporteren.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekers het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zullen afdragen, is voldaan. Verzoekers zitten in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekers van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekers zouden kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek willen oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekers niet zijn bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij zijn opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
mr. E.P.J. van de Luitgaarden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 december 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.