Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11154

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
17-11-2021
Zaaknummer
10/702037-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 6 WVW,

Verkeersongeval veroorzaakt wegens aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte in combinatie met het alcoholgebruik. De twee slachtoffers zaten in een auto.

Verdachte is, terwijl zij alcohol had gedronken in de auto gestapt en is vervolgens via het voorsorteervak voor rechtsaf rechtdoorgaand een kruising opgereden, terwijl voor die richting rood licht gold.

Daarbij heeft zij niet tijdig opgemerkt dat de bestuurder van een andere personenauto inmiddels het kruisingsvlak was opgereden uit tegengestelde richting en linksaf wilde slaan.

Eis: taakstraf 120 uren en ontzegging motorrijtuigen te besturen voor 12 maanden. Opgelegd: taakstraf 120 uren en 18 maanden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/702037-19

Datum uitspraak: 3 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdechte],
raadsman C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 mei 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 primair (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verder: WVW) en feit 2 (artikel 8 aanhef en onder a WVW) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis alsmede;

  • -

    ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Verdachte is op 23 februari 2018 – na een conflict met haar ex vriend, [naam] (verder: ex) na het drinken van meerdere glazen wijn en Bacardi in de auto gestapt. Verdachte en haar ex zijn elkaar in de auto tegengekomen op de Kanaalweg Westzijde te Hellevoetsluis en reden achter elkaar. Vervolgens is verdachte, toen zij de kruising naderde, uitgeweken naar het voorsorteervak om rechtsaf te slaan om -volgens eigen zeggen- aan haar ex te ontkomen.

Vervolgens is mevrouw met een behoorlijke snelheid gewisseld van rijstrook en alsnog rechtdoor de kruising opgereden. Daarbij kan zonder twijfel worden vastgesteld dat zij daarbij door rood licht is gereden. De maximaal toegestane snelheid is aldaar 80 km/uur. Het is echter gebruikelijk om bij het naderen van een kruispunt snelheid te minderen. Verdachte is niettemin met onverminderde snelheid rechtdoor gereden.

Gevolg van dit rijgedrag is dat verdachte met die hoge snelheid in botsing is gekomen met de tegemoetkomende auto, die groen licht had, optrok en naar links de kruising over wilde rijden. Hierdoor hebben beide inzittenden in die auto letsel opgelopen. Uit de verklaringen is gebleken dat zij lange tijd behoorlijk veel last hebben gehouden van dat letsel en de daarmee samenhangende gevolgen van die aanrijding. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan artikel 6 WVW en het rijden onder invloed en is daarvoor strafbaar. Bij de strafeis wordt meegenomen dat dit feit al enkele jaren geleden heeft plaatsgevonden.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Aanleiding voor deze botsing was het feit dat verdachte eerder op de avond bij haar woning was lastig gevallen door haar ex. Hij had het slot van het tuinhek verbroken en in de tuin had hij gedreigd de boerderij van haar zus in brand te steken. Verdachte werd daarop zo bang dat ze later naar de woning van haar ex is gereden om te controleren of hij daar was en niet bij haar zus. Haar ex is komen aanrijden, heeft haar uitgescholden en een taser laten zien. Vervolgens is verdachte in paniek weggereden. Verdachte en haar ex kwamen elkaar bij toeval weer tegen en toen ontstond vervelend rijgedrag. Verdachte dacht dat haar ex haar van de weg wilde rijden en meende te moeten uitwijken naar de rechter rijstrook door de gedragingen van haar ex. Daarop stuurde verdachte vervolgens weer naar de baan voor rechtdoor, waarna de aanrijding ontstond. In haar beleving stond het verkeerslicht voor rechtdoor op groen. Verdachte voelde zich opgejaagd en angstig en heeft in paniek gehandeld. Zij probeerde weg te komen uit die situatie. Er is daarom sprake van verontschuldigbare onmacht en/of psychische overmacht waardoor de gedragingen haar niet kunnen worden toegerekend. Schuld komt derhalve niet vast te staan.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat bij beide slachtoffers, [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2], geen sprake was van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW.

Bij de bestuurder, [naam slachtoffer 1], is geen sprake geweest van medische noodzaak tot operatief ingrijpen, zoals zij zelf ook aangeeft in haar verhoor. Zij heeft twee dagen in het ziekenhuis gelegen. Uit de FARR-verklaring blijkt dat het herstel twee tot drie weken zou duren. Later zijn andere complicaties vastgesteld, waarvoor medische onderbouwing ontbreekt.

Hetzelfde geldt voor de inzittende, [naam slachtoffer 2]. Uit de FARR-verklaring over haar letsel blijkt dat er geen objectiveerbaar letsel kon worden geconstateerd. Er zou sprake zijn van een mogelijke kneuzing van de nier en bij ongecompliceerd verloop zou herstel ongeveer twee weken duren. Zij heeft blauwe plekken opgelopen, is een nacht opgenomen geweest in het ziekenhuis, had gekneusde ribben en een pijnlijke nek. In haar verhoor geeft zij aan een whiplash te hebben opgelopen en dat zij hiervoor naar de chiropractor gaat, maar dat is niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is er geen informatie over hoe de situatie van haar lichaam was voor het ongeval. Bovendien blijkt uit het rapport van de pijnpoli dat mevrouw op een later moment nog van de trap is gevallen.

Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte aangegeven dat zij verdeeld over de avond twee wijntjes en een Bacardi cola heeft gedronken. Dat was net te veel. De verdediging refereert zich voor dit punt aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.3.

Beoordeling

Het verkeersongeval

Vast staat dat verdachte met haar auto, een Suzuki, op 23 februari 2018 op de kruising van de Nieuweweg met de Kanaalweg Westzijde te Hellevoetsluis in botsing is gekomen met een andere auto, een Daewoo. Beide inzittenden van de Daewoo hebben daardoor letsel opgelopen. Ook staat vast dat verdachte, die aanvankelijk voornemens was links af te slaan, vlak voor deze kruising over de rijbaan voor rechtdoor reed, vervolgens is gewisseld naar de rijbaan voor rechtsaf, maar uiteindelijk toch rechtdoor de kruising is opgereden terwijl het licht voor rechtdoorgaand verkeer op rood stond. Daardoor is de botsing ontstaan. De rechtbank baseert deze vaststellingen op de verklaringen in het dossier en de resultaten van de verkeersongevallenanalyse, zoals die is uitgevoerd door de Dienst Regionale Recherche Forensische Opsporing Verkeersongevallenanalyse. Daarnaast staat vast dat verdachte met teveel alcohol op heeft gereden. Verdachte bekent dit laatste feit.

Is er sprake van schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 WVW?

De centrale vraag is: heeft verdachte door haar rijgedrag schuld aan het verkeersongeval, en zo ja, in welke mate?

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin

Volgens de verklaring van de verdachte wordt zij op een eerder moment door haar ex bij haar huis bedreigd. Daarop besluit verdachte in haar auto te stappen en naar het huis van haar ex te rijden. Op een gegeven moment komt hij haar daar in zijn auto tegen en bedreigt hij haar met een taser. Daarop rijdt zij bij hem weg en komt ze haar ex later tegen in de auto in de buurt van de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden Van deze verklaring wordt alleen de laatste bevestigd door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank wil wel aannemen dat (ook) deze laatste gebeurtenis een zekere invloed heeft gehad op haar beoordelingsvermogen, maar voor haar rijgedrag, zoals hiervoor is omschreven, was naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding en dit wordt dan ook niet gerechtvaardigd door de omstandigheden. Zelfs niet als zou worden uitgegaan van haar versie van de voorafgaande gebeurtenissen. Verdachte is zelf met de auto vertrokken, terwijl zij wist dat zij teveel gedronken had. Op dat moment was er geen noodzaak in de auto te stappen en had zij andere keuzes kunnen maken. Zo had zij haar collega’s kunnen bellen om te melden dat haar ex bedreigingen had geuit of had zij haar zus kunnen bellen. Verdachte was een politie agent in opleiding, en alleen al daardoor zeer bewust van de regels op het gebied van alcohol in het verkeer.

Op het moment dat verdachte (toch) in haar auto is gestapt en toen zij bij de bewuste kruising aan kwam rijden, heeft zij vervolgens de verkeerssituatie totaal verkeerd ingeschat. Hoewel zij was uitgeweken naar de rijstrook voor rechtsaf heeft zij toch besloten op het allerlaatste moment en met een aanzienlijke snelheid rechtdoor te rijden. Zij maakte een verkeerstechnisch zeer onverantwoorde manoeuvre, die overbodig was onder de gegeven omstandigheden. Ook op dat moment had verdachte andere keuzes kunnen maken. Zo had zij haar snelheid kunnen minderen en kunnen stoppen of had zij rechtsaf kunnen slaan. In plaats daarvan is zij zonder noodzaak met onverminderde snelheid van rijbaan veranderd en rechtdoor door rood licht gereden, waarbij zij kennelijk in het geheel niet heeft gelet op andere weggebruikers.

Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve vast dat het rijgedrag van verdachte in combinatie met het alcoholgebruik aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en om die reden heeft zij schuld aan het ongeval.

Is er sprake van psychische overmacht?

Door de verdediging is een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan -en ook niet behoeft- te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken, dat de angst van verdachte is ontstaan – verkort en zakelijk weergegeven – doordat haar ex haar bedreigd zou hebben. Verdachte was bang dat haar ex zijn dreigementen zou uitvoeren. Om die reden is zij in de auto gestapt met alle gevolgen van dien. Zelfs al zou de rechtbank uitgaan van de juistheid van haar verklaringen dan was er nog geen reden, dus al zeker geen noodzaak, om zo te handelen. Verdachte had anders kunnen én had anders moeten handelen.

Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Hebben de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel of ander lichamelijk letsel opgelopen in de zin van artikel 6 WVW?

De bestuurder was [naam slachtoffer 1]. Zij is direct na het ongeval naar het Maasstadziekenhuis gebracht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat daar een verschuiving van een prothese in de borst is geconstateerd alsmede klachten passend bij een kneuzing van de borstkas. Zij is op een later moment aan haar borstprothese geopereerd. Haar borstprothese was als gevolg van het ongeval omgedraaid. Voor haar was het noodzakelijk om zich hiervoor te laten behandelen. Sinds het ongeval is zij elke zes weken onder behandeling geweest van een manueel therapeut vanwege een verschoven borstbeen. Daarnaast is zij naar de fysiotherapeut geweest voor behandeling van haar nek. Verder is zij in januari 2019 vanwege haar nekproblemen door haar huisarts doorverwezen voor een MRI, waarbij een nekhernia is vastgesteld. Mevrouw is personal trainer, groepslesinstructeur en heeft haar eigen sportschool, maar kon haar werkzaamheden sinds het ongeval niet meer uitvoeren.

De rechtbank stelt vast dat bij [naam slachtoffer 1] na het ongeval medisch ingrijpen nodig is geweest. De verplaatsing van de borstprothese was kennelijk complexer en vroeg duidelijk meer en gerichte medische vervolgbehandeling dan aanvankelijk verwacht. Dit, in combinatie met de (lange) herstelduur en de verdere gevolgen voor dit slachtoffer, maken dat naar algemeen spraakgebruik sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan als bedoeld in artikel 6 WVW.

Bijrijder was [naam slachtoffer 2]. Zij is na het ongeval naar het Weel-Bethesda ziekenhuis gebracht en een nacht opgenomen geweest ter observatie. Onderzoek van de urine toonde een mogelijke kneuzing van de nier aan. Zij stond langere tijd onder behandeling van een chiropractor, fysiotherapeut, de pijnpoli, revalidatiearts en psycholoog. Zij had aanhoudende problemen in haar nek, ribben en pijn aan de linkerzijde van haar buik. Door onderzoek in het ziekenhuis is een whiplash komen vast te staan. Tijdens haar verhoor op 7 juni 2019 geeft mevrouw aan dat de behandeling bij de chiropractor minimaal 6 maanden tot een jaar zou duren voordat zij daar uitbehandeld zou zijn. Verder gaf zij aan dat zij voor het ongeval seminars in het buitenland gaf, maar dat zij sinds het ongeval langere tijd haar werkzaamheden niet kon uitoefenen, en dat zij desondanks -functionerend op pijnstillers haar dochter, [naam slachtoffer 1],- heeft geholpen met de werkzaamheden in haar sportschool.

Dit, in combinatie met de (lange) herstelduur en de verdere gevolgen voor dit slachtoffer, maken dat naar algemeen spraakgebruik sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan als bedoeld in artikel 6 WVW.

4.1.4.

Conclusie

Gelet op de hiervoor beschreven gedragingen respectievelijk verkeersovertredingen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte in de zin van artikel 6 WVW.

Uit de medische beschrijvingen volgt dat het letsel van de slachtoffers naar algemeen spraakgebruik is aan te merken als lichamelijk letsel in de zin van art. 6 WVW.

Het onder feit 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen in die zin dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte en als gevolg daarvan is bij beide slachtoffers zodanig lichamelijk letsel ontstaan daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4.2

Bewezenverklaring feit 1

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair laste gelegde heeft begaan.

4.3

Bewezenverklaring feit 2

Het onder feit 2 ten laste gelegde is door verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het onder feit 2 bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

zij op 23 februari 2018 te Hellevoetsluis als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig , aanmerkelijk,

onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Kanaalweg Westzijde,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor haar rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht

de kruising van die weg met de Nijverheidsweg en de Nieuweweg, via het

- voorsorteervak voor rechtsaf, rechtdoorgaand is opgereden en niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een andere personenauto

inmiddels het kruisingsvlak was opgereden uit tegengestelde rijrichting, die

  • -

    doende was naar links af te slaan en dat andere voertuig niet heeft laten voorgaan en

  • -

    in botsing is gekomen met dat andere voertuig,

waardoor;

de bestuurder van die andere personenauto, genaamd [naam slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

een inzittende in die andere personenauto, genaamd [naam slachtoffer 2], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl zij onder invloed was van alcohol;

2.

zij op 23 februari 2018 te Hellevoetsluis, als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 325 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Eendaadse samenloop van:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor aan een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat,

terwijl de schuldige in de toestand verkeerde als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (325 microgram).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft op 23 februari 2018 op de kruising van de provinciale weg te Hellevoetsluis komende uit Kanaalweg Westzijde een verkeersongeval veroorzaakt door zich in het verkeer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen. Zij heeft een kruising met onverminderde snelheid genaderd. Zij reed op deze kruising over de rijbaan voor rechtdoor, is via de rijbaan voor rechtsaf uiteindelijk toch rechtdoor en door rood licht gereden. Hierdoor kon zij niet anticiperen op de voor haar tegemoetkomende auto, waardoor de botsing is ontstaan. Als gevolg daarvan hebben beide slachtoffers zodanig letsel opgelopen dat zij voor lange duur niet in staat waren te werken en verhinderd waren bij hun normale bezigheden. Daarnaast heeft verdachte met teveel alcohol op gereden. Dit alles wordt verdachte aangerekend.

De verdachte is zich bewust van het feit dat als gevolg van haar handelen het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat zij contact heeft opgenomen met de slachtoffers door hen een bloemetje met een kaart te sturen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte geeft aan dat het ongeval heel veel impact heeft gehad op haar leven. Zij was in opleiding voor politie-agente en is haar baan verloren. Daarnaast heeft zij geen stabiele woonsituatie meer en logeert bij diverse mensen. Het enige wat zij op dit moment wel heeft, is haar baan, waar zij veel uren werkt. Verdachte is voor haar inkomen afhankelijk van het hebben van een rijbewijs. Zij rijdt dagelijks van de ene locatie van het bedrijf naar de andere locatie en een andere passende functie is niet voorhanden binnen het bedrijf van haar werkgever. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom een eventuele taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid zoveel mogelijk te matigen of de straffen geheel of voor een zo groot mogelijk deel voorwaardelijk op te leggen, omdat zij anders niet kan werken.

De rechtbank zal in beperkte mate in het voordeel van verdachte meewegen dat het ongeval stamt uit 2018. Alhoewel er formeel, gelet op de datum van de dagvaarding, geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, heeft de inhoudelijke behandeling en afdoening langer op zich laten wachten dan gewenst.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 maart 2021 gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel heeft verdachte in september 2019 te Geervliet, anderhalf jaar na dit verkeersongeval, een geldboete van 630 euro gekregen wegens een forse snelheidsovertreding.

7.4

Conclusie van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusie.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van

een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bij het bepalen van de concrete hoogte van de op te leggen straffen is gekeken naar de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Omdat verdachte een baan heeft waarbij zij afhankelijk is van het bezit van haar rijbewijs en haar baan de enige factor in haar leven is die nu enige stabiliteit biedt, zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe om er voor te zorgen dat verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Er wordt een proeftijd van drie jaar verbonden aan de voorwaardelijke ontzegging omdat de verkeersveiligheid het beste gediend zal zijn als verdachte zich gedurende langere tijd goed aan de verkeersregels zal dienen te houden en om ervoor te zorgen dat zij zich in moeilijke situaties in het verkeer blijvend verantwoordelijk zal gedragen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 60 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderd en twintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 maanden (achttien) maanden;

bepaalt dat deze ontzegging geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.H. van der Wal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 23 februari 2018 te Hellevoetsluis als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Kanaalweg Westzijde,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor haar rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht

de kruising van die weg met de Nijverheidsweg en de Nieuweweg, via het

voorsorteervak voor linksaf of rechtsaf, rechtdoorgaand is opgereden en/of

- niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een andere personenauto

inmiddels het kruisingsvlak was opgereden uit tegengestelde rijrichting, die

  • -

    doende was naar links af te slaan en/of

  • -

    dat andere voertuig niet heeft laten voorgaan en/of

  • -

    in botsing of aanrijding is gekomen met dat andere voertuig,

waardoor;

- de bestuurder van die andere personenauto, genaamd [naam slachtoffer 1], zwaar

lichamelijk letsel (te weten in elk geval verplaatsing van een prothese in de

borst) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- een inzittende in die andere personenauto, genaamd [naam slachtoffer 2], zwaar

lichamelijk letsel (te weten gekneusde ribben en/of een gekneusde nier) of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl zij onder invloed was van alcohol;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 februari 2018 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Kanaalweg Westzijde, zich zodanig heeft gedragen dat

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor haar rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht

de kruising van die weg met de Nijverheidsweg en de Nieuweweg, via het

voorsorteervak voor linksaf of rechtsaf, rechtdoorgaand is opgereden en/of

- niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een andere personenauto

inmiddels het kruisingsvlak was opgereden uit tegengestelde rijrichting, die

doende was naar links af te slaan en/of

  • -

    dat andere voertuig niet heeft laten voorgaan en/of

  • -

    in botsing of aanrijding is gekomen met dat andere voertuig;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

zij op of omstreeks 23 februari 2018 te Hellevoetsluis, als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 325 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994