Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12312

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
16-12-2021
Zaaknummer
C/10/622361 / FA RK 21-5522
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoeken tot herstel ouderlijk gezag, omgangsregeling en informatieregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/622361 / FA RK 21-5522

Datum uitspraak: 26 oktober 2021

Beschikking

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

advocaat: mr. K. Logtenberg, te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2013 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2014 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] ,

[naam kind 3] ,

geboren op [geboortedatum kind 3] 2015 te [geboorteplaats kind 3] , hierna te noemen [naam kind 3] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad gevestigd te Rotterdam,

[naam pleegmoeder kind 1] ,

hierna te noemen de pleegmoeder van [naam kind 1] , wonende te [woonplaats pleegmoeder kind 1] ,

[naam pleegouders] ,

hierna te noemen de pleegouders van [naam kind 2] en [naam kind 3] , wonende te [woonplaats pleegouders] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen de moeder van 3 mei 2021, ingekomen bij de griffie op 19 juli 2021;

- het verweerschrift met bijlagen van de GI van 21 september 2021, ingekomen bij de griffie op 22 september 2021;

- de brief met bijlagen van mr. K. Logtenberg van 23 september 2021, ingekomen bij de griffie op 23 september 2021.

Op 28 september 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. K. Logtenberg,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, [naam 1] en [naam 2] ,

- de pleegmoeder van [naam kind 2] en [naam kind 3] ,

- de pleegzorgwerkers vanuit Enver, [naam 3] en [naam 4] (als informanten).

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de (stief)vader, [naam 5] (als informant),
- de pleegmoeder van [naam kind 1] ,

- de pleegvader van [naam kind 2] en [naam kind 3] ,

- een vertegenwoordig(st)er van de Raad.

De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 6] , vertrouwenspersoon van de moeder.

De feiten

De voogdij over [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] wordt uitgeoefend door de GI.

[naam kind 1] woont bij de pleegmoeder, [naam 7] .

[naam kind 2] en [naam kind 3] wonen in het pleeggezin van [naam pleegouders].

Bij beschikking van 6 maart 2020 van deze rechtbank is het gezag van de moeder over [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] beëindigd en is de GI tot voogdes benoemd.

De verzoeken

De moeder heeft primair herstel in het gezag over [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] verzocht. Subsidiair heeft de moeder verzocht de beslissing overeenkomstig artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan te houden tot het einde van de proeftijd van zes maanden en de kinderen in die tussentijd (deels) bij haar te laten verblijven. Uiterst subsidiair heeft de moeder verzocht een omgangsregeling ingevolge artikel 1:377a BW te bepalen en een informatieregeling vast te leggen, waarin staat dat de moeder rechtstreeks contact kan opnemen met behandelaars en scholen van de kinderen om informatie over haar kinderen te verkrijgen en waarbij zij eens per maand middels een briefrapportage geïnformeerd wordt en onmiddellijk indien nodig.

Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling het verzoek als volgt toegelicht. De moeder is niet in hoger beroep gegaan tegen de beschikking waarin haar ouderlijk gezag is beëindigd, omdat zij een betrokken ouder op afstand wilde blijven en meer onrust wilde voorkomen. De rust is er echter niet gekomen. De kinderen verblijven al voor langere tijd in de pleeggezinnen en de moeder maakt zich zorgen om haar kinderen. Met name [naam kind 2] en [naam kind 3] reageren heftig in het pleeggezin. De moeder heeft meerdere keren aan de GI aangegeven niet tevreden te zijn over de gang van zaken. [naam kind 1] is in een pleeggezin geplaatst waar de moeder zich al vanaf het begin niet in kan vinden. Daarnaast verloopt de samenwerking met de pleegouders van [naam kind 2] en [naam kind 3] ook niet zoals gehoopt. De moeder heeft aangegeven beter op de hoogte gehouden te willen worden en zij heeft gevraagd of er rekening kan worden gehouden met hun cultuur. Het gebeurt echter niet en de kinderen hebben daar last van. Zij verkeren hierdoor in een loyaliteitsconflict. Uit de verslagen van de Video Interactie Begeleiding (hierna: VIB) blijkt dat de moeder goed aansluit op de kinderen en dat de kinderen altijd blij zijn om haar te zien. Daarbij komt dat [naam kind 1] heeft aangegeven bij de moeder te willen wonen. Wat door de GI wordt gesteld, herkent de moeder niet. Dat de kinderen spanning ervaren rondom de omgang, komt doordat zij hun moeder zo weinig zien. De moeder wordt op dit moment los geweekt van haar kinderen, hetgeen niet in het belang van de kinderen wordt geacht. De moeder is daarom van mening dat het voor de kinderen het beste is als zij bij haar zijn en dat zij zelf het beste voor haar kinderen kan zorgen. De moeder heeft zich in de afgelopen periode positief ontwikkeld en zij heeft een stabiel leven opgebouwd. De relatie met de (stief)vader is beëindigd, zij volgt een opleiding, heeft werk en is in therapie. De moeder wil er voor haar kinderen zijn en heeft daar alles voor over. Indien de moeder niet in haar gezag zal worden hersteld, wenst de moeder een uitbreiding van de omgangsregeling.

De standpunten

De GI is van mening dat herstel van het gezag niet aan de orde is. De samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. Een overdracht van de voogdij aan een andere gecertificeerde instelling wordt echter niet in het belang van de kinderen geacht. De voogdes is een vertrouwensband met de kinderen aan het ontwikkelen. Daarbij komt dat het Leger des Heils geen bereidverklaring heeft afgegeven. Ook de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders verloopt moeizaam. De GI was voornemens om op verzoek van de moeder met de pleegouders van [naam kind 2] en [naam kind 3] in gesprek te gaan over de cultuur van de kinderen. Er heeft echter een incident plaatsgevonden waarbij de pleegmoeder zich ernstig bedreigd heeft gevoeld door de moeder, waardoor er op dit moment geen normaal contact tussen de moeder en de pleegmoeder mogelijk is. Verder zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen laten signalen zien van hechtingsproblematiek en trauma’s, waarvoor zij in therapie zijn. Daarnaast verloopt de omgang tussen de moeder en de kinderen niet positief. Met name [naam kind 2] en [naam kind 3] laten heftig gedrag zien rondom de omgang. Uit de CHOP-list is gebleken dat een keer in de acht weken omgang voor [naam kind 2] en [naam kind 3] passend is. Er is echter gekozen om de omgang een keer in de zes weken te laten plaatsvinden, omdat het belangrijk is om het contact met de moeder te stimuleren. De kinderen wonen al vier jaar niet meer bij de moeder en een thuisplaatsing bij de moeder is niet in hun belang. De aanvaardbare termijn is verstreken. In de komende periode zal gekeken worden hoe de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders verbeterd kan worden. Daarna zal een uitbreiding van de omgangsregeling onderzocht worden. Het is echter van belang om de belangen van de kinderen centraal te stellen en hun tempo te volgen.

De pleegmoeder van [naam kind 2] en [naam kind 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het over het algemeen goed gaat met [naam kind 2] en [naam kind 3] . Wel zijn de omgangsmomenten met de moeder belastend voor de kinderen. De kinderen zijn na een omgangsmoment een paar weken ontregeld. Daarnaast zoekt [naam kind 3] sterk de nabijheid van de pleegmoeder en is hij snel afgeleid op school. Hij is bang om verlaten te worden en stelt daar ook regelmatig vragen over. Verder verloopt de samenwerking met de moeder moeizaam.

De pleegzorgwerkster voor [naam kind 2] en [naam kind 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat Basic Trust is ingezet om te werken aan de hechtginsproblematiek van de kinderen. Basic Trust geeft aan dat het van belang is dat de kinderen rust ervaren en dat zij vanuit die rust mogelijk tot ontwikkeling kunnen komen. De kinderen ervaren op dit moment weinig rust rondom de omgang, waardoor de groei in hun ontwikkeling stagneert.

De pleegzorgwerkster voor [naam kind 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat een terugplaatsing of een uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [naam kind 1] is. [naam kind 1] is in therapie om bepaalde gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en het is hiervoor van belang dat hij rust krijgt.

De beoordeling

Ten aanzien van herstel in het gezag:

Het verzoek van de moeder dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:277 BW. Het eerste lid van dit artikel bepaalt: de rechtbank kan de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is;

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat is te dragen.

Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat aan geen van deze criteria wordt voldaan.

In de beschikking van 6 maart 2020 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] de nodige ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. [naam kind 1] is niet alleen getuige en slachtoffer geweest van huiselijk geweld tegen de moeder en hemzelf door zijn stiefvader, maar hij is ook slachtoffer geweest van mishandeling door de moeder. [naam kind 2] en [naam kind 3] zijn na de uithuisplaatsing van [naam kind 1] in verband met de mishandeling door de moeder ook uit huis geplaatst. Beiden zijn ook getuige geweest van spanningen en geweld in de thuissituatie. De ouders zijn vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat gebleken de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn te dragen. Het is belangrijk dat de kinderen verder kunnen opgroeien in een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. Het is voor [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] van belang dat duidelijk is dat zij bij hun pleegouders kunnen en mogen blijven wonen. Dit belang van de kinderen weegt zwaarder dan het belang van de ouders om weer voor de kinderen te zorgen of beslissingen over hen te nemen. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat voldoende inspanningen zijn verricht om een terugplaatsing mogelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat in de huidige situatie een rechtens relevante wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden. Gelet op voornoemde gronden van de gezagsbeëindiging, is het niet opmerkelijk dat de kinderen, ondanks de ingezette therapie om aan hun hechtingsproblematiek te werken, ook nu nog zorgelijke signalen laten zien in de pleeggezinnen. De kinderen hebben, zo wordt ook door de pleegzorgwerkers ter zitting gesteld, nog altijd behoefte aan rust om tot een positieve ontwikkeling te komen. Herstel in het gezag is alleen al om die reden niet in hun belang. Verder is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij duurzaam in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. Dat de moeder nu een stabiele leefsituatie heeft, maakt niet dat zij reeds daarom tegemoet kan komen aan de specifieke behoeften van de kinderen (die zij juist vanwege hun problematiek hebben). In dat kader is ook van belang dat de moeder onvoldoende inzicht lijkt te hebben in de problematiek van de kinderen.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat herstel van het gezag van de moeder niet in het belang van de minderjarigen is en dat de moeder niet duurzaam in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te dragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beslissing, zoals door de moeder verzocht, aan te houden tot het einde van de proeftijd van zes maanden en de kinderen in die tussentijd (deels) bij haar te laten verblijven. Het zou schadelijk zijn om de kinderen al dan niet tijdelijk uit hun vertrouwde omgeving bij de pleegouders weg te halen. Het verzoek van de moeder tot herstel in het gezag zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van een omgangsregeling:

Op dit moment is er sprake van een omgangsregeling waarbij [naam kind 1] eens in de drie weken begeleide omgang heeft met de moeder en [naam kind 2] en [naam kind 3] eens in de zes weken.

De kinderen vertonen allemaal zorgelijk gedrag rondom de omgangsmomenten. In januari 2021 heeft een incident plaatsgevonden tussen de moeder en de pleegmoeder van [naam kind 2] en [naam kind 3] , waar [naam kind 2] en [naam kind 3] getuige van zijn geweest. De onderlinge relatie tussen de moeder en de pleegmoeder van [naam kind 2] en [naam kind 3] is hierdoor verstoord. Naar aanleiding hiervan worden de bezoeken op dit moment begeleid door twee professionals.

De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] is om de omgangsregeling tussen hen en de moeder uit te breiden. Uit hetgeen de GI en de pleegzorgwerkers tijdens de mondelinge behandeling hebben uiteengezet, concludeert de rechtbank dat de frequentie van de omgang op dit moment het hoogst haalbare is.

De rechtbank is van oordeel dat de omgang onder regie en verantwoordelijkheid van de voogdes moet blijven plaatsvinden, waarbij het tempo van de kinderen gevolgd zal moeten worden. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot vaststelling (en uitbreiding) van de omgang, afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat van de GI verwacht wordt dat zij zich zal inspannen om de onderlinge relaties tussen de moeder en de pleegouders te verbeteren.

Ten aanzien van een informatieregeling:

De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom het verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling moet worden toegewezen. In het kader van de voogdijmaatregel dient het opvragen van informatie bij de behandelaren en de scholen van de kinderen via de GI te verlopen. Dit neemt echter niet weg dat de moeder het recht heeft om geïnformeerd te worden over de ontwikkeling van de kinderen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder voorafgaand aan elk bezoek informatie krijgt over de kinderen en daarnaast wordt zij één keer per kwartaal geïnformeerd. De moeder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd waarom dit anders zou moeten. De rechtbank zal daarom het verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. A.J. van Dijk en K.J. van den Herik, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.