Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
10-150041-21/ TUL VV: 10-262543-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal scooter, mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en belediging politieambtenaren. Gevangenisstraf 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling voor gedragsproblematiek, verblijf bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding. Schadevergoeding voor het slachtoffer van de mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-150041-21

Parketnummer vordering TUL VV: 10-262543-20

Datum uitspraak: 28 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [ggeboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaat verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie, te Rotterdam,

raadsman mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10-262543-20.

4. Waardering van het bewijs

Vrijspraak feit 2 (heling motorfiets)

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Op 30 april 2021 is aangifte gedaan van diefstal van een motorfiets van het merk Hyosung, voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . In het kader van het onderzoek naar de diefstal van een scooter in de nacht van 29 op 30 april 2021 heeft de politie beelden bekeken van beveiligingscamera’s aan de [plaats delict 1] in Rotterdam. Volgens de politie is onder meer op die beelden te zien dat de verdachte en een andere persoon komen aanlopen met een motorfiets en deze plaatsen in het hofje aan de [plaats delict 1] .

Uit de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de motorfiets die op de beelden te zien is, de motorfiets betreft waar de aangifte op ziet. De beschrijving van de uiterlijke kenmerken van de motorfiets in het proces-verbaal van politie is daarvoor niet voldoende. Het bewijs ontbreekt dan ook dat de verdachte, al dan niet samen met een ander, de weggenomen motorfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen.

Feit 3 (mishandeling)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangever gegeven signalement. De aangever heeft verklaard dat hij is mishandeld door een man met een lengte van ongeveer 1.55 meter, terwijl de verdachte langer is. Verder zou de dader kort golvend zwart haar hebben, wat volgens de raadsman niet overeenkomt met het haar van de verdachte. Volgens de aangever zou er met een mes zijn gedreigd en zouden er drugs aan hem zijn aangeboden. Bij de fouillering van de verdachte zijn echter geen mes en geen drugs aangetroffen. De raadsman heeft gesteld dat een medeverdachte mogelijk belastend heeft verklaard omdat hij zelf drugs bij zich had en zichzelf op die manier wilde ontlasten. Het letsel van de aangever zou zijn ontstaan doordat de dader hem meerdere malen met kracht zou hebben geslagen. De handen van de verdachte bleken echter volledig gaaf te zijn, zonder enige verwonding. Dit alles bij elkaar levert volgens de verdediging zo veel twijfel op dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Beoordeling

Uit het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

[naam slachtoffer 1] (hierna: de aangever) heeft aangifte gedaan van zware mishandeling op

1 september 2021 in het [plaats delict 2] in Rotterdam. De aangever heeft verklaard dat hij bij een bankje stond en dat hij drie jonge mannen in zijn richting zag komen aanlopen. Eén van die mannen had een Gucci pet op, droeg een bodywarmer en was ongeveer 1.55m lang. Zijn huidskleur was licht getint. Deze man heeft de aangever later mishandeld (hierna: de dader).

Met betrekking tot de mishandeling heeft de aangever verklaard dat hij plotseling een harde klap in zijn gezicht voelde ter hoogte van zijn rechter slaap. De dader sloeg vervolgens wild om zich heen en raakte de aangever in zijn gezicht. Bij onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat het rechter jukbeen van de aangever op drie plaatsen was gebroken. De aangever heeft daarvoor een operatie moeten ondergaan.

Op 2 september 2021 heeft [naam getuige] (hierna: de getuige) verklaard dat hij de avond ervoor met [voornaam verdachte] , een Marokkaanse jongen, en ene [naam medeverdachte] in het [plaats delict 2] was. Volgens de getuige is [voornaam verdachte] een klein ventje van hooguit 1.65m lang en had hij een Gucci pet op. De getuige verklaarde dat ze in het park een blanke man zagen. [voornaam verdachte] sprak de man aan en sloeg hem met zijn vuisten. Volgens de getuige bleef [voornaam verdachte] maar doorgaan.

In de omgeving van het [plaats delict 2] werden vervolgens de getuige en een jongen met een Gucci pet aangehouden. Deze jongen had een licht getinte huidskleur, was 1.55m lang en droeg een bodywarmer. Dit kwam overeen met het door de aangever opgegeven signalement. De jongen gaf op te zijn genaamd: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] (hierna: de verdachte).

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De verklaring van de getuige en de bevindingen van de verbalisanten vormen voldoende steun voor de verklaring van de aangever. De verschillen in de verklaringen ten aanzien van de lengte en het haar van de verdachte zijn ondergeschikt en doen in zijn algemeenheid geen afbreuk aan die ondersteuning. Dat aan de handen van de verdachte geen verwonding was te zien betekent niet dat de verdachte de aangever niet heeft geslagen. Ook het feit dat bij fouillering van de verdachte geen drugs en geen mes zijn aangetroffen maakt het voorgaande niet anders. De aangever heeft immers niet verklaard drugs of een mes te hebben waargenomen, maar slechts dat de dader daarover gesproken heeft door te zeggen “ik heb drugs” en “ik kan je gewoon gaan steken”.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op 30 april 2021, te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander een scooter (merk/type Piaggio Vespa Primavera, kenteken [kentekennummer 2] ),

die aan [naam slachtoffer 2]

toebehoorde heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en

mededader die weg te nemen scooter onder hun bereik hebben

gebracht door middel van verbreking,

door het contactslot van die scooter te forceren;

3.

hij op 1 september 2021 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] meermalen te slaan onder meer tegen het hoofd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te

weten een drievoudige breuk van het jukbeen ten gevolge heeft gehad;

4.

hij op 1 september 2021 te Rotterdam,

opzettelijk ambtenaren, te weten [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] ,

gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in

hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden

toe te voegen: "jullie zijn kankerlijers" en "jullie kankermoeders" en "ik hoop

dat heel jullie familie dood gaat aan kanker" en "kankerflikkers".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3.

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

4.

eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander een scooter gestolen, waarbij het contactslot van die scooter is geforceerd. Daarnaast heeft de verdachte een volstrekt willekeurig slachtoffer mishandeld door hem meerdere malen met kracht te slaan, als gevolg waarvan dat slachtoffer een drievoudige breuk van het jukbeen heeft opgelopen. Ten behoeve van zijn herstel heeft het slachtoffer een operatie moeten ondergaan. Toen de verdachte in verband met deze mishandeling werd aangehouden, heeft hij de politieambtenaren beledigd.

Dit zijn ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft aangetoond geen enkel respect voor andere personen of andermans eigendom te hebben. Het slachtoffer van de mishandeling is uit het niets door de verdachte aangevallen en is daarbij ernstig gewond geraakt. De verdachte verkeerde daarbij onder invloed van alcohol. De politieambtenaren zijn in hun goede naam en eer aangetast, terwijl ze gewoon hun werk deden. Feiten als diefstal en mishandeling brengen in de samenleving in het algemeen en voor de slachtoffers in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 7 september 2021, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld door de strafrechter.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 oktober 2021. Dit rapport, dat op de terechtzitting is toegelicht door een medewerker van de reclassering, houdt het volgende in.

Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Gezien het uitgebreide justitiële verleden van de verdachte heeft de reclassering grote zorgen om hem. Er worden problemen geconstateerd op het gebied van dagbesteding, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Ook zijn er zorgen om verdachtes middelengebruik. De verdachte heeft de afgelopen jaren diverse (jeugdreclasserings-) trajecten doorlopen, maar gezien zijn gebrek aan zelfinzicht en weinig gemotiveerde houding voor gedragsverandering hebben deze trajecten niet geleid tot een afname van het recidiverisico. De reclassering ziet vrijwel geen beschermende factoren. Zijn ouders zijn niet bij machte om hem op het rechte pad te krijgen. Positief is dat de verdachte openstaat voor hulpverlening vanuit MEE.

De verdachte is vrijwel niet ontvankelijk voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen. Hij is evenmin onder de indruk van de justitiële autoriteiten. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Gezien de problemen die de verdachte op meerdere leefgebieden heeft en het recidiverisico zijn interventies geïndiceerd. De verdachte ziet zelf weinig noodzaak hiervoor. Hij heeft alleen hulpvragen op praktisch vlak. De reclassering wil de verdachte – mede gezien zijn jonge leeftijd en zijn beperkte verstandelijke vermogens - echter nog een laatste kans geven, in de hoop dat de aanpak van de volwassenreclassering een alsnog positieve ontwikkeling bij de verdachte teweeg kan brengen. Geadviseerd wordt daarom een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met medeverdachten, meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en (blijven) meewerken aan het lopende traject bij MEE.

De verdachte heeft er op de terechtzitting blijk van gegeven dat hij niet afwijzend staat tegenover de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hij heeft verklaard dat hij baat heeft bij het huidige contact met MEE en dat hij daar graag mee wil doorgaan.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, zoals gebleken uit het rapport van de reclassering en het onderzoek op de terechtzitting, ziet de rechtbank geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte eerder voor diefstal is veroordeeld.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank – mede gezien zijn leeftijd en het feit dat hij niet eerder is begeleid door de volwassen reclassering – van oordeel dat de verdachte een kans dient te krijgen om onder begeleiding van de reclassering op constructieve wijze aan zichzelf te werken en een positieve draai aan zijn leven te geven, waarbij hij afziet van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daarom een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Een contactverbod met medeverdachten als bijzondere voorwaarde acht de rechtbank op dit moment niet geboden. Het advies van de reclassering wordt op dat punt dan ook niet gevolgd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

[naam slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 290,07 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.250,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Standpunt verdediging

Gelet op het pleidooi tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit, heeft de raadsman bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 september 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte dient de benadeelde partij een schadevergoeding te betalen van € 1.540,07, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 januari 2021 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal met braak en inklimming veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd was ingegaan.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en eventueel de proeftijd te verlengen, zodat de gestelde voorwaarden blijven gelden.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van 18 januari 2021 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte de aan voormeld vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijke gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf, te weten jeugddetentie van twee maanden. Omdat de verdachte inmiddels ouder is dan achttien jaar zal de rechtbank tevens bepalen dat deze straf van jeugddetentie zal worden vervangen door een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). De veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, met name aan de nadere aanwijzingen en afspraken die verband houden met de bijzondere voorwaarden. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. de veroordeelde laat zich behandelen voor onder andere zijn gedragsproblematiek door Fivoor, de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. de veroordeelde verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

4. de veroordeelde werkt mee aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van opleiding of werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. de veroordeelde werkt mee aan het (lopende) traject bij MEE, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 1.540,07 (zegge: eenduizend vijfhonderdveertig euro en zeven cent), bestaande uit € 290,07 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 1] te betalen € 1.540,07 (hoofdsom, zegge: eenduizend vijfhonderdveertig euro en zeven cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.540,07 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 januari 2021 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 2 (twee) maanden en bepaalt dat deze jeugddetentie wordt omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. L.J.M. Janssen en P.C. Tuinenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 april 2021, in elk geval in of omstreeks de periode van 29 april

2021 tot en met 30 april 2021, te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scooter (merk/type Piaggio Vespa Primavera, kenteken [kentekennummer 2] ), in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft

en/of dat/die weg te nemen scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak en/of verbreking,

door het contactslot en/of het stuurslot van die scooter te forceren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2021 tot en met 30 april 2021 te

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scooter (merk/type Piaggio Vespa Primavera, kenteken [kentekennummer 2] ), althans een

goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat het een door diefstal, in elk geval enig (ander) misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2021 tot en met 30 april 2021 te

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een motorfiets (merk Hyosung, kenteken [kentekennummer 1] ), althans een goed heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat het een door diefstal, althans enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 1 september 2021 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] meermalen te stompen

en/of te slaan onder meer tegen het hoofd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te

weten een drievoudige breuk van het jukbeen ten gevolge heeft gehad;

4

hij op of omstreeks 1 september 2021 te Rotterdam,

opzettelijk een ambtenaar/ambtenaren,te weten [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] ,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in

zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hun de woorden

toe te voegen: "jullie zijn kankerlijer" en/of "jullie kankermoeders" en/of "ik hoop

dat heel jullie familie dood gaat aan kanker" en/of "kankerflikkers", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.