Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12811

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
23-12-2021
Zaaknummer
C/10/609400 / HA ZA 20-1180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Brand in opslagloods. Onderverzekering? Vordering tegen assurantietussenpersoon en makelaar. Schikking met verzekeraar daarvoor geen beletsel. Overeenstemming tussen schade-experts omtrent relatief beperkte schadeomvang? Bewijsopdracht aan gedaagden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/609400 / HA ZA 20-1180

Vonnis van 15 december 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

mede handelende onder de naam [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam,

tegen

1. de coöperatie

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk te Rotterdam,

2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.B. Londonck Sluijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] , [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] worden genoemd.

1. De zaak in het kort

Deze zaak draait ten eerste om de vraag of bedrijfsinventaris van [naam eiser] was onderverzekerd op het moment dat deze door brand is verloren gegaan. [naam eiser] voert aan dat hij daardoor ruim € 12 miljoen schade heeft geleden. [naam gedaagde 1] heeft volgens [naam eiser] verzuimd erop toe te zien dat de verzekerde som toen ten minste € 12 miljoen bedroeg. Verder heeft [naam eiser] kort voor de brand verhoging van de verzekerde som van € 3 miljoen naar € 5,5 miljoen verzocht. Deze verhoging is niet tijdig doorgevoerd. [naam eiser] stelt [naam gedaagde 1] zowel als [naam gedaagde 2] aansprakelijk voor dat dekkingstekort. De rechtbank moet onder meer beoordelen of [naam gedaagde 1] als assurantietussenpersoon, en/of [naam gedaagde 2] als makelaar, aansprakelijk zijn voor de gevolgen van de beweerde onderverzekering en het uitblijven van de verhoging van de dekking. De rechtbank komt in dit stadium tot één bewijsopdracht.

2. De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 30;

  • -

    de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 2] , met producties 1 tot en met 18;

  • -

    de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 1] , met producties 1 tot en met 23;

  • -

    de akte houdende overlegging van producties van [naam eiser] , met producties 31 tot

en met 37;

  • -

    de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge
    behandeling, gehouden op 14 september 2021;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. M.S. Smit namens [naam eiser] ;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. E.H.C. Verstraaten en mr. E.M. van Orsouw

namens [naam gedaagde 1] ;

- de spreekaantekeningen van mr. J.B. Londonck Sluijk en mr. A. Stortelder namens
[naam gedaagde 2] .

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

3.1.

[naam eiser] drijft een onderneming die licht- en geluidsapparatuur met toebehoren verhuurt ten behoeve van grote evenementen, shows en festivals. De onderneming verzorgt in opdracht ook de opbouw op de betreffende locaties, en is innovatief in die zin dat bestaande producten en materialen worden aangepast en verbeterd ten behoeve van de verhuur ervan.

[naam eiser] heeft zijn onderneming ondergebracht in een aantal vennootschappen, hierna: de vennootschappen. [naam eiser] is directeur-grootaandeelhouder van de vennootschappen. [naam eiser] handelt tevens als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] , voorheen genaamd [naam zaak].

3.2.

[naam gedaagde 1] is rechtsopvolgster onder algemene titel van de [naam bedrijf] en zij is sinds 2008 assurantietussenpersoon van [naam eiser] .

3.3.

Voor de opslag van de bedrijfsinventaris van de vennootschappen en/of de eenmanszaak huurde [naam eiser] een pand aan de [adres] , (hierna: het pand).

3.4.

[naam eiser] heeft, bijgestaan door [naam gedaagde 1] , met ingang van 12 juni 2008 een zaak- en bedrijfsschade-verzekering, hierna: de polis, afgesloten bij Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Generali). Verzekerden onder de polis zijn [naam eiser] en de vennootschappen. Op de polis zijn de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Zaak- en Bedrijfsschade 2006 (NBZB 2006) (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. Als placing broker trad [naam gedaagde 2] op. Generali is 100% risicodrager onder de polis.

Artikel 8.2.1. van de polisvoorwaarden luidt als volgt:

“Als uitsluitend bewijs van de grootte van de schade geldt een taxatie die is gemaakt door een gezamenlijk te benoemen expert of door twee experts, waarvan verzekerde en verzekeraars er ieder één benoemen;

In het laatste geval benoemen beide experts vóór de aanvang van hun werkzaamheden samen een derde expert. Bij gebrek aan overeenstemming stelt deze, na beide experts gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, de omvang van de schade vast overeenkomstig de poliscondities en binnen de grenzen van de beide taxaties.

De experts hebben het recht zich, afzonderlijk of gezamenlijk, door deskundigen te laten bijstaan.

(…)”

3.5.

Sinds een brandschade in 2012 was de verzekerde som onder de polis voor inventaris en goederen bepaald op € 1 miljoen.

3.6.

Op 11 mei 2017 hebben medewerkers van [naam gedaagde 1] , onder wie de risico-specialist verzekeringen MKB, [naam 1] , hierna: [naam 1] , het pand bezocht. Naar aanleiding van een opmerking van [naam 1] over onderverzekering, is op basis van schatting van de waarde van de bedrijfsinventaris die [naam eiser] toen maakte aan de hand van zijn verhuurlijsten, de verzekerde som onder de polis met ingang van 11 mei 2017 verhoogd tot € 3 miljoen.

3.7.

Op advies van [naam 1] heeft [naam eiser] vervolgens opdracht gegeven voor taxatie van de bedrijfsinventaris, en wel aan CED Nederland B.V. (hierna: CED) in de persoon van [naam 2] , Register-Taxateur VRT, als specialist op het gebied van audio/videoapparatuur en theatertechniek (hierna: [naam 2] ). [naam 2] heeft met [naam 1] en [naam eiser] overlegd over de taxatie van de bedrijfsinventaris. Aan de hand van inventarislijsten in zijn eigen verhuur-beheerssysteem heeft [naam eiser] een nieuwwaarde van die inventaris van ongeveer € 15 miljoen berekend. Omdat [naam eiser] uit kostenoogpunt (de premie hangt samen met de verzekerde som) een verzekerde som van € 15 miljoen te hoog vond, is vervolgens met [naam 2] gesproken over de juiste te verzekeren som waarmee het voortbestaan van het bedrijf zou zijn gewaarborgd, en over de mogelijkheid bepaalde onderdelen van de inventaris (die eenvoudig en/of tweedehands verkrijgbaar zouden zijn) daartoe te taxeren tegen dagwaarde.

3.8.

Op 11 juli 2017, en terwijl het taxatierapport nog in de maak was, heeft [naam eiser] , na overleg met zijn boekhouder, [naam gedaagde 1] in de persoon van [naam 1] verzocht de verzekerde som te verhogen tot € 5,5 miljoen.

3.9.

Op 12 juli 2017 om 09.35 uur zet [naam gedaagde 1] ( [naam 3] , geïnformeerd door [naam 1] ) het onder 3.8 bedoelde verzoek door naar [naam gedaagde 2] : “Verzoek aanpassing verzekerde som [naam zaak], Polisnr. [polisnummer] . Graag per heden verzekerde som inventaris/goederen verhogen naar € 5.500.000,=. Een wijzigingsaanhangsel zien wij graag tegemoet. NB Verzekerde laat thans taxatie uitvoeren, maar afhandeling daarvan kan nog wel even duren.”

Op 12 juli 2017 17.04 uur mailt [naam gedaagde 2] aan Generali: “Verzekerde laat weten dat de verzekerde som op inventaris/goederen van EUR 3.000.000 verhoogd moet worden naar EUR 5.500.000. Bevestiging zie ik graag tegemoet.”

Om 17.05 uur die dag mailt [naam gedaagde 2] aan [naam gedaagde 1] dat zij de risicodrager in kennis heeft gesteld, en dat zij te zijner tijd graag het taxatierapport waarover [naam gedaagde 1] rept, tegemoet ziet.

3.10.

Op 13 juli 2017 15.11 uur mailt Generali aan [naam gedaagde 2] : “De sommen zijn bij dit contract rap gestegen in korte tijd. Mag ik je verzoeken deze buiten de faciliteit te plaatsen en 50% aandeel elders onder te brengen in het kader van deze nieuwe verhoging?”

[naam gedaagde 2] reageert: “Dat wil ik natuurlijk doen. Hoeveel tijd kan jij mij gunnen dit te realiseren?”

Generali: “2 weken vanaf morgen genoeg? Dus de 27e tot eind vd dag? Verder geen complex contract dus dat zou genoeg moeten zijn.”

[naam gedaagde 2] (13 juli 2017 15.41): “O ja zeker wel. Je verneemt zodra ik er klaar mee ben.”

3.11.

Op 19 juli 2017 bericht [naam gedaagde 2] aan [naam gedaagde 1] (Oortwijn): “De huidige verzekeraar vind[t] gezien de verhoging het aandeel van 100% wat fors en wil terug naar 50%. Aan dat verzoek gaan wij gevolg geven en tot dat moment heeft men uiteraard nog de volle 100% in dekking. Een aangezochte kandidaat heeft vragen over het inbraakalarm. Is het mogelijk dat wij een kopie ontvangen van het certificaat waaruit de klasse van het alarm blijkt. Heb het dossier er op nageslagen en zie het er niet in terug. Gezien de geldende alarm clausule had dit niet mogen ontbreken in ons dossier. Derhalve goed dat het nu (weer) even actueel wordt en dat het dossier op orde kan worden gebracht op dit punt. Hoop dat het gevraagde spoedig kan worden aangeleverd.”

3.12.

[naam gedaagde 1] heeft op 20 juli 2017 bij [naam eiser] een kopie van het certificaat van het inbraakalarm opgevraagd. [naam eiser] had eerder, op 16 april 2017, bij een alarminstallatiebedrijf een offerte voor een uitgebreid inbraakalarmsysteem gevraagd.

Het bericht van [naam gedaagde 1] aan [naam eiser] (10.46 uur) luidt: “Bijgaand het voorstel van [naam gedaagde 2] . Zoals afgesproken ga ik verder kijken bij andere partijen. Ik ga dat doen incl materiaal van derden en op basis van G14 evenementendekking + diefstaldekking. Tevens ga ik het montagerisico eruit halen. Zoals afgesproken ga jij een alarmcertificaat opvragen bij de installateur tbv de brandverzekering.”

[naam gedaagde 1] heeft op 20 juli 2017 (11.30 uur) aan [naam gedaagde 2] gemeld: “Helaas zijn wij ook niet in bezit van het alarmcertificaat. Dit is inmiddels opgevraagd bij de klant. Zie mail hieronder aan klant.”

Installatie van een gecertificeerd inbraakalarmsysteem had toen niet plaatsgevonden.

3.13.

Op 16 augustus 2017 heeft [naam 2] een concept-taxatierapport en op 28 augustus 2017 een definitief taxatierapport uitgebracht met daarin opgenomen een getaxeerde waarde voor inventaris van € 12.740.000,00.

3.14.

Op 27 augustus 2017 heeft brand gewoed in het pand. Daarbij is de daarin aanwezige bedrijfsinventaris van [naam eiser] geheel verloren gegaan.

3.15.

Nadat de schade aan haar was gemeld, heeft Generali een expert, [naam 7] , ingeschakeld om met de door [naam eiser] ingeschakelde contra-expert, [naam 4] , overeenkomstig artikel 8.2.1 van de polisvoorwaarden de omvang van de schade door de brand vast te stellen.

3.16.

Over de onder 3.15 bedoelde schadevaststelling is door de experts gecorrespondeerd, onder meer als volgt:

3.16.1

Op 25 april 2018 bericht [naam 4] ( [naam 5] ) aan [naam gedaagde 2] ( [naam 6] ): “Tussentijds overleg met verzekerde heeft ons tot de overtuiging gebracht dat het door ons gekozen uitgangspunt – de claim definiëren op basis van de specifieke materialen en hoeveelheden - niet tot het gewenste inzicht leidt.

Daarom hebben wij nu gekozen de claim te baseren op de met de investeringen gemoeide geldstromen. Vorige week hebben wij vastgesteld dat we daartoe nog aanvullende informatie nodig hebben. Deze hebben wij bij de administrateur van verzekerde opgevraagd. (…) Zodra wij de benodigde informatie hebben verzameld zullen wij deze bestuderen en gebruiken om een daadwerkelijke claim met onderbouwing inzake de inventaris te produceren.

Wanneer deze voldoet aan onze maatstaven zullen wij de claim aan de experts van [naam 7] voorleggen.

3.16.2

In een verslag van een telefoongesprek van 7 november 2018 met [naam 4] ( [naam 5] ) noteert [naam gedaagde 2] ( [naam 6] ): “ [naam 5] geeft aan dat zij behoorlijke tijd nodig hebben gehad om de boekhouding van verzekerde te doorgronden. (…) dat zij in eerste instantie de schade wilde berekenen op basis van inkoop - verkoop. Er zijn hierover besprekingen geweest met verzekerde en diens accountant.

Dit uitgangspunt bleek niet te werken en [naam 5] is overgestapt op een schade op basis van geldstromen.

Vanaf 2012 is er aan 4,8 miljoen ingekocht. Er is verkocht voor 3 ton, ergo blijft er 4,5 miljoen over. Opgewaardeerd in de loop der jaren hebben we het over 9 miljoen euro.

(…) Hij vindt dat verzekerde toch info moet aanleveren.

Het is niet verstandig [naam 7] en Generali te veel tegen de haren in te strijken en als je meent dat je niets hebt te verbergen ....

Verder lukt het niet vast te houden aan het taxatierapport. Dus hebben we te maken met een open polis en ook met eventuele afschrijving.

Ik heb [naam 5] gevraagd mij op de hoogte te houden (…)”

3.16.3

Op 17 januari 2019 noteert [naam gedaagde 2] ( [naam 6] ) in een verslag van een bezoek van [naam 7] ( [naam 8] ): “Bezoek van [naam 8] / LLH - uitleg over de ingediende claim en onderbouwing daa[r]van.

[naam 8] heeft de door [naam 4] afgegeven boekhouding van verzekerde uitgespit en in kaart gebracht. [naam 4] heeft de claim als het ware gebaseerd op geldstromen via bankafschriften naar facturen.

Verzekerde heeft veel aangekocht in de loop der jaren. Al hetgeen verzekerde aankocht werd geboekt als kosten en niet geactiveerd. (…)

Daarnaast zijn er nog meer investeringen gedaan voor 1,8 mln. Basisclaim is 4,8 mln. Hier gaan weer posten af zoals desinvesteringen (..), Dan zitten we aan 4,4 mln. Daar komt bij indexering waardoor de claim wordt verhoogd naar 4,575 mln. Vervolgens wordt de claim

Verdubbel[d] naar 9,151 mln op grond van zelfbewerking/modificatie waarvan verzekerde / [naam 4] zegt dat de waarde stijgt met 100%. Ten slotte beschikt verzekerde nog over een partij (…) Samsung monitors (…) Dit vertegenwoordigt een waarde van 175.000 euro. Plus nog enkele aanvankelijk vergeten posten (goederen elders) komt de totale claim afgerond op 9,8 mln.

Onduidelijkheden in de claim/onderbouwing :

(…)

Als je alle onzekerheden c.q. de te betwiste bedragen buiten beschouwing laat dan houd je een schade over van ongeveer 2 mln.

[naam 8] vindt dit ook wel een bedrag dat verzekeraars reëel gezien zouden kunnen aanhouden om de schade af te kopen, mocht dit aan de orde zijn.

[naam 8] heeft in de week voor Kerst 2018 zijn bevindingen gepresenteerd aan

[naam 4] . Die waren toch wel verrast door hetgeen [naam 8] heeft uitgezocht.

Afgesproken is dat [naam 4] [naam 8] 's bevindingen zal bespreken met verzekerde en diens accountant.”

3.16.4

In een verslag van een telefoongesprek van 7 mei 2019 met [naam 4] ( [naam 5] ) noteert [naam gedaagde 2] ( [naam 6] ): “Gevraagd hoe de bespreking met [naam 7] gisteren is gegaan.

[naam 5] vertelde dat het een constructieve positieve bespreking is geweest.

Partijen wilden er wel uitkomen. Het berekenen van de schade is lastig. Er zijn te veel onduidelijkheden / inschattingen hetgeen een te grote impact hebben op de schadeberekening. Ze zijn dus gaan kijken naar een bedrag dat in alle redelijk de (inventaris)schade kan vertegenwoordigen. Zij zijn uitgekomen op 3 mln euro, zijnde de verzekerde som. Zij hebben geen rekening gehouden met een eventuele verzekerde som van 5,5 mln. Dit kwam twee weken terug opeens uit de hoge hoed. Experts zijn uit elkaar gegaan met de afspraak dat zij het voorstel van 3 mln zullen voorleggen aan de achterban.

Getracht wordt daar deze week helderheid over te krijgen.

Bedrijfsschade wordt op 5 ton geraamd, doch verzekerde moet nog een onderbouwing geven van enkele kosten.

[naam 5] heeft verzekerde al even gesproken. Verzekerde heeft aangegeven, gezien het juridische traject tussen advocaten, zich terughoudend op te stellen, verzekerde gaf wel aan het niet verkeerd klinkt, doch stelt wel dat hij met dit bedrag zijn business niet meer kan voortzetten zoals voor de brand.”

3.16.5

In een verslag van een telefoongesprek van 11 juni 2019 met [naam 4] ( [naam 5] ) noteert [naam gedaagde 2] ( [naam 6] ): “Gevraagd hoe het staat met het voorstel aan partijen (verzekerde en Generali) om akkoord te gaan [-]met 3 mln euro.

[naam 5] legt uit dat er twee trajecten zijn die parallel lopen.

1 - traject experts

2 - traject advocaten

Destijds is er een overleg geweest (6 mei) tussen LLH en [naam 4] over de schadevaststelling. LLH gaf aan dat zij uitkwamen op een bedrag van 2,3 mln als schade. Daarbij had LLH gerekend met minimale inschattingen en maximale afschrijvingen. [naam 4] heeft vervolgens aangegeven dat bepaalde percentages anders kunnen, worden gezien en vond dat de schade wel 4 a 5 mln euro be[d]raagt. In overleg is daaruit het bedrag van 3 mln euro als een soort deal voortgekomen dat zowel [naam 4] als LLH verdedigbaar vinden.

LLH heeft (…)gezegd dat er een deal ligt ter goedkeuring voor 3 mln euro maar dat zij zelf de schade op 2,3 mln zouden vaststellen.

[naam 5] heeft gehoord dat advocaten dit verder hebben opgepakt en vind[t] eigenlijk, aangezien het om een "deal" gaat, dat het niet aan experts is om die deal te sluiten.

Vanwege het feit dat het feitelijk om een deal gaat is er geen akte van taxatie opgemaakt.

Verder deelde [naam 5] mee dat communicatie met LLH moeizaam verloopt.”

3.17.

Bij vonnis van 17 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank op vordering van [naam eiser] Generali veroordeeld € 1 miljoen te betalen als voorschot op de uitkering op grond van de polis. Generali heeft daaraan uitvoering gegeven.

3.18.

Generali en [naam eiser] hebben een minnelijke regeling getroffen op grond waarvan Generali ter zake van de schade door de brand een schade-uitkering (inclusief het onder 3.17 bedoelde voorschot) heeft gedaan van € 2 miljoen. Generali heeft aan [naam eiser] afschriften verstrekt van correspondentie met [naam gedaagde 2] over de verhoging van de verzekerde som tot € 5,5 miljoen.

3.19.

De opdracht tot vaststelling van de schade als gevolg van de brand overeenkomstig artikel 8.2.1 van de polisvoorwaarden is ingetrokken.

4. De vordering

4.1.

[naam eiser] vordert - verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:
[naam gedaagde 1] te veroordelen om aan [naam eiser] € 10.557.441,00, te betalen,

voorwaardelijk subsidiair:

[naam gedaagde 2] althans [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] gezamenlijk al dan niet

hoofdelijk te veroordelen om aan [naam eiser] € 3.011.250,00 te betalen,
alsmede [naam gedaagde 1] te veroordelen om aan [naam eiser] € 7.546.191 te betalen,

een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

4.2.

[naam eiser] heeft aan zijn vordering, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

4.3.

[naam gedaagde 1] is jegens [naam eiser] tekortgeschoten in de naleving van haar actieve zorgplicht als assurantietussenpersoon. Als [naam gedaagde 1] met regelmaat zou hebben geadviseerd, zoals zij had behoren te doen, over het verzekerde risico en zou hebben gewezen op het risico van onderverzekering en de mogelijkheid van een taxatie om onderverzekering te voorkomen, zou [naam eiser] adviezen tot (verdere) verhoging van de verzekerde som zeker al veel eerder hebben opgevolgd.

4.4.

[naam gedaagde 1] is verder tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht doordat de verhoging van de verzekerde som tot € 5,5 miljoen, die [naam gedaagde 1] aan [naam eiser] had bevestigd, niet daadwerkelijk is doorgevoerd. Op dat punt rustte op [naam gedaagde 1] een resultaatsverbintenis. [naam gedaagde 1] is in dit verband aansprakelijk voor fouten van [naam gedaagde 2] die zij als hulppersoon had ingeschakeld bij de verhoging van de verzekerde som.

4.5.

De schade die [naam gedaagde 1] dient te vergoeden, bestaat uit het tekort op de schade-uitkering als gevolg van onderverzekering. De waarde van de inventaris die bij de brand verloren is gegaan bedraagt € 12.577.441,00. Daarop strekt in mindering het bedrag van € 2 miljoen dat Generali op grond van de schikking ter zake van de brand heeft uitgekeerd aan [naam eiser] , zodat in hoofdsom € 10.577.441,00 te vorderen resteert.

4.6.

Subsidiair en voorwaardelijk ten aanzien van [naam gedaagde 2] , namelijk indien en voor zover [naam gedaagde 1] niet volledig aansprakelijk gehouden kan worden voor het uitblijven van de verhoging van de verzekerde som van € 3 miljoen naar € 5,5 miljoen, rust (ook) op [naam gedaagde 2] de plicht het deel van de schade dat daardoor is veroorzaakt aan [naam eiser] te vergoeden.

4.7.

[naam gedaagde 2] is namelijk als opdrachtnemer van [naam gedaagde 1] tekortgeschoten in haar verplichting in die hoedanigheid het belang van [naam eiser] bij verhoging van de verzekerde som van € 3 miljoen naar € 5,5 miljoen voldoende te behartigen. Zij heeft immers verzuimd de gevraagde en ook door haar toegezegde verhoging van de dekking te realiseren.

4.8.

Deze nalatigheid levert een onrechtmatige daad op van [naam gedaagde 2] jegens [naam eiser] . [naam gedaagde 2] is gehouden de schade die [naam eiser] als gevolg daarvan lijdt te vergoeden.

4.9.

Het deel van de schade dat in dat geval is toe te schrijven aan de fout van [naam gedaagde 2] bedraagt € 3.011.250,00. Dit bedrag is als volgt samengesteld. Nadat [naam gedaagde 2] had nagelaten conform de wens van Generali 50% van het risico van de beoogde verzekerde som van € 5,5 miljoen uiterlijk 27 augustus 2017 elders onder te brengen, heeft Generali zich op het standpunt gesteld dat de tijdelijke dekking tot 100% van de verhoogde som verviel en dat zij nog maar voor 50% van de verhoogde som risico droeg. Als gevolg daarvan is de dekking voor inventaris en goederen verlaagd van € 3 miljoen naar € 2,75 miljoen, de dekking voor bedrijfsschade gehalveerd tot € 250.000,00 en de dekking voor huurdersbelang gehalveerd tot € 11.250,00. In totaal levert dat een schadepost op van € 3.011.250,00.

4.10.

[naam eiser] heeft aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 27 augustus 2017, dat is de datum waarop [naam gedaagde 2] wist dat zij niet voor 100% dekking op de polis had gezorgd. Subsidiair bestaat aanspraak op vergoeding van wettelijke rente met ingang van 31 augustus 2017, de datum waarop [naam eiser] aan [naam gedaagde 1] heeft bevestigd dat zij erover is geïnformeerd dat de verhoging van de verzekerde som tot € 5,5 miljoen niet was doorgevoerd. Meer subsidiair bestaat aanspraak op vergoeding van wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 respectievelijk 3 mei 2019, de data waarop [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] opnieuw aansprakelijk zijn gehouden voor de onderverzekering. In ieder geval bestaat aanspraak op vergoeding van wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.

4.11.

[naam eiser] heeft aanspraak op vergoeding van in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 6.675,00.

4.12.

Op de voet van artikel 6:69 lid 2 sub b BW heeft [naam eiser] aanspraak op vergoeding van de kosten van het rapport waardebepaling inventaris door [naam 4] Expertise van 13 november 2020. Deze bedragen € 27.825,00 exclusief BTW.

5. Het verweer van [naam gedaagde 1]

5.1.

concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [naam eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. [naam gedaagde 1] voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.

5.2.

Nu [naam eiser] met Generali heeft geschikt voor € 2 miljoen terwijl de verzekerde som € 3 miljoen bedroeg, kan er geen causaal verband bestaan tussen het verwijt dat de verzekerde som niet méér dan € 3 miljoen bedraagt en de schade die [naam eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van uitblijven van verhoging van de verzekerde som. De keuze om de omvang van de schade niet door experts te laten vaststellen overeenkomstig de bepalingen van de polis, maar te schikken voor € 2 miljoen, komt voor rekening en risico van [naam eiser] . Uit de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 2] en de daarbij overgelegde producties blijkt dat de experts die na de brand zijn ingeschakeld in goed overleg steeds dichter bij de vaststelling van de schade zijn gekomen, waarbij zij uiteindelijk voorstelden de schade vast te stellen op € 3 miljoen.

5.3.

Op grond van artikel 12 lid 5 van de Algemene Voorwaarden is de aansprakelijkheid van [naam gedaagde 1] als assurantietussenpersoon beperkt tot € 5 miljoen.

5.4.

[naam gedaagde 1] heeft jegens [naam eiser] voldaan aan haar zorgplicht als assurantietussenpersoon. Bij herhaling is [naam eiser] vanaf 2008 gewezen op de risico’s van onderverzekering. [naam eiser] heeft herhaalde adviezen van [naam gedaagde 1] om de waarde van de bedrijfsinventaris te laten taxeren uiteindelijk steeds niet opgevolgd. [naam eiser] heeft deze adviezen bewust niet nageleefd om premieverhoging te vermijden.

5.5.

[naam eiser] zag geen belang van dekking tot de nieuwwaarde van de inventaris, doordat hijzelf voor een belangrijk deel de waarde daarvan creëerde door samenstelling en verbetering van onderdelen. Pas in 2017 zag [naam eiser] in, dat daadwerkelijk een taxatie van de waarde van de inventaris zou moeten plaatsvinden. Vanaf dat moment heeft [naam gedaagde 1] alles in het werk gezet om tot een taxatie te komen.

5.6.

[naam gedaagde 1] treft geen verwijt dat de verzekerde som ten tijde van de brand niet nogmaals was verhoogd, nu tot € 5,5 miljoen. [naam gedaagde 1] heeft de verzoeken tot verhoging steeds direct doorgegeven aan [naam gedaagde 2] . Het is niet aan [naam gedaagde 1] te wijten dat Generali voor de tweede verhoging een tweede risicodrager voor 50% wenste, noch dat de aangezochte tweede risicodrager over een alarmcertificaat van [naam eiser] wilde beschikken. Die wens is aan [naam eiser] doorgegeven. Om over een dergelijk certificaat te kunnen beschikken was eerst kort voor de brand een beveiligingsbedrijf ingeschakeld. De tweede verhoging van de dekking had dus hoe dan ook niet verwezenlijkt kunnen worden voor de brand.

5.7.

[naam gedaagde 1] betwist dat taxatie van de bedrijfsinventaris zou hebben geleid tot een verzekerde som van meer dan € 12 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen van [naam gedaagde 1] met [naam eiser] , en in het bijzonder diens bereidheid risico’s te nemen en zijn kostenbewustzijn, ligt het voor de hand dat [naam eiser] na taxatie voor een aanzienlijk lagere verzekerde som zou hebben gekozen.

5.8.

[naam gedaagde 1] betwist dat de volledige bedrijfsinventaris bij de brand verloren is gegaan. Het kwam vrijwel nooit voor dat deze inventaris in zijn geheel in het pand aanwezig was.

5.9.

De gestelde schade dient op grond van het bepaalde in artikel 6:101 BW in verhouding tot [naam gedaagde 1] geheel of grotendeels voor rekening en risico van [naam eiser] te blijven.

5.10.

[naam gedaagde 1] bestrijdt de wettelijke rente voor zover gevorderd met ingang van een eerdere datum dan die waarop de dagvaarding is uitgebracht.

5.11.

[naam gedaagde 1] bestrijdt de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Er zijn niet meer of andere kosten gemaakt dan die, waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden.

5.12.

[naam gedaagde 1] bestrijdt dat het rapport van [naam 4] enig redelijk doel diende. De kosten van het rapport komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

6. Het verweer van [naam gedaagde 2]

6.1.

concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [naam eiser] in de kosten van het geding, te vermeerderen met rente en nakosten, en bij toewijzing geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad uit te spreken, of daaraan een zekerheidstelling te verbinden. Zij voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.

6.2.

Op [naam gedaagde 2] rustte na de daartoe ontvangen instructie van haar opdrachtgever [naam gedaagde 1] (namens [naam eiser] ) de inspanningsverplichting de verzekerde som te verhogen van € 3 miljoen naar € 5,5 miljoen. [naam gedaagde 2] heeft nooit toegezegd of bevestigd dat de verzekerde som daadwerkelijk verhoogd zou worden naar € 5,5 miljoen. Een eventuele toezegging of bevestiging van die aard van [naam gedaagde 1] aan [naam eiser] kan [naam gedaagde 2] niet worden tegengeworpen.

6.3.

[naam gedaagde 2] heeft het verzoek tot verhoging van de verzekerde som direct doorgestuurd aan Generali, en zij heeft vervolgens, op het verzoek van Generali, een tweede verzekeraar voor co-assurantie benaderd en daarna diens verzoek om een alarmcertificaat aan [naam gedaagde 1] doorgegeven. Daarmee heeft [naam gedaagde 2] voldaan aan haar inspanningsverplichting jegens haar opdrachtgever [naam gedaagde 1] . Het kan [naam gedaagde 2] niet worden tegengeworpen dat het verlangde alarmcertificaat niet voor de brand beschikbaar kwam en dat daardoor de verhoging van de verzekerde som niet voor de brand is gerealiseerd.

6.4.

Over schade die op basis van de polis zou kunnen worden vergoed als bedrijfsschade of huurdersbelang is niets gesteld, zodat die onderdelen buiten beschouwing moeten blijven. De schade door de brand aan inventaris en goederen is niet vastgesteld overeenkomstig de daarvoor voorgeschreven procedure in artikel 8 van de polisvoorwaarden.

6.5.

Het bleek na de brand voor de experts [naam 7] en [naam 4] bijzonder lastig vast te stellen over welke bedrijfsinventaris [naam eiser] beschikte in het pand en welke waarde daaraan kon worden toegekend. [naam 7] en [naam 4] hebben tegen die achtergrond, en met instemming van [naam eiser] , er overeenstemming over bereikt, dat een bedrag van € 3 miljoen in redelijkheid de schade aan de bedrijfsinventaris als gevolg van de brand zou kunnen vertegenwoordigen. Schadevaststelling overeenkomstig de polisvoorwaarden door experts zou niet op een hoger bedrag zijn uitgekomen.

6.6.

Niet valt in te zien dat de schikking die [naam eiser] trof met Generali bij een hogere verzekerde som op een hoger bedrag zou zijn uitgekomen dan € 2 miljoen. [naam eiser] heeft daarover ook niets gesteld. De vraag naar de schade is daarom achterhaald.

6.7.

[naam gedaagde 2] bestrijdt de gevorderde wettelijke rente. Over het moment waarop schade zou zijn ontstaan als gevolg van een fout van [naam gedaagde 2] is niets gesteld.

6.8.

[naam eiser] heeft in de verhouding tot [naam gedaagde 2] geen buitengerechtelijke kosten gemaakt die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen.

6.9.

[naam gedaagde 2] bestrijdt dat de gevorderde kosten van het rapport van [naam 4] zijn aan te merken als schade als gevolg van enige fout van [naam gedaagde 2] en zij bestrijdt dat de gevorderde kosten redelijk zijn.

6.10.

De gestelde schade is te wijten aan eigen schuld van [naam eiser] .

6.10.1.

[naam eiser] is zelf nalatig geweest tijdig een verhoging van de verzekerde som te regelen, hoewel hij bij eerdere schades geconfronteerd is met de nadelige gevolgen van onderverzekering.

6.10.2.

Het is de eigen verantwoordelijkheid van [naam eiser] om voor een toereikend alarmsysteem te zorgen om inventaris en goederen te beveiligen.

6.10.3.

Hoewel er een gezamenlijk voorstel van de schade-experts lag om de schade vast te stellen op € 3 miljoen, heeft [naam eiser] ingestemd met een uitkering onder de verzekering van € 2 miljoen; [naam eiser] heeft ervoor gekozen de brandschade niet formeel te laten vaststellen overeenkomstig de polisvoorwaarden.

6.11.

[naam gedaagde 2] verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eventueel toewijzend vonnis omdat er dan een reëel restitutierisico zou ontstaan. Subsidiair verzoekt zij om die reden te bepalen dat zekerheid moet worden gesteld.

7. De beoordeling

7.1.

De omstandigheid dat [naam eiser] een schikking met Generali is aangegaan voor € 2 miljoen kan, anders dan [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] voorstaan, naar het oordeel van de rechtbank niet met succes aan [naam eiser] worden tegengeworpen als verweer tegen zijn vorderingen. Die vorderingen gaan uit van een dekkingstekort dat een veelvoud van dat bedrag zou belopen en dat volgens zijn stellingen aan tekortschieten van [naam gedaagde 1] en/of [naam gedaagde 2] is te wijten. Uit het aangaan van de schikking kan niet worden afgeleid dat [naam eiser] zijn eventuele aanspraken jegens [naam gedaagde 1] en/of [naam gedaagde 2] ter zake van een gesteld dekkingstekort uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft prijsgegeven, al was het maar omdat [naam eiser] op dat moment nog niet over alle informatie beschikte over het uitblijven van de verhoging van de dekking tot € 5,5 miljoen die hij nu mede aan zijn vordering ten grondslag legt. Daar komt nog bij dat vast staat dat [naam eiser] bij het aangaan van de schikking, op grond van informatie van Generali, ervan is uitgegaan dat Generali ten tijde van de brand nog slechts voor 50% risicodrager zou zijn en er dus een dekking bestond tot € 2,75 miljoen en hem toen nog niet duidelijk was dat en waarom de, volgens zijn onweersproken stelling, eerder door [naam gedaagde 1] bevestigde verhoging van de dekking tot € 5,5 miljoen niet was doorgevoerd.

7.2.

Partijen worden verder onder meer verdeeld gehouden door een aantal feitelijke stellingen – de eerste waarvan hierna onder 7.3. wordt besproken - waarvan de juistheid van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de vraag of de vorderingen van [naam eiser] al dan niet toewijsbaar zijn. De vraag of en in hoeverre [naam gedaagde 1] en/of [naam gedaagde 2] in enig opzicht zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens [naam eiser] wordt om die reden in dit stadium nog niet onderzocht.

7.3.

[naam gedaagde 2] - en in haar navolging ook [naam gedaagde 1] - heeft aangevoerd dat de schade ten gevolge van de brand hoe dan ook zou zijn vastgesteld op € 3 miljoen, zodat de daadwerkelijk uit te keren schadevergoeding nooit meer dan dat bedrag zou hebben bedragen. [naam gedaagde 2] heeft meer in het bijzonder aangevoerd dat voor beantwoording van de vraag of [naam eiser] enige schade heeft geleden door het niet doorvoeren van de verhoging van de dekking naar € 5,5 miljoen, alleen relevant is de schade zoals die vastgesteld zou zijn overeenkomstig de schadevaststellingsprocedure volgens de polis, voor zover deze schade zou zijn uitgekeerd door de verzekeraar. Na de brand was een begin gemaakt met deze schadevaststelling door [naam 7] en [naam 4] . [naam gedaagde 2] voert aan dat schadevaststelling in dit geval bijzonder lastig bleek omdat de experts onmogelijk konden vaststellen welke bedrijfsinventaris van [naam eiser] tijdens de brand in het pand aanwezig was, laat staan wat de waarde daarvan was. Tegen die achtergrond hebben de experts er overeenstemming over bereikt dat een bedrag van € 3 miljoen in redelijkheid de schade als gevolg van de brand zou vertegenwoordigen, aldus [naam gedaagde 2] , en, zoals overwogen, in haar navolging ook volgens [naam gedaagde 1] .

De rechtbank zal uit proceseconomische overwegingen eerst [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] het bewijs van deze betwiste stelling opdragen. Dit is een bevrijdend verweer waarvan zij de bewijslast dragen.

7.4.

Voor het geval [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] niet in het onder 7.3 bedoelde bewijs slagen, overweegt de rechtbank als volgt.

Beoordeeld zal dan moeten worden of [naam gedaagde 1] , zoals gesteld (en te bewijzen) door [naam eiser] , in de nakoming van haar zorgplicht jegens [naam eiser] is tekortgekomen. En indien en voor zover dat het geval is geweest, is relevant dat [naam gedaagde 1] gemotiveerd heeft weersproken dat zonder die beweerde tekortkoming in de nakoming van haar zorgplicht, [naam eiser] een polis zou hebben gesloten met een getaxeerde waarde voor inventaris en goederen van € 12.577.441,00.

In de zaak tussen [naam eiser] en [naam gedaagde 1] rust op [naam eiser] de last feiten te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat hij bij nakoming van de zorgplicht van [naam gedaagde 1] wèl een polis zou hebben gesloten met een getaxeerde waarde voor inventaris en goederen van € 12.577.441,00. Indien het op bewijslevering ter zake aankomt, komt dat er dus op neer dat ten eerste bewezen moet worden dat de bedrijfsinventaris dat waard was en dat een taxateur de bedrijfsinventaris tegen die waarde zou hebben getaxeerd, op basis van de toen aanwezige informatie. Ten tweede moet dan bewezen worden dat hij, [naam eiser] , die inventaris ook werkelijk voor dat bedrag zou hebben verzekerd. Omdat dat tweede aspect een situatie betreft die zich niet alleen niet heeft voorgedaan maar naar haar aard ook veel onzekerheden kent, zullen in voorkomend geval aan het bewijs minder hoge eisen worden gesteld. Ten slotte zal in dat geval ook nog moeten worden vastgesteld welk deel van de inventaris ten tijde van de brand in het pand aanwezig was.

7.5.

In afwachting van de eventuele bewijslevering als bedoeld onder 7.3 zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

7.6.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat er per dagdeel ten hoogste drie getuigen kunnen worden gehoord. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

8. De beslissing

De rechtbank

8.1.

draagt [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] op te bewijzen dat de experts er overeenstemming over hebben bereikt dat het bedrag van € 3 miljoen in redelijkheid de schade als gevolg van de brand zou vertegenwoordigen,

8.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 januari 2022 voor uitlating door [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

8.3.

bepaalt dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

8.4.

bepaalt dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] , indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juli 2022 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

8.5.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. A.J.P. van Essen in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

8.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

8.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. A.J.P. van Essen en mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.

196/106/638

……………………… ……………………………..

(griffier) (voorzitter)