Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12845

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2021
Datum publicatie
24-12-2021
Zaaknummer
617298 FT RK 21.161
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

faillietverklaring na ingetrokken WHOA-verzoek. Verweerster heeft doosjes handschoenen niet kunnen leveren, maar wel betaling ontvangen van verzoekster. Dat verweerster concreet zicht heeft op geldsommen waarmee de vordering van verzoekster op korte termijn alsnog voldaan kan worden, is onvoldoende aannemelijk geworden. Dat sprake is van meerdere steunvorderingen, blijkt uit het WHOA-verzoek en is door verweerster ook niet betwist.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2022-0007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 23 december 2021

VONNIS op het op 22 april 2021 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAS TRADING B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Uithoorn,

te dezer zake domicilie kiezende te Keesomstraat 7,

6717 AH te Ede,

verzoekster,

advocaat: mr. A. Robustella,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MATE FOR CARS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Valkenierstraat 12,

2984 AZ te Ridderkerk,

statutair gevestigd te Ridderkerk,

tevens handelend onder de naam

Mate for Care,

verweerster,

advocaat: mr. B.J. Agteresch,

1 De procedure

Ter behandeling van het ingekomen verzoekschrift heeft de rechtbank partijen bij brief van 22 april 2021 opgeroepen voor de behandeling op 18 mei 2021.

De behandeling is op de verzoeken van verzoekster van 17 mei 2021, 31 mei 2021 en 14 juni 2021 aangehouden.

Verweerster heeft bij bericht van 1 juli 2021 aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij een WHOA-verzoekschrift heeft ingediend in een andere gerechtelijke procedure om te komen tot de benoeming van een herstructureringsdeskundige.

De rechtbank heeft op 2 juli 2021 aan verzoekster en verweerster per e-mailbericht gemeld dat de behandeling per 6 juli 2021 op grond van artikel 3d van de Faillissementswet van rechtswege is geschorst en tot een nader te bepalen datum wordt aangehouden, totdat op voornoemd WHOA-verzoekschrift is beslist.

Verzoekster heeft bij bericht van 24 november 2021 de rechtbank verzocht de behandeling van haar verzoekschrift te hervatten, nu verweerster haar WHOA-verzoekschrift heeft ingetrokken.

Ter verdere behandeling van het ingekomen verzoekschrift heeft de rechtbank partijen bij brief van 24 november 2021 opgeroepen voor de behandeling op 7 december 2021.

De behandeling is op het verzoek van verzoekster van 6 december 2021 met twee weken aangehouden tot 21 december 2021.

Op 21 december 2021 zijn ter zitting verschenen en gehoord:

  • -

    de heer [naam 1] , bestuurder van verzoekster;

  • -

    mr. A. Robustella, advocaat van verzoekster;

  • -

    de heer [naam 2] , bestuurder van verweerster;

  • -

    mr. B.J. Agteresch, advocaat van verweerster.

Verzoekster heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Standpunten van partijen

Verzoekster heeft gesteld dat zij een opeisbare vordering op verweerster heeft van

€ 413.890,80, exclusief de vertragingsrente en exclusief de kosten van de faillissementsaanvraag. Verzoekster heeft met verweerster op 17 maart 2021 een overeenkomst gesloten tot verkoop en levering van 40.000 doosjes handschoenen. Kort daarop heeft verzoekster de overeengekomen koopsom voldaan. Verweerster is vervolgens haar leveringsverplichting niet nagekomen, ook niet na een ingebrekestelling op 13 april 2021. Derhalve heeft verzoekster op 16 april 2021 de koopovereenkomst ontbonden en verweerster gesommeerd tot terugbetaling van de koopsom. Hoewel verweerster meerdere voorstellen tot terugbetaling heeft gedaan, is zij tot op heden niet tot (volledige) betaling overgegaan. Er is slechts een deelbetaling van € 50.000,- gedaan. De steunvorderingen bestaan uit meerdere vorderingen van voornamelijk handelscrediteuren, welke onder de punten 1 tot en met 8 zijn genoemd in het WHOA-verzoekschrift van verweerster, gedagtekend op 1 juli 2021, waarvan verzoekster ter zitting een exemplaar heeft overgelegd. Verzoekster persisteert bij haar verzoek tot faillietverklaring.

Verweerster heeft het volgende aangevoerd. Zij betwist de verschuldigdheid van de vordering van verzoekster niet. Zij erkent dat er sprake is van meerdere schuldeisers met vorderingen op verweerster. Hoewel zij thans niet in staat is tot terugbetaling aan verzoekster of tot het treffen van een betalingsregeling, stelt zij binnenkort gelden te verwachten die zij wil aanwenden om de vordering van verzoekster te voldoen. Verweerster beschikt over een bedrijfspand en een woning die verkocht zal worden. Desgevraagd geeft verweerster aan dat een overwaarde van ongeveer € 350.000,- in de rede ligt. Daarnaast verwacht verweerster geld te ontvangen van leveranciers van handschoenen in Turkije en Egypte die hun leveringsverplichtingen aan verweerster niet zijn nagekomen. Zij is actief bezig om deze geldsommen te incasseren. Zij verwacht hiermee de vordering van verzoekster op termijn te kunnen voldoen. Om die reden verzoekt zij het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen.

3 De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onbetwist is dat verzoekster op grond van een koopovereenkomst van 17 maart 2021 met verweerster een opeisbare vordering heeft van € 413.890,80, exclusief de vertragingsrente en exclusief de kosten van de faillissementsaanvraag. Van het vorderingsrecht van verzoekster is derhalve summierlijk gebleken.

Voorts heeft verzoekster ter zitting met stukken aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meerdere steunvorderingen. Uit het overgelegde WHOA-verzoekschrift van verweerster van 1 juli 2021 blijkt dat meerdere schuldeisers van verweerster gelden te vorderen hebben. Verweerster heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij meerdere schuldeisers heeft. Aldus staat het bestaan van de steunvorderingen summierlijk vast.

De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Dit blijkt te meer uit het feit dat verweerster na meerdere pogingen daartoe geen betalingsregeling heeft kunnen treffen met verzoekster. Dat er concreet zicht is op geldsommen waarmee de vordering van verzoekster op korte termijn voldaan zou kunnen worden is onvoldoende aannemelijk geworden.

Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

3 De beslissing

De rechtbank,

- verklaart MATE FOR CARS B.V. voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. A.F. Ammerlaan, advocaat te Dordrecht;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

mr. T. Mulder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 december 2021 te 10:00 uur.1

De griffier is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.