Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11104

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
16-11-2021
Zaaknummer
10/313895-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten in zijn woning. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een overtreding van de gedragsaanwijzing; geen invloed op de straf die de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd. Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 1000,- waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Met vriendelijke groet,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

aRechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/313895-20

Datum uitspraak: 27 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

raadsman mr. M.B. Chylinska, advocaat te Zaandam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 oktober 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1 - bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Feit 2 – bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft op verzoek van zijn vorige advocaat samen met [naam medeverdachte] afgesproken bij het politiebureau. Daarnaast heeft [naam medeverdachte] vrijwillig contact gezocht met de verdachte, waardoor het contactverbod niet is verbroken door de verdachte.

4.2.2.

Beoordeling

Op 29 oktober 2018 heeft een verbalisant de verdachte samen met [naam medeverdachte] voor het politiebureau gezien. Hierbij is opgemerkt dat de verdachte en [naam medeverdachte] arm in arm liepen en elkaar een kus gaven. Ten tijde van dit contact tussen hen was de gedragsaanwijzing voor de verdachte, die onder meer inhield dat hij zich op enigerlei wijze zou onthouden van contact met [naam medeverdachte] , nog steeds geldig. Voor zover het initiatief voor deze ontmoeting bij een ander dan de verdachte lag, staat dat een bewezenverklaring niet in de weg.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank vindt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. hij ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ in ­­­­­­­­­­­­ de periode van 14 april 2018 tot en met 26 oktober 2018 te Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee tezamen en in vereniging met ­­­­­­­­­­­ anderen­­­­­­­­­­­­­­­­­ opzettelijk heeft geteeld ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­in een pand aan de [adres] ­­ ­ongeveer­ 64 hennepplanten­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II­­­­­­­­­­­­­­­­

­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­

2. hij op ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ 29 oktober 2018 te ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ Spijke­nisse­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ zich zal onthouden van contact met [naam medeverdachte] ­­­­­­­­­­­­­­­­­ immers heeft verdachte opzettelijk ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­

­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­- contact gehad met [naam medeverdachte] door zich samen met haar te melden bij het politiebureau in Spijke­nisse.

Hetgeen meer of anders ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

2. opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten in zijn woning. Hiermee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in voor de gezondheid schadelijke softdrugs en aan daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit. De verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit eigen belang.

Hoewel de overtreding van de gedragsaanwijzing strafbaar is, heeft dit strafbare feit geen verdere invloed op de straf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 juli 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Voor het plegen van het bewezenverklaarde feit past in beginsel een onvoorwaardelijke geldboete van € 1.000,-. De rechtbank houdt ten gunste van de verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding zal op de hieronder beschreven wijze worden gecompenseerd in de op te leggen straf.

Alles afwegend acht de rechtbank een geldboete van € 1.000,- waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar passend en geboden. De rechtbank heeft hiermee ook rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 en 184a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte, groot 500,- (vijfhonderd euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en W.S. Korteling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 april 2018 tot en met 26 oktober 2018 te Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) (ongeveer) 64 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 oktober 2018 tot en met 29 oktober 2018 te Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee en/of Spijkernisse, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet op zal houden in het gebied de [adres] en zich zal onthouden van contact met [naam medeverdachte] en [naam] , immers heeft verdachte opzettelijk- een hennepkwekerij in de woning aan de [adres] geëxploiteerd en daartoe de hennepplanten verzorgd en/of- contact gehad met [naam medeverdachte] door zich samen met haar te melden bij het politiebureau in Spijkernisse.