Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
18-11-2021
Zaaknummer
02/306619-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een termijn van 60 dagen. Het recidiverisico kan onvoldoende worden ingeperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 1

VI-zaaknummer: 99/000603-50

Parketnummer: 02/306619-20

Datum uitspraak: 3 augustus 2021

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, locatie Dordrecht,

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 27 november 2019, waarvan de tenuitvoerlegging via de WETS is overgenomen door het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 32 maanden.

De veroordeelde komt in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 26 augustus 2021.

Vordering

Op 26 juli 2021 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, nu het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor het plegen van misdrijven onvoldoende kan inperken.

Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 14 juni 2021 van GGZ Antes Advies (hierna ook: de reclassering) en het advies d.d. 16 juni 2021 van de penitentiaire inrichting waar de veroordeelde verblijft (hierna ook: VI-advies).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 3 augustus 2021.

De officier van justitie mr. E.M. Loppé en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman, zijn gehoord. Voorts is de deskundige mevrouw [naam deskundige] , als reclasseringswerker verbonden aan Antes, gehoord.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 120 dagen, of zoveel korter als nodig om een gedegen plan van aanpak voor de voorwaardelijke invrijheidstelling op te stellen. Op advies van de reclassering en de penitentiaire inrichting heeft er verdiepingsdiagnostiek plaatsgevonden. De aanvullende adviezen van de reclassering en de penitentiaire inrichting zijn nog niet gereed.

De raadsman heeft drie formele punten ten aanzien van de vordering aangevoerd. Ten eerste staan op de vordering twee stempels van verschillende data, te weten 26 juli en 28 juli 2021, zodat mogelijk sprake is van een termijnoverschrijding. Ten tweede is in ieder geval geen sprake van onverwijlde indiening, de adviezen van de PI en de reclassering zijn immers al van medio juni. Ten derde geldt dat, gelet op het feit dat het om een buitenlands vonnis gaat, de positie van de veroordeelde niet mag verslechteren. Indien cliënt naar de maatstaven van België zou worden behandeld, dan zou hij na 26 augustus 2021 in vrijheid worden gesteld, zonder voorwaarden.

Tot slot is de verdediging van oordeel dat de noodzaak tot uitstel niet aanwezig is. Het stellen van voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kan op een minder ingrijpende wijze door middel van het stellen van algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarden slechts een meldplicht en een ambulante behandeling op te leggen. Elektronische controle is niet noodzakelijk. Subsidiair wordt verzocht niet langer dan veertien dagen of een maand uitstel te verlenen. Het is niet te wijten aan de gedragingen aan de zijde van de veroordeelde dat de rapportages niet tijdig gereed zijn.

Ontvankelijkheid

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering, nu de vordering tijdig – want blijkens de datumstempel in ieder geval op 26 juli 2021- is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust. Het feit dat nog een tweede datumstempel op de vordering is geplaatst, namelijk van 28 juli 2021, doet hieraan niet af.

Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de vordering niet onverwijld is ingediend. Nadat de adviezen van medio juni 2021 waren ingediend is voortgang betracht door de verdiepingsdiagnostiek te laten plaatsvinden en vervolgens is op 26 juli 2021 de vordering uitstel ingediend omdat de aanvullende adviezen nog niet gereed zijn. Onder de genoemde omstandigheden is dat als onverwijld aan te merken.

Beoordeling

Anders dan de raadsman heeft betoogd dient de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingevolge art. 2.15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties conform het Nederlands recht plaats te vinden. Dit betekent dat de regeling van artikel 6:2:12 van het Wetboek van Strafvordering ook voor de veroordeelde geldt. Dit is ook uitdrukkelijk in de erkenningsbeslissing van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 december 2020 opgenomen.

Het rapport van de reclassering van 14 juni 2021 en het VI advies van 16 juni 2021 houden onder meer in dat gezien de voorgeschiedenis van de veroordeelde, waaronder herhaaldelijk mislukte toezichten en interventies en recidive, het recidiverisico thans onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden.

De voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde dient te worden uitgesteld, omdat er eerst verdiepingsdiagnostiek dient plaats te vinden alvorens een gedegen plan van aanpak ten behoeve van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden opgesteld. De verdiepingsdiagnostiek heeft inmiddels plaatsgevonden en op basis van deze diagnostiek dienen aanvullende adviezen te volgen van de reclassering en de penitentiaire inrichting. Deze adviezen waren op het moment van het indienen van de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet gereed.

De deskundige heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en

daarbij verklaard dat de verdiepingsdiagnostiek inmiddels heeft plaatsgevonden. De voorlopige conclusie met de voorgestelde voorwaarden is ontvangen, alleen is er nog geen geschikt adres beschikbaar. Dit laatste is van belang voor elektronisch controle. Het onderzoek daarnaar duurt tien werkdagen. De voorwaarden op basis van de voorlopige conclusie zijn: een ambulante behandeling gericht op emotieregulatie en praktische begeleiding bij het vinden van een woning en voor de financiën, dagbesteding, een meldplicht en een locatiegebod met elektronische controle. Deze voorwaarden worden met betrokkene besproken wanneer de psycholoog terug is van vakantie. Het door de veroordeelde opgegeven verblijfadres, de woning van zijn moeder, is niet goedgekeurd. Er moet een ander adres worden onderzocht. Het onderzoek zal vermoedelijk rond of net na 26 augustus 2021 gereed zijn. De aanvullende rapportage volgt daarna.

De rechtbank volgt de conclusies van de rapportages en de uitleg ter zitting, waaruit voldoende duidelijk blijkt dat het recidiverisico hoog is en dat de aanvullende voorwaarden van groot belang zijn bij het inperken van het recidiverisico. Nu deze voorwaarden thans nog niet helder zijn geformuleerd omdat het onderzoek nog niet gereed is, kan het recidiverisico nu nog onvoldoende worden ingeperkt.

Gelet op het vorenstaande zal de voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld. Nu ter zitting is gebleken dat het onderzoek binnen afzienbare tijd gereed zal zijn, zal de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een kortere periode worden uitgesteld dan door de officier van justitie is gevorderd en wel voor een periode van maximaal 60 (zestig) dagen.

Beslissing

De rechtbank:


wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een termijn van (maximaal) 60 (zestig) dagen;

wijst de vordering voor het overige af.

Deze beslissing is genomen door mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en D.P.L. ter Laak, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 augustus 2021.

De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.