Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2021
Datum publicatie
06-12-2021
Zaaknummer
C/10/629443 / KG ZA 21-1034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffing beslag op schip. Toewijzing. Door de beslaglegger ingeroepen recht is summierlijk ondeugdelijk. Beslag is op grond van een maritime lien gelegd ten laste van reder van het schip, terwijl deze geen beslagdebiteur is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2022, afl. 1, p. 36
S&S 2022/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/629443 / KG ZA 21-1034

Vonnis in kort geding van 2 december 2021

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

AMELIA MARITIME GROUP LTD,

gevestigd te Liberia,

eiseres,

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

INTEGR8 FUELS INC,

gevestigd te Majuro, Marshall Islands,

gedaagde,

advocaat mr. H.K.P. Ex te Amsterdam.

Partijen worden hierna Amelia en Integr8 genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 november 2021, met productie 1,

  • -

    de aanvullende productie 2 van Amelia,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 30 november 2021,

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Verhagen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Met ingang van 1 februari 2020 is Amelia reder van het motorzeeschip [naam motorzeeschip] (hierna: het schip), in 2018 nog [naam schip] geheten. In april 2019 was het schip al eerder van eigenaar gewisseld. Het schip vaart thans onder Liberiaanse vlag.

2.2.

Op dit moment ligt het schip in de haven van Rotterdam.

2.3.

Bij verzoekschrift van 26 november 2021 heeft Integr8 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir vreemdelingenbeslag op het schip. Integr8 heeft toegelicht dat zij op of omstreeks 20 augustus 2018 aan de toenmalige tijdbevrachter van het schip, Harmony Innovation Shipping Ltd, bunkerleveranties (stookolie) heeft verkocht voor USD 209,410.00 en deze leveranties aan boord van het schip heeft afgeleverd. De tijdbevrachter verkeert inmiddels in staat van faillissement en heeft de koopprijs onbetaald gelaten. Op 6 mei 2020 heeft Integr8 haar vordering bij de vereffenaars ingediend. Integr8 stelt dat het federale maritieme recht van de Verenigde Staten op de koopovereenkomst/bunkerleveranties van toepassing is en de vordering zowel op grond van dat recht als het recht van de vlag van het schip krachtens een maritime lien (for necessaries) verhaalbaar is op het thans sinds 1 februari 2020 aan Amelia in eigendom toebehorende schip. Volgens Integr8 bestaat de totale vordering uit de koopprijs en een bedrag van USD 237,404.83 aan rente.

2.4.

Op 27 november 2021 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het gevraagde verlof verleend, met begroting van de vordering, met inbegrip van rente en kosten, op USD 566,177.79. Diezelfde dag heeft Integr8 beslag op het schip doen leggen.

3. Het geschil

3.1.

Amelia vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het beslag op het schip opheft, althans Integr8 beveelt om het beslag binnen 1 uur na de uitspraak op te heffen op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per uur dat Integr8 in gebreke blijft om hieraan te voldoen, of meer subsidiair bepaalt dat de zekerheid waartegen het beslag opgeheven dient te worden niet meer kan bedragen dan USD 272,233.00, met veroordeling van Integr8 in de kosten van deze procedure.

3.2.

Integr8 voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Amelia in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de(na)kosten indien Amelia niet binnen veertien dagen na het vonnis aan de veroordeling voldoet.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het onderhavige geschil heeft een internationaal karakter, nu Amelia en Integr8 in Liberia respectievelijk op de Marshalleilanden zijn gevestigd en het schip in de haven van Rotterdam ligt. Vanwege het internationale karakter moet de voorzieningenrechter ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

4.2.

Op grond van artikel 10:3 BW is op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing. Artikel 705 lid 1 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter die het verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Dit leidt ertoe dat de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de Rotterdamse voorzieningenrechter, bevoegd is om van de opheffingsvordering van Amelia kennis te nemen.

4.3.

Opheffing van een beslag kan onder meer, maar niet uitsluitend, plaatsvinden als een van de in artikel 705 lid 2 Rv genoemde gronden aanwezig is en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een, zelfstandige, belangenafweging. Amelia stelt op grond van voornoemd artikel dat het door Integr8 ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is. Deze stelling wordt door Integr8 betwist.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat Integr8 geen vordering op Amelia heeft. Op Amelia rust immers geen verplichting tot betaling van de koopprijs voor de bunkerleveranties aan Integr8. Amelia is geen partij bij de tussen Integr8 en de toenmalige tijdbevrachter gesloten koopovereenkomst en er is evenmin grond om aan te nemen dat een reder debiteur wordt in het geval van een bestelling van bunkerleveranties door een tijdbevrachter. Ter beoordeling ligt thans dan ook de vraag voor of de vordering van Integr8 verhaalbaar is op het aan Amelia in eigendom toebehorende schip.

4.5.

Op grond van artikel 10:160 BW is een vordering op een schip alleen verhaalbaar indien die vordering zowel ingevolge het recht van de staat waar het schip te boek staat als ingevolge het recht dat op de vordering toepasselijk is, op het schip kan worden verhaald. Tussen partijen is niet in geschil dat het schip in Liberia te boek staat en dat op grond van de koopovereenkomst Amerikaans recht op de vordering van Integr8 van toepassing is.

4.6.

Amelia betoogt dat de maritime lien waar Integr8 zich op beroept de crediteur van een vordering de mogelijkheid biedt om door middel van een actio in rem verhaal te nemen op een schip. Volgens Amelia kan dit niet via een actio in personam oftewel door middel van een vordering op de (huidige, nieuwe) eigenaar van het schip. Amelia betoogt verder dat de actio in rem naar Amerikaans recht enkel kan worden ingesteld voor een Amerikaanse rechtbank en slechts wanneer het schip zich in de jurisdictie van deze rechtbank bevindt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Amelia verwezen naar een legal opinion van [naam 1], werkzaam bij het advocatenkantoor [naam kantoor 1] te [vestigingsplaats kantoor 1].

4.7.

Integr8 betwist dat een maritime lien enkel door middel van een actio in rem geldend kan worden gemaakt. Zij heeft echter niet toegelicht op welke andere wijze de maritime lien kan worden geëffectueerd. Dit volgt ook niet uit het door haar overgelegde advies van [naam 2] , werkzaam bij het advocatenkantoor [naam kantoor 2] te [vestigingsplaats kantoor 2] . Nu Integr8 geen vordering op Amelia heeft, had het op haar weg gelegen om haar betwisting nader te motiveren. Dat heeft zij niet gedaan. De voorzieningenrechter volgt Amelia dan ook in haar stelling dat de maritime lien enkel door middel van een actio in rem kan worden geëffectueerd. Daarbij wordt er, nu dit niet voldoende is weersproken en gemotiveerd is in de onder 4.6. bedoelde opinie, van uitgegaan dat naar Amerikaans recht de actio in rem enkel kan worden ingesteld voor een Amerikaanse rechtbank en slechts wanneer het schip zich in de jurisdictie van deze rechtbank bevindt. Daaraan is in dit geval niet voldaan. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat naar Amerikaans recht middels een conservatoir beslag op een schip in Nederland een maritiem lien kan worden geëffectueerd.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat, indien de actio in rem op de juiste wijze zou worden ingesteld, voorshands aannemelijk is dat Amelia een beroep op de zogenoemde Laches-doctrine – een leerstuk dat kan worden vergeleken met rechtsverwerking – toekomt. In meergenoemde opinie is de werking van deze doctrine, met verwijzing naar jurisprudentie, nader uiteengezet. De voorzieningenrechter acht daarbij relevant de overweging “a person asserting a maritime lien on a chartered vessel is obliged to move promptly, so that the owner may effectively pursue his rights of indemnification against the charterer”. Doordat Integr8 de afgelopen drie jaar heeft nagelaten om de maritime lien te effectueren (dus: niet “promptly”) is voorshands aannemelijk dat de Amerikaanse rechter tot het oordeel zal komen dat Integr8 de maritime lien niet langer kan inroepen vanwege een “inexcusable delay in exercising a lien” en “prejudice” aan de zijde van Amelia. Voor de zeer aanzienlijke vertraging heeft Integr8 ter zitting geen verklaring kunnen geven, anders dan de verder niet onderbouwde stelling dat het schip niet in een gebied zou zijn geweest waar beslag gelegd kon worden. Dit leidt ertoe dat de vordering van Integr8 naar Amerikaans recht vermoedelijk niet op het schip kan worden verhaald.

4.9.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het de vraag is of de maritime lien inpasbaar is in het Nederlandse rechtssysteem. Een deugdelijke toelichting in het beslagrekest met betrekking tot beslagbevoegdheid in dat verband ontbreekt. Hoewel het Nederlandse recht bevoorrechte vorderingen op een schip met zaaksgevolg kent (zie artikel 8:211 jo. 8:215 BW), valt de maritime lien daar niet onder. Onduidelijk is of en hoe de maritime lien onder het Nederlandse recht kan worden geëffectueerd. Daarbij rijst de vraag of ter verzekering van het verhaal op het schip beslag gelegd kan worden onder en ten laste van een rechtspersoon die geen debiteur is, zoals in dit geval aan de orde. Niet gebleken is immers dat de in te stellen eis in de hoofdzaak – tegen de beslagdebiteur Amelia – tot toewijzing van een vordering op Amelia kan leiden, nu zij geen schuldenaar van Integr8 is.

4.10.

Gelet op het vorenstaande bestaan er zoveel overheersende twijfels over de deugdelijkheid van de vordering c.q. de verhaalbaarheid daarvan op het schip in Nederland dat het beslag dient te worden opgeheven. De vordering van Amelia wordt in zoverre toegewezen. Een belangenafweging leidt daarbij niet tot een ander oordeel.

4.11.

Integr8 wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Amelia worden begroot op € 1.802,21 (€ 119,21 aan kosten dagvaarding, € 667,00 aan griffierecht en € 1.016,00 aan salaris advocaat).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het op 27 november 2021 ten laste van Amelia op het motorzeeschip [naam motorzeeschip] gelegde beslag,

5.2.

veroordeelt Integr8 in de proceskosten, aan de zijde van Amelia tot op heden begroot op € 1.802,21,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.

[2971/676]