Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:12030

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2021
Datum publicatie
07-12-2021
Zaaknummer
10/208373-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 4 jaren voor woningoverval in vereniging. Ontkennende verklaring verdachte niet aannemelijk. Het slachtoffer is geboeid, geslagen en gewond achtergelaten. Weggenomen: telefoons, laptop en een geldbedrag. Schadevergoeding voor het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/208373-21

Datum uitspraak: 3 december 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie, te Rotterdam,

raadsman mr. M.D.A. Stam, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De verdachte heeft ontkend spullen uit de woning van [naam aangever] (hierna: de aangever) te hebben weggenomen en geweld tegen hem te hebben gebruikt. Betoogd is dat deze verklaring niet op voorhand volledig kan worden uitgesloten. Het dossier laat namelijk nog veel relevante vragen open, bijvoorbeeld over het aantal personen dat in de woning is geweest en de betrouwbaarheid van de aangifte met betrekking tot het geweld.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende. Op 10 april 2021 omstreeks 7:00 uur heeft de aangever twee mannen zijn woning in [plaatsnaam] binnengelaten, omdat zij zeiden dat ze van de FIOD waren. Als ze binnen zijn, moet de aangever op een stoel gaan zitten, waarna een van de mannen de woning is gaan doorzoeken. De andere man is bij de aangever gebleven. Deze man heeft geweld tegen de aangever gebruikt onder andere door hem handboeien om te doen en naar de gang te slepen. Ook heeft deze man de muren van de woning vernield. Na ongeveer een uur hebben de mannen de woning verlaten, waarbij ze twee telefoons, een laptop en een geldbedrag hebben meegenomen. Op de galerij voor de woning heeft daarna nog een confrontatie plaatsgevonden tussen de mannen en de aangever. Hierbij is het weer dezelfde man geweest die geweld heeft gebruikt door de aangever in een wurggreep te houden. Vervolgens zijn beide mannen via het trappenhuis het flatgebouw uitgerend.

De vraag is of de verdachte een van deze mannen is geweest en, zo ja, of hij degene is geweest die het geweld heeft gepleegd. Beide vragen worden bevestigend beantwoord. Daartoe zijn de gebezigde bewijsmiddelen redengevend. Dit betreft in ieder geval de aangifte. De rechtbank ziet namelijk, anders dan de verdediging, geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever. Ook is onder meer meegenomen de verklaring van de medeverdachte en het op de trui van de aangever aangetroffen bloedspoor dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Gelet op die bewijsmiddelen wordt de ontkennende verklaring van de verdachte niet aannemelijk geacht. Een en ander betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat hij samen met een ander de ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 10 april 2021 te [plaatsnaam],

tezamen en in vereniging met een ander,

in een woning gelegen aan de [adres]

- meerdere telefoons (iPhone 11 en Samsung S8) en

- een tas met daarin een laptop en

- een geldbedrag ter hoogte van € 2.400,-,

die aan [naam aangever] toebehoorden

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld

tegen [naam aangever], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te

maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader

- tegen voornoemde [naam aangever] hebben gezegd dat voornoemde [naam aangever] op een stoel

moest gaan zitten en vervolgens met metalen handboeien de polsen/armen

van voornoemde [naam aangever] achter zijn rug heeft geboeid en

- de schouder van voornoemde [naam aangever] heeft beetgepakt

en vervolgens voornoemde [naam aangever] naar de gang van de woning

heeft gesleept en

- meerdere malen in het gezicht en op het

hoofd en tegen het lichaam van voornoemde [naam aangever] heeft geslagen

en

- voornoemde [naam aangever] met een wurggreep/nekklem heeft vastgehouden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een woningoverval. Daarbij is planmatig gehandeld. Zij belden aan bij de woning en deden zich voor als ambtenaren van de FIOD waarop zij door het slachtoffer werden binnengelaten. Vervolgens is de woning doorzocht, is het slachtoffer geboeid en geslagen. Ook zijn er vernielingen aangericht in de woning. De verdachten zijn uiteindelijk een uur binnen geweest. Ze hebben een laptop, telefoons en een geldbedrag weggenomen. Het slachtoffer werd gewond achtergelaten op de galerij voor zijn woning.

Met dit onaanvaardbare en gewetenloze gedrag heeft de verdachte op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. De woningoverval heeft een grote impact op hem gehad. Hij heeft lange tijd last gehad van angst- en stressklachten en volgens zijn verklaring bij het verzoek tot schadevergoeding is hij nog steeds niet de oude. Het slachtoffer voelt zich nog steeds onveilig, zelfs in zijn eigen woning. Dat is volledig te wijten aan het handelen van de verdachte die er slechts op uit was om snel aan geld te komen. Hij heeft ook op geen enkele wijze verantwoording genomen voor zijn handelen. Dit alles wordt de verdachte ernstig aangerekend.

De rechtbank heeft een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 oktober 2021 gezien, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan is gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Als strafvermeerderende factoren is meegewogen dat de verdachte de overval samen met een ander heeft gepleegd en dat hij degene is geweest die het slachtoffer heeft geboeid en ander geweld tegen hem heeft gepleegd.

Alles afwegend ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie. Een gevangenisstraf van vier jaar wordt passend en geboden geacht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

[naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.209,07 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Daartoe is aangevoerd dat deze voor wat betreft de televisie onvoldoende is onderbouwd en ten aanzien van de meubelstukken te hoog is. De immateriële schade is ook niet nader onderbouwd, terwijl dat wel had gemoeten.

Beoordeling

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de posten ‘contant geld’ en ‘reiskosten’ door de verdachte niet zijn weersproken, zal de vordering ten aanzien van die posten worden toegewezen.

De posten ‘laptop’ en ‘televisie’ zijn door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit gedeelte van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de post ‘kapotte meubelstukken’ vindt de rechtbank in het dossier slechts onderbouwing voor schade aan het bankstel. Naar redelijkheid en billijkheid wordt die schade door de rechtbank geschat op € 250,-. Dit gedeelte van de vordering zal daarom voor dat bedrag worden toegewezen. Voor het meerdere zal de benadeelde partij zich kunnen wenden tot de burgerlijke rechter.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Dat de vordering voor deze schadepost niet is onderbouwd met medische gegevens, staat niet per definitie in de weg aan toekenning van (een deel van) de vordering. In voorkomende gevallen brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

Hiervan is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank sprake. Zoals hiervoor is overwogen, is immers op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Dit brengt mee dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 april 2021.

Omdat de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.658,16 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 4.658,16 (zegge: vierduizendzeshonderdachtenvijftig euro en zestien cent), bestaande uit € 2.658,16 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde] te betalen € 4.658,16 (hoofdsom, zegge: vierduizendzeshonderdachtenvijftig euro en zestien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 4.658,16 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 56 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.M. Stolk en B. Vaz, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 april 2021 te [plaatsnaam],

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in/uit een woning gelegen op/aan de [adres]

- meerdere, althans een, telefoon(s) (iPhone 11 en/of Samsung S8) en/of

- een tas met daarin een laptop en/of

- een geldbedrag ter hoogte van € 2.400,-,

in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [naam aangever], in elk geval

aan een ander toebehoorde(n)

heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [naam aangever], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te

maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hiern bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen voornoemde [naam aangever] heeft/hebben gezegd dat voornoemde [naam aangever] op een stoel

moest gaan zitten en/of (vervolgens) met (metalen) handboeien de polsen/armen

van voornoemde [naam aangever] achter zijn rug heeft/hebben geboeid en/of

- ( met kracht) de schouder/arm van voornoemde [naam aangever] heeft/hebben beetgepakt

en/of (vervolgens) voornoemde [naam aangever] naar de hal/gang van de woning

heeft/hebben gesleept en/of heeft/hebben gesleurd en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het

hoofd en/of op/tegen het lichaam van voornoemde [naam aangever] heeft/hebben geslagen

en/of gestompt en/of

- voornoemde [naam aangever] in/met een wurggreep/nekklem heeft/hebben (vast)gehouden.