Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12336

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
15-12-2021
Zaaknummer
10/102520-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

spookwoning, 5 kilo cocaïne, witwassen 160.000 en 2 vuurwapens met munitie. 3 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/102520-21

Datum uitspraak: 15 december 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen

en zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in P.I. Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort weergegeven wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van geld (€ 160.900,-) verboden wapenbezit (2 pistolen en bijbehorende munitie) en drugsvervoer (bijna 5 kilogram cocaïne).

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. Van Galen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    verbeurdverklaring van de op de beslaglijst onder 2, 9 en 10 genoemde goederen.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vaststaande feiten

In deze zaak staat op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 14 april 2021 rijdt de verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] )

in een Mercedes E220 met het kenteken [kentekennummer] vanuit [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2]. Verbalisanten zien in de [straatnaam] in [plaatsnaam 2] dat de verdachte uitstapt en [naam medeverdachte] als bestuurder in de Mercedes blijft wachten. Verbalisanten zien de verdachte later in het gezelschap van een andere man uit het portiek van de [adres 1] komen, waarbij de andere man een tas draagt en er bij de Mercedes iets wordt overgedragen. Daarna rijdt [naam medeverdachte] met de verdachte als bijrijder weer terug naar de huurwoning van de verdachte aan de [adres 2] (hierna ook “de woning”). Bij terugkomst wordt de Mercedes met inzittenden door de politie gecontroleerd, waarbij in een verborgen ruimte achter de achterbank van de Mercedes iets minder dan vijf kilo cocaïne is aangetroffen. In de woning is op dezelfde dag een groot contant geldbedrag aangetroffen, waarvan € 155.900,- in de verborgen ruimte achter een sierhaard en € 5.000,- in een jas. In de woning zijn ook twee vuurwapens en drie houders met patronen gevonden.

4.2.

Preliminair verweer verdediging

Door de raadsman is integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde allereerst aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Volgens de raadsman zijn de doorzoeking van de Mercedes en de daaropvolgende aanhouding en fouillering van de verdachte onrechtmatig. Op het moment van doorzoeking bestond immers geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De verdachte is daardoor in zijn persoonlijke levenssfeer aangetast. Dit dient te leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat daarvan het gevolg is geweest, te weten de in de auto aangetroffen cocaïne. Wegens het ontbreken van voldoende resterend bewijs, kan het onder 3 ten laste gelegde niet worden bewezen verklaard.

4.2.1

Beoordeling

Uit het dossier volgt dat gebruikers van de Mercedes meerdere malen met een gevulde boodschappentas, big shoppers en/of vuilniszakken in- en uitstappen op de parkeerplaats die hoort bij de woning aan de [adres 2] en in en uit het appartementencomplex lopen. Daarbij worden niet alle tassen achter in het voertuig geplaatst, maar meegenomen in het passagiersgedeelte van de Mercedes. Ook blijkt uit het dossier dat gebruikers van de Mercedes door het achterportier op de achterbank klimmen of tussen de voorstoelen handelingen verrichten, waarna er gevulde tassen uit de Mercedes worden getild of een eerst gevulde tas vervolgens leeg uit het voertuig komt. Verder is gebleken dat op het adres [adres 2] niemand staat ingeschreven, terwijl de woning wel degelijk wordt gebruikt. Naar aanleiding van deze bevindingen, in combinatie met de hiervoor omschreven gang van zaken in de [straatnaam] in [plaatsnaam 2] , is de Mercedes op 14 april 2021 bij terugkomst in [plaatsnaam 1] gecontroleerd en doorzocht, is de verdachte aangehouden en diens woning doorzocht.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden voorafgaande aan de doorzoeking van de auto en de aanhouding van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld kon worden aangenomen dat de verdachte zich aan overtreding van de Opiumwet had schuldig gemaakt en dat het daarbij ging om een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De rechtbank acht de aanhouding van verdachte en de daaropvolgende doorzoeking van de Mercedes daarom rechtmatig. Van een onherstelbaar vormverzuim is geen sprake. Het preliminaire verweer wordt verworpen.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

De verdachte wist niet van de cocaïne die in de Mercedes is aangetroffen en evenmin van het geld in de woning en had over beide ook geen beschikkingsmacht.

De Mercedes is niet van de verdachte, hij maakte er ook geen gebruik van. De verdachte was op 14 april 2021 bovendien niet de bestuurder, maar slechts bijrijder.

Ook van de woning is de verdachte niet de eigenaar, slechts een tijdelijke huurder. Er verbleven meerdere personen in de woning en de verdachte verbleef op het moment dat het geld werd aangetroffen niet in de directe nabijheid.

Voorts is betoogd dat geen sprake is van medeplegen, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met een of meer anderen.

4.3.2.

Beoordeling feit 2 (wapen bezit)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 tenlastegelegde vuurwapens voorhanden heeft gehad.

De rechtbank overweegt daarover volgende. De vuurwapens zijn aangetroffen in de woning waarvan de verdachte op dat moment de bewoner was. De bewoner van een woning - ook al is dat wellicht voor korte duur - wordt in beginsel geacht bekend te zijn met datgene wat zich in de woning bevindt en daarvoor verantwoordelijk te zijn, tenzij aannemelijk wordt dat die bewoner niet bekend was met de aanwezigheid van bepaalde zaken en daarmee niet bekend had behoren te zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake. De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor het aantreffen van de goederen (naast de vuurwapens ook een groot contant geldbedrag, waarover hierna) in zijn woning. Op de vuurwapens is bovendien DNA-materiaal van de verdachte en de medeverdachte aangetroffen. [naam medeverdachte] heeft verklaard de vuurwapens met de verdachte bekeken en vastgehouden te hebben. Volgens [naam medeverdachte] was de verdachte op de hoogte van de aanwezigheid van de vuurwapens en bewaarde de verdachte deze tijdelijk voor een kennis van hem. Uit een en ander wordt afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen vuurwapens en munitie en dat hij hier ook over kon beschikken.

Dat de vuurwapens zijn aangetroffen in een andere ruimte dan de kamer die de verdachte gebruikte doet hier niet aan af. Het verweer dat de verdachte zich op 14 april 2021 niet in de woning bevond, vindt zijn weerlegging in het bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vuurwapens op 14 april 2021 in de woning zijn aangetroffen en de verklaring van de verdachte dat hij de vaste gebruiker en enige huurder van de woning is.

4.3.3.

Beoordeling feit 1 (witwassen)

Het verweer dat de verdachte geen wetenschap had van het in de woning verborgen geld wordt verworpen. Net als bij de aangetroffen vuurwapens zijn de contante geldbedragen van in totaal € 160.900,- aangetroffen in de woning waarvan de verdachte op dat moment al een half jaar de bewoner was. Ook hier geldt dat de verdachte in beginsel geacht wordt bekend te zijn met datgene wat zich in de woning bevindt, tenzij aannemelijk wordt dat dit anders is. Ook voor de aanwezigheid van de contante geldbedragen heeft de verdachte geen enkele verklaring gegeven. Dat een geldbedrag van een dergelijke omvang gedurende een half jaar zonder dat de verdachte het wist in de woning heeft gelegen, acht de rechtbank, in aanmerking genomen het geheel aan vastgestelde omstandigheden, niet aannemelijk. De verdachte wist dus dat het geldbedrag in de woning aanwezig was.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

De verdachte bevond zich op het moment van aanhouding in een auto met een grote hoeveelheid cocaïne in een verborgen ruimte en verbleef in een woning waar – ook weer grotendeels verborgen – een contant geldbedrag van € 160.900,- werd aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het in de woning aanwezig hebben van zulke grote contante geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en bovendien zeer ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen.

Daar komt bij dat in de woning ook vuurwapens zijn aangetroffen, met daarop DNA-materiaal van de verdachte en de medeverdachte. De woning betreft een huurwoning in het hogere segment met een substantiële huur, terwijl de verdachte niet heeft toegelicht welke inkomstenbron of vermogen hem in staat stelde om maandelijks deze huurpenningen te voldoen. De verdachte heeft verklaard vanuit Litouwen naar Nederland gekomen te zijn om te werken, maar daarvan is niet gebleken.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten in onderlinge samenhang bezien, is het vermoeden gerechtvaardigd dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Bij afwezigheid van enige verklaring van de verdachte over de herkomst van de geldbedragen, vormt een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring.

4.3.4.

Beoordeling feit 3 (drugs)

De rechtbank is van oordeel dat beide onder feit 3 tenlastegelegde hoeveelheden cocaïne wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Op de verpakking van de in de Mercedes aangetroffen cocaïne is hetzelfde logo (“EA7”) zichtbaar als op een logoplaat die is aangetroffen bij een doorzoeking van de woning aan de [adres 3] . Ter hoogte van deze woning is de verdachte op 14 april 2021 uit een portiek naar de Mercedes gelopen, waar volgens observanten van het Team Parate Eenheid iets overgedragen is. Daar komt bij dat bij de aanhouding van de verdachte in diens jaszak een hoeveelheid van 50,5 gram cocaïne is aangetroffen. Dit gegeven, in combinatie met de hiervoor reeds vastgestelde feiten in onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte ook wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de cocaïne in de verborgen ruimte.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten blijkt dat de verdachte niet ‘slechts’ bijrijder was, maar een actieve rol vervulde. Het hierop gerichte verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

4.3.5.

Medeplegen

De verdachte heeft de feiten in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [naam medeverdachte] gepleegd, zodat sprake is van medeplegen.

4.3.6.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich samen met [naam medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan verboden wapenbezit, witwassen van een bedrag van € 160.900,- en het voorhanden hebben en vervoeren van cocaïne.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Hij op 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met een ander,

een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal 160.900 EUR,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

2.

hij op 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met een ander, tweewapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten - een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock 19 type Gen 4 kaliber 9 mm, en twee patroonmagazijnen,

en

daarbij horende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten

29 kogelpatronen, kaliber 9 mm,

en

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava type M57 kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), en een patroonmagazijn,

En daarbij horende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 9 kogelpatronen kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), voorhanden heeft gehad.

3.

hij op 14 april 2021 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk heeft vervoerd,

- ongeveer 4910,8 gram, van een materiaal

bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- 50,5 50,5 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van witwassen;

2.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermaals gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermaals gepleegd,

3.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de auto waarin de verdachte zich bevond is een verborgen ruimte aangetroffen, met daarin een forse handelshoeveelheid cocaïne. Verder is in de woning van de verdachte ook een aanzienlijk contant geldbedrag, twee vuurwapens, drie patroonhouders met kogelpatronen gevonden. Gegeven deze omstandigheden heeft het er alle schijn van dat dit een ‘spookwoning’ betreft, waarbij de verdachte werkzaam is voor een drugsorganisatie. De verdachte heeft zich hierbij schuldig gemaakt aan witwassen, vuurwapenbezit en het vervoer en voorhanden hebben van bijna vijf kilo harddrugs.

Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Bovendien vormt het een aantasting van de legale economie en is het, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Het is daarnaast algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. Bovendien gaat de handel in harddrugs niet zelden gepaard met andere vormen van ernstige criminaliteit. Het risico daarop is in dit geval temeer niet denkbeeldig, gelet op de vuurwapens en (bijbehorende) munitie die de verdachte voorhanden heeft gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. Tegen verboden vuurwapengebruik dient dan ook streng te worden opgetreden. Dit geldt hier temeer, omdat in de drugshandel het gebruik van vuurwapens niet zelden tot slachtoffers leidt.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 augustus 2021 en op een Litouws uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Verder zal een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daarbij is in aanmerking genomen dat het de verdachte kennelijk werd toevertrouwd om te verblijven in een zeer luxe woning met daarin een aanzienlijk geldbedrag. De verdachte is dan ook geen “kleine jongen”, maar bevindt zich kennelijk hoog in de keten van de (drugs)criminaliteit om met dergelijke grote hoeveelheden geld en drugs te worden vertrouwd. Hij is samen met [naam medeverdachte] in georganiseerd verband te werk gegaan. Tot slot heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft primair gevorderd de in beslag genomen voorwerpen genoemd onder de nummers 2 (verdovende middelen), 9 (€ 155.900,-) en 10 (€ 5.000,-) op de beslaglijst verbeurd te verklaren.

De in beslag genomen voorwerpen genoemd onder de overige nummers op de beslaglijst dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. De verdediging heeft zich gerefereerd.

8.1.

Beoordeling

De verdovende middelen en het geld zullen verbeurd worden verklaard.

De onder 1 en 3 bewezen feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan.

Ten aanzien van het overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

de in beslag genomen contant geldbedragen van € 155.900,- en € 5.000,- genoemd op de beslaglijst onder de nummers 9 en 10;

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 3:

de in beslag genomen cocaïne genoemd op de beslaglijst onder nummer 2;

- gelast de teruggave aan verdachte van de goederen genoemd op de beslaglijst onder de nummers 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11 en 12.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van Dort, voorzitter,

en mrs. W.M. Stolk en H.J. de Kraker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

feit 1:

Hij op of omstreeks 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,

van een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal 160.900 EUR, althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad,

en/of

een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal 160.900 EUR, althans een geldbedrag,

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

(artikel 420bis lid 1 aanhef onder a Wetboek van Strafrecht)

feit 2:

hij op of omstreeks 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,

(twee) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten - een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock 19 type Gen 4 kaliber 9 mm, en/of twee patroonmagazijnen,

en/of

(daarbij horende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten

29 kogelpatronen, kaliber 9 mm, en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava type M57 kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), en/of een patroonmagazijn,

en/of

(daarbij horende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 9 kogelpatronen kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), voorhanden heeft gehad.

(artikel 26 jo. artikel 55 Wet wapens en munitie)

feit 3:

hij op of omstreeks 14 april 2021 te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk

heeft verwerkt en/of verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 4910,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- ongeveer 50,5 gram, in elk bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middels als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

(artikel 10 lid 4 jo. artikel 2 onder B Opiumwet)

(artikel 10 lid 3 jo. artikel 2 onder A Opiumwet)