Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12108

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
10-12-2021
Zaaknummer
9235999 CV EXPL 21-2258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van de arbeidsovereenkomst. Studiekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9235999 CV EXPL 21-2258

uitspraak: 14 oktober 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[eiser], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam bedrijf],

gevestigd te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. T.J.G. Heideveld,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd. [naam bedrijf] zal worden afgekort tot [naam bedrijf].

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding met bijlagen;

  2. het antwoord van [gedaagde] met bijlagen;

  3. het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

Op 13 september 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De datum voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1

[naam bedrijf] en [gedaagde] hebben op 19 september 2016 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van zeven maanden. Aan deze overeenkomst is met ingang van 19 april 2017 vervolg gegeven middels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast hebben [naam bedrijf] en [gedaagde] een studieovereenkomst gesloten, die door allebei is ondertekend. In de studieovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 4— Terugbetaling studiekosten

1. De werkgever heeft het recht de door hem gedragen kosten in verband met de studie van de werknemer, zoals omschreven in de overeenkomst, van de werknemer terug te vorderen, indien:

- De arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt beëindigd;

- Het dienstverband op grond van een dringende reden zoals omschreven in artikel 677 boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (ontslag op staande voet) wordt beëindigd;

- De studie niet met goed gevolg is afgesloten door omstandigheden die aan de werknemer te wijten zijn;

2. Voor iedere maand dat het dienstverband, na het voltooien of beëindigen van de studie, korter heeft geduurd dan 36 maanden, dienst 1/36-ste deel van de ingevolge artikel 3 toegekende tegemoetkoming te worden terug betaald.”

2.2

Op 30 oktober 2017 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan [naam bedrijf], waarin hij aangeeft zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen, met inachtneming van de opzegtermijn. Derhalve was de laatste werkdag van [gedaagde] 30 november 2017.

3. De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [eiser] € 6.711,25 te betalen, met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot aan de dag van betaling, alsmede de buitengerechtelijke kosten van € 710,56, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

[eiser] baseert zijn vordering op het volgende. [gedaagde] moet op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst en het daarin opgenomen studiekostenbeding een deel van de studiekosten terugbetalen indien hij – kort gezegd – na de opleiding op eigen initiatief minder dan 36 maanden in dienst blijft. Deze verplichting is [gedaagde] niet nagekomen en [gedaagde] is in verzuim. [gedaagde] moet daarom ook buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente betalen.

3.3

[gedaagde] stelt hiertegenover dat de overeenkomst onder dwang tot stand is gekomen en daarom dient te worden vernietigd. Voor zover de overeenkomst in stand blijft, geldt dat [naam bedrijf] kosten heeft gerekend die niet aan haar zijn doorberekend. Slechts voor de instructie SGM en het Rgr-examen zijn (door [naam bedrijf]) kosten gemaakt. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering.

4. De beoordeling

4.1

[eiser] vordert nakoming van de op 8 februari 2017 overeengekomen studieovereenkomst. Ter zitting is gebleken dat het door [eiser] gevorderde bedrag alleen bestaat uit de bedragen waar in de als productie 2 bij de dagvaarding overgelegde Bijlage Kostenspecificatie Studieovereenkomst de opmerking ‘(voltooid)’ achter staat.

4.2

[gedaagde] beroept zich erop dat hij de studieovereenkomst heeft ondertekend onder dwang. Bij antwoord stelde [gedaagde] dat zijn dienstverband niet zou worden verlengd indien hij de overeenkomst niet zou ondertekenen. Ter zitting verklaarde [gedaagde] dat zijn dienstverband weliswaar zou worden verlengd, maar dat hij bij niet-ondertekenen nog slechts ingezet zou worden op het traject Maastricht-Luik, wat voor hem erg ver van huis zou zijn. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om te spreken van bedreiging of dwang als bedoeld in artikel 3:44 lid 2 BW, zodat dit niet tot vernietiging van de overeenkomst kan leiden.

4.3

De studieovereenkomst met bijlage kan redelijkerwijze niet anders worden begrepen dan dat wordt overeengekomen dat de in de bijlage bedoelde studiekosten – met inachtneming van de 36-maanden staffel – door [gedaagde] moeten worden terugbetaald indien en voor zover [gedaagde] – kort gezegd – binnen 36 maanden na afronden van de studie op eigen initiatief uit dienst treedt. Dat laatste is hier het geval. Dat [gedaagde] uit dienst is getreden in verband met het dreigende faillissement van [naam bedrijf] maakt dit niet anders.

4.4

Uitgaande van de geldigheid en toepasselijkheid van de studieovereenkomst, is het vervolgens aan [eiser] om - in geval van betwisting - de omvang van de op grond van de studieovereenkomst gevorderde bedragen te bewijzen. Dit betekent dat [eiser] ter zake van de opleidingskosten dient te bewijzen welke opleidingen [gedaagde] daadwerkelijk heeft gevolgd en tot welke kosten dit voor [naam bedrijf] heeft geleid. [eiser] beroept zich in dit kader op de dwingende bewijskracht van de door beide partijen ondertekende overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 157 Rv. Volgens [eiser] is het vervolgens aan [gedaagde] om tegenbewijs te leveren. Ten eerste geldt dat ten tijde van het ondertekenen van de kostenspecificatie nog niet alle daarop vermeld staande posten/instructies aan [gedaagde] waren aangeboden en door [gedaagde] waren gevolgd. Verder geldt dat uit de ondertekening door [gedaagde] redelijkerwijs niet kan worden afgeleid dat hij er ook voor tekende dat [naam bedrijf] voor de verschillende instructies € 750,- respectievelijk € 200,- had betaald. Dit laatste valt immers niet onder ‘hetgeen de akte bestemd is (door [gedaagde]) ten behoeve van de wederpartij te bewijzen’. Ten overvloede wordt nog overwogen dat zelfs indien wel uitgegaan zou moeten worden van de dwingende bewijskracht van de kostenspecificatie (in welk geval [gedaagde] tegenbewijs zou kunnen leveren in de zin van voldoende twijfel zaaien), eerst moet worden bezien of partijen hun standpunten, gelet op het debat, wel voldoende hebben onderbouwd en/of geconcretiseerd.

4.5

Bij de bespreking van de verschillende posten zal worden aangesloten bij de nummering zoals opgenomen in de meergenoemde bijlage bij de studieovereenkomst. Ten aanzien van de posten 1, 2, 3, 5, 10 en 11 heeft [gedaagde] betwist dat [naam bedrijf] hiervoor kosten heeft gemaakt. [gedaagde] heeft reeds bij zijn schriftelijke antwoord aangevoerd dat deze opleidingen kosteloos door Nedtrain en NS Reizigers zijn verzorgd. Ook heeft [gedaagde] met bijlagen onderbouwd door wie de instructies zijn gegeven en heeft hij onbetwist gesteld dat dit instructeurs betreft die zijn verbonden aan Nedtrain. Hoewel [gedaagde] bij antwoord de vordering gemotiveerd heeft betwist, is namens [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niets meer of anders aangevoerd dan dat de bedragen van € 750,- per instructie in het – in deze procedure niet overgelegde – grootboek staan vermeld. Ter zitting werd namens [eiser] zelfs als mogelijkheid geopperd dat de kosten mogelijk niet alle betrekking hebben op de instructie zelf, maar dat het ook (deels) zou kunnen gaan om indirecte kosten zoals bijvoorbeeld het rekenen van kosten voor de uren die [gedaagde] tijdens de opleiding niet inzetbaar was als machinist. Uit de artikelen 2 en 4 van de studieovereenkomst, in samenhang beschouwd, volgt echter dat terugbetaling slechts ziet op – kort gezet – de studiekosten in enge zin. Gelet op al het vorenstaande moet worden geoordeeld dat [eiser] ten aanzien van de posten 1, 2, 3, 5, 10 en 11 niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Deze posten zullen dan ook worden afgewezen.

4.6

Dit ligt anders voor post 7. Van die instructie staat vast dat deze door [naam bedrijf] is verzorgd. Daarvoor zal dan ook een bedrag worden toegewezen zoals na te melden, met inachtneming van de 36-maanden staffel en te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] heeft het bedrag van € 750,- per instructie in twijfel getrokken door erop te wijzen dat een instructie doorgaans voor vier cursisten tegelijk wordt gegeven, maar bij gebrek aan nadere vaststaande gegevens over de aan een instructie verbonden kosten (zoals tijdsduur, kosten in verband met het niet kunnen inzetten van het materieel e.d. en in het verlengde hiervan de totale kosten per instructie) zal het bedrag van € 750,- door de kantonrechter toch als basis worden aangehouden.

4.7

Ook ten aanzien van de posten 12 tot en met 15 (het ‘wegleren’ van verschillende trajecten) heeft [gedaagde] verweer gevoerd. Allereerst valt op dat voor het wegleren steeds € 200,- is gerekend, met uitzondering van post 12, waarvoor € 750,- is gerekend. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen waar dit kostenverschil in is gelegen. De kantonrechter gaat ervan uit dat het bedrag van € 750,- bij post 12 een verschrijving betreft en dat ook deze post voor wegleren € 200,- hoort te zijn. [gedaagde] heeft ten aanzien van de posten 12 en 15 aangevoerd dat hij voor deze trajecten nooit instructie heeft gekregen in het kader van wegleren. [gedaagde] voert daarbij aan dat hij als machinist in het reizigersvervoer met rangeerterrein Kijfhoek niets van doen had en daar niet hoefde te zijn. [eiser] heeft desgevraagd niet kunnen aangeven waaruit kan blijken dat het wegleren voor dit traject wel heeft plaatsgevonden. Daarnaast kon [eiser] geen duidelijkheid verschaffen of het bij de trajecten Kijfhoek-Breda-Venlo (post 12) en Venlo-Rotterdam-Venlo (15) om verschillende trajecten ging, of dat het wegleren voor hetzelfde traject dubbel is berekend. Deze twee posten worden daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

4.8

Voor het wegleren van het traject Dordrecht-Geldermalsen staat vast dat [gedaagde] dit traject alleen heeft gereden voor zijn voormalige werkgever Arriva en niet voor [naam bedrijf]. [naam bedrijf] rijdt niet op dit traject. Bij dagvaarding heeft [eiser] over deze post in feite niet meer of anders gesteld dan dat [gedaagde] de (reeds verlopen) certificaten voor dit traject op kosten van [naam bedrijf] (opnieuw) zou hebben gehaald. [gedaagde] had echter reeds bij zijn schriftelijke antwoord aangegeven het wegleren voor dit traject in privétijd te hebben gedaan. Namens [eiser] is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet gesteld, laat staan onderbouwd dat [gedaagde] het hernieuwen van de kennis van dit traject (toch wel) tijdens werktijd heeft gedaan en/of dat [naam bedrijf] hiervoor kosten heeft gemaakt. Ook is onduidelijk gebleven waarom [naam bedrijf] überhaupt kosten zou maken voor het wegleren van een traject dat bij haar niet in gebruik is. Al met al heeft [eiser] ten aanzien van dit onderdeel niet voldoende gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat zij voor het wegleren van dit traject kosten heeft gemaakt. De vordering wordt daarom voor dit deel afgewezen.

4.9

Voor het traject Amsterdam-Watergraafsmeer heeft [gedaagde] bij antwoord al aangegeven dat hij die route heeft meegereden tijdens introductiediensten en meeloopdagen bij Nedtrain en dat dit [naam bedrijf] geen geld heeft gekost: niet door facturen en ook niet in de vorm van werkuren waarin [gedaagde] vanwege het wegleren niet beschikbaar was om ingezet te worden als machinist. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd waaruit de gestelde kosten voor [naam bedrijf] dan wel zouden bestaan, zodat ook dit deel van de vordering als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.

4.10

Tot slot vordert [eiser] € 1.305,- aan kosten voor het Rgr-examen. [gedaagde] betwist deze kosten te zijn verschuldigd, omdat [naam bedrijf] bij aanvang van het dienstverband wist waar zij [gedaagde] wilde inzetten en dus had kunnen weten dat [gedaagde] niet over de vereiste papieren beschikte. [gedaagde] voert echter niet aan waarom deze omstandigheid ertoe zou moeten leiden dat de opleiding niet in een studiekostenovereenkomst zou mogen worden meegenomen. Vast staat dat [gedaagde] het Rgr-examen heeft afgelegd en dat [naam bedrijf] hiervoor de kosten heeft gedragen. [gedaagde] is voor dit examen dan ook de kosten verschuldigd, met inachtneming van de 36-maanden staffel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.11

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld een tegenvordering in te stellen voor wat betreft de kosten voor de psychologische keuring, geldt dat [gedaagde] deze vordering ter verificatie moet indienen bij de curator nu sprake is van een faillissement van [naam bedrijf]. [gedaagde] heeft geen beroep gedaan op verrekening, zodat aan zijn standpunt verder voorbij wordt gegaan.

4.12

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen nu in de zogenaamde 14-dagenbrief van 29 maart 2019 werd uitgegaan van een fors hoger bedrag dan uiteindelijk zal worden toegewezen en het aan dit (hogere) bedrag gekoppelde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ook niet correct was.

4.13

Samenvattend zal worden toegewezen een bedrag van € 1.655,44. Dit bedrag is berekend als volgt. De kosten van het Rgr-examen en de instructie SGM bedragen samen € 2.055,-. Hiervan dient 7/36e ofwel € 399,58 te worden afgetrokken, waarna het bedrag van € 1.655,42 resteert, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.14

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

4.15

Dit vonnis wordt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan deze uitspraak moet voldoen totdat een hogere rechter een andere uitspraak heeft gedaan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.655,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 december 2017 tot aan de dag van betaling;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645