Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:11016

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
10/754519-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beperking ondervragingsrecht met betrekking tot onvindbare getuigen in het buitenland levert geen ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten op. Mensensmokkel van vijf personen met Albanese nationaliteit in een trailer van een vrachtwagen, met als bestemming Groot-Brittannië. Chauffeur van de vrachtwagen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Feit gepleegd in 2017, eindvonnis in 2021, overschrijding van de redelijke termijn levert strafvermindering op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/754519-17

Datum uitspraak: 26 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

wonende op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ( [land verdachte] ),

raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. al Mansouri heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Verzoek oproeping getuigen

De raadsman heeft bij aanvang van het onderzoek op de terechtzitting verzocht de door hem opgegeven, niet door de officier van justitie opgeroepen, getuigen alsnog op te roepen. De rechtbank heeft hierover op de terechtzitting een beslissing genomen, zoals hierna (onder 5.) in dit vonnis verwoord.

Bij pleidooi heeft de raadsman het verzoek tot oproeping van de getuigen herhaald. Daartoe zijn geen andere argumenten aangevoerd dan bij het eerder gedane verzoek op de terechtzitting.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen op de eerder genomen beslissing. Het bij pleidooi gedane verzoek wordt dan ook afgewezen.

5. Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het dossier geen, althans onvoldoende, wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. De aanhouding van de verdachte was onrechtmatig, omdat er sprake was van etnisch profileren. De verdachte zou slechts zijn aangehouden omdat zijn vrachtwagen leek op die van de medeverdachte, omdat hij de Poolse nationaliteit had en omdat ze achter elkaar reden. Er was dus geen redelijk vermoeden van schuld en dit levert een dusdanige grove inbreuk op de rechten van de verdachte op, dat al het in deze zaak verkregen bewijs moet worden uitgesloten.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de door de officier van justitie aangevoerde getuigenverklaringen niet voor het bewijs kunnen meewerken, omdat deze verklaringen worden betwist en de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld deze getuigen te ondervragen. Nu de bewijsvoering van de officier van justitie geheel of voor het grootste gedeelte is gebaseerd op de verklaringen van de niet nader gehoorde getuigen, dienen deze verklaringen te worden uitgesloten van het bewijs. Uit niets blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit, ook niet in de vorm van enige samenwerking met de medeverdachte.

Beoordeling

Rechtmatigheid van de aanhouding

Op 19 oktober 2017 waren verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee bezig met de controle van de chauffeurs van vrachtwagens die wilden uitreizen naar Groot-Brittannië met de boot van Stena Line via Hoek van Holland. Omstreeks 19.50 uur werd een stopteken gegeven aan een chauffeur van een trekker met oplegger van het bedrijf ‘ [naam bedrijf] ’. De trekker en de oplegger waren voorzien van een Pools kenteken (hierna: vrachtwagen 1). Vlak achter vrachtwagen 1 kwam nog een trekker met oplegger. Deze trekker was van hetzelfde bedrijf en was, net als de oplegger, voorzien van een Pools kenteken (hierna: vrachtwagen 2). Na onderzoek bleken er vijf personen in de oplegger van vrachtwagen 2 te zitten, waarop de chauffeur van de vrachtwagen (hierna: de medeverdachte) is aangehouden op verdenking van mensensmokkel.

Hierna werd ook de chauffeur van vrachtwagen 1 (hierna: de verdachte) aangehouden. De verbalisanten hebben in dat verband gerelateerd dat zij zagen dat beide vrachtwagens direct achter elkaar stonden en tot hetzelfde bedrijf behoorden. Beide chauffeurs waren in het bezit van de Poolse nationaliteit en zij kwamen direct achter elkaar aanrijden bij de controlepost. Beide vrachtwagens hadden dezelfde lading.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de gerelateerde feiten en omstandigheden de verbalisanten redelijkerwijs tot de conclusie konden komen dat er ook ten aanzien van de verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Niet blijkt dat criteria als ras, huidskleur, taal, religie, nationaliteit of nationale of etnische afkomst een op zichzelf doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de aanhouding van de verdachte. Het beroep op bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.

Getuigen

De verdediging heeft op een eerdere terechtzitting verzocht om de aangetroffen vreemdelingen als getuigen te horen. De rechtbank heeft dat verzoek toen toegewezen.

De zaak is daarvoor verwezen naar de rechter-commissaris. De getuige [naam getuige 1] is vervolgens verhoord door middel van een videoverbinding met Albanië. De raadsman van de verdachte was aanwezig bij dat verhoor.

De getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] zijn niet gehoord door de rechter-commissaris, ook niet door middel van een videoverbinding. Volgens de voorzitter in de rechtbank Tirana (Albanië) is zowel door de politie als via bevolkingsregistratiesystemen onderzocht of deze getuigen in Albanië wonen, dan wel daar verblijven. Er kon niet achterhaald worden waar beide getuigen zich bevinden. Gelet hierop kon geen uitvoering worden gegeven aan het in het rechtshulpverzoek verzochte verhoor van deze getuigen. Hierop is het rechtshulpverzoek afgesloten.

In reactie op de rechtshulpverzoeken aan Albanië de getuigen [naam getuige 4] en [naam getuige 5] te horen is door de justitiële autoriteiten meegedeeld dat de getuigen niet zijn gevonden en mogelijk zijn vertrokken naar een voor hen onbekend buitenland. Hierdoor is het niet mogelijk deze getuigen te horen en van verdere pogingen om de getuigen te achterhalen is afgezien.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het onaannemelijk dat de niet gehoorde getuigen binnen een aanvaardbare termijn alsnog door de rechter-commissaris gehoord kunnen worden, dan wel dat zij ter terechtzitting zullen verschijnen. Daarom is de zaak door de rechtbank inhoudelijk behandeld, zonder dat de door de verdediging opgegeven getuigen zijn gehoord. Nu de getuige [naam getuige 1] wel door de rechter-commissaris is gehoord, zal de rechtbank ten aanzien van deze getuige voorbijgaan aan het verweer van de verdediging.

De vraag rijst of de beperking in het ondervragingsrecht van de verdediging ten aanzien van de vier onvindbare getuigen een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten oplevert, ten gevolge waarvan niet meer sprake zou zijn van een eerlijk proces, wanneer de rechtbank de verklaringen van deze getuigen bij de Marechaussee voor het bewijs zou bezigen.

De rechtbank stelt in dat kader voorop dat indien de verdediging hierdoor geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft om het door artikel 6 lid 3, onder d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, een veroordeling van de verdachte desondanks in overeenstemming kan zijn met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM. Bepalend is daarvoor, zo komt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren, de uiteindelijke evaluatie van ‘the overall fairness of the trial’. Van belang hierbij zijn:

( i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,

(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en

(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.

Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.

Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige die niet gehoord kon worden groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de reden waarom de vier genoemde getuigen niet zijn gehoord erin gelegen dat zij onvindbaar waren en het onaannemelijk was dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn konden worden gehoord.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de verklaringen van deze getuigen als ‘sole or decisive’ bewijs dienen te worden beschouwd. Voor de beoordeling hiervan is van doorslaggevend belang in hoeverre de verklaringen van de getuigen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Dat steunbewijs moet - zo luidt de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt - betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van het steunbewijs in het licht van de bewijsvoering als geheel.

De in die verklaringen beschreven handelingen van de verdachte en de medeverdachte worden ondersteund door de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen, zoals het aantreffen van de vreemdelingen in de oplegger, de camerabeelden bij McDonald’s, de camerabeelden van de vrachtwagens in de Loetestraat in Rotterdam en het onderzoek van de tachograaf van beide vrachtwagens. Het gaat dan ook ten aanzien van de getuigen, gelet op het voorgaande en de overige bewijsmiddelen opgenomen in de bewijsbijlage, niet om verklaringen die als ‘sole or decisive’ zijn aan te merken.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] , [naam getuige 4] , [naam getuige 3] en [naam getuige 5] in beginsel voor het bewijs mogen worden gebruikt, ook al zijn deze getuigen niet bij de rechter-commissaris of op de terechtzitting gehoord en heeft de verdediging hen niet kunnen bevragen.

Betrokkenheid verdachte

Zoals hiervoor is overwogen zijn de verdachte en zijn medeverdachte op 19 oktober 2017 omstreeks 19.50 uur gecontroleerd door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. In de oplegger van de door de medeverdachte bestuurde vrachtwagen werden vijf vreemdelingen aangetroffen. Hierna zijn beide verdachten aangehouden op verdenking van mensensmokkel. Voor de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte hierbij neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking die uit het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen naar voren zijn gekomen.

Uit de aangeleverde tachograafdata is gebleken dat beide vrachtwagens op 18 oktober 2017 omstreeks 21.30 uur zijn gestopt op een parkeerplaats in Duitsland. De door de medeverdachte bestuurde vrachtwagen is vervolgens op 19 oktober 2017 om 06.39 uur vanaf de toerit 65 Eilsleben de A2 opgereden richting Nederland. De verdachte volgde dezelfde route met zijn vrachtwagen om 06.41 uur. Tussen dit tijdstip en het tijdstip dat beide vrachtwagens het terrein van Stena Line richting de controlepost opreden, respectievelijk om 19.53 uur en 19.55 uur, hebben beide vrachtwagen dezelfde route gereden. Ook hebben de vrachtwagens onderweg op dezelfde locaties stilgestaan en telkens voor even lange duur.

Eén van de aangetroffen vreemdelingen, [naam getuige 2] , heeft verklaard dat hij naar Engeland wilde. Hij is op 19 oktober 2017 in de vrachtwagen gegaan. Er waren twee Poolse chauffeurs die de deur van de voorste trailer hebben opengedaan. Iedereen moest zijn telefoon en sigaretten afgeven. Eén van de chauffeurs was zelf ook in de trailer geklommen en gaf de vreemdelingen een hand om te helpen in de trailer te klimmen. De andere chauffeur stond buiten en zei dat ze de vrachtwagen niet met de handen mochten aanraken. [naam getuige 2] was die dag door een zwarte Mercedes Benz C220 opgehaald bij een hotel in Gent, België. Nadat hij was ingestapt werden de andere vreemdelingen opgehaald.

De vreemdeling [naam getuige 4] heeft verklaard dat beide chauffeurs hebben geholpen. Eén van de chauffeurs stond in de trailer en hielp met instappen en de andere chauffeur stond op straat. [naam getuige 4] had samen met zijn vriendin verbleven in een hotel in Gent, ze wilden naar Engeland. Daar zijn ze opgehaald door een zwarte Mercedes Benz en vervolgens zijn ze naar de vrachtwagens gebracht. Toen ze afgezet waren stonden de chauffeurs hen al op te wachten bij de vrachtwagens. Volgens [naam getuige 4] waren er twee vrachtwagens van hetzelfde bedrijf en met dezelfde kleuren. De vrachtwagens stonden achter elkaar geparkeerd. Bij het instappen zei één van de chauffeurs dat de telefoons in een zak moesten worden gedaan. De telefoons van de vreemdelingen zijn later aangetroffen aan de buitenzijde van de cabine van de door de verdachte bestuurde vrachtwagen.

Op camerabeelden is te zien dat op 19 oktober 2017 om 18.27 uur in de Loetestraat in Rotterdam een vrachtwagencombinatie in beeld komt, voorzien van een embleem van ‘ [naam bedrijf] ’. Deze stopt en hierna komt een soortgelijke vrachtwagencombinatie aanrijden die achter de eerder genoemde vrachtwagencombinatie stopt. Op de tweede vrachtwagen is het kenteken [kentekennummer] te zien, dit kenteken behoort bij de door de verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie. De voorste vrachtwagen rijdt achteruit tot op ongeveer een halve meter afstand van de tweede vrachtwagen. Bij de vrachtwagens zijn twee mannen te zien, die herkend worden als de verdachte en de medeverdachte. Om 18.45 uur rijdt een donkerkleurige Mercedes Benz de Loetestraat in. Op de achterbank zitten meerdere personen. Deze stopt aan de achterzijde van de tweede vrachtwagen en blijft daar zes seconden staan. Om 19.17 uur rijden beide vrachtwagens weg.

De zwarte personenauto is eerder die dag gezien bij een restaurant van McDonald’s aan de Thurledeweg in de Spaanse Polder in Rotterdam. Op camerabeelden is te zien dat deze auto om 18.20 uur parkeert aan de voorzijde van het terras van genoemd restaurant. Kort daarna wordt een man gezien die door de verbalisanten wordt herkend als [naam getuige 5] , één van de vreemdelingen die later in de door de medeverdachte bestuurde vrachtwagencombinatie is aangetroffen. Deze man is in het gezelschap van een groep mannen, die qua uiterlijke kenmerken sterke overeenkomsten vertonen met de andere vreemdelingen die later zijn aangetroffen. Omstreeks 18.43 uur stapt de gehele groep in de zwarte personenauto, die vervolgens wegrijdt.

Volgens de gegevens van de tachograaf van beide vrachtwagens hebben deze vanaf ongeveer 18.30 uur gedurende ruim vijfenveertig minuten stilgestaan in de Loetestraat. Na het oponthoud in de Loetestraat hebben de vrachtwagens alleen maar gereden en niet stilgestaan tot het moment dat het parkeerterrein van Stena Line werd opgereden.

Op grond hiervan kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de vreemdelingen in de Loetestraat in Rotterdam in de trailer van de vrachtwagen van de medeverdachte zijn gestapt, gedurende de tijd dat beide vrachtwagens daar stilstonden.

Voor de beoordeling van de rol van de verdachte stelt de rechtbank voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Vanaf 18 oktober 2017 omstreeks 21.30 uur tot 19 oktober 2017 omstreeks 19.55 uur zijn de verdachten met hun vrachtwagens samen geweest, ze hebben dezelfde route gereden en hebben gedurende dezelfde tijd op dezelfde locaties stilgestaan. Op de plek waar de vreemdelingen zijn ingestapt zijn beide verdachten rondom de beide vrachtwagens en aan de achterzijde van de vrachtwagen van de verdachte te zien. Getuigen hebben verklaard dat beide chauffeurs hebben geholpen met het instappen in de trailer.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel en dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen ook bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 19 oktober 2017 in Nederland tezamen en in vereniging,

5 ( vijf) personen met de Albanese nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door,

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die toegang of die doorreis

wederrechtelijk was, terwijl dit feit werd begaan in de

uitoefening van zijn beroep,

immers heeft zijn mededader

- bovengenoemde personen in een trailer van een vrachtwagen

vervoerd naar Hoek van Holland en door Nederland,

de toegang tot en de doorreis door Nederland en een

andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde personen

gefaciliteerd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

mensensmokkel, begaan in de uitoefening van enig beroep en in vereniging door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als beroepschauffeur samen met een medeverdachte, eveneens beroepschauffeur, schuldig gemaakt aan de mensensmokkel van vijf personen met de Albanese nationaliteit, door hen vanuit Nederland in de trailer van een vrachtwagen tussen pallets met groente en fruit te vervoeren, met als bestemming Groot-Brittannië.

Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal

verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie

doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan een illegaal circuit. De verdachte is als chauffeur te beschouwen als een onmisbare schakel in het smokkelproces. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit illegale circuit. Daarnaast ondermijnt de verdachte door zijn handelen het overheidsbeleid. Ook leiden dit soort feiten gemakkelijk tot vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen. De verdachte is voorbijgegaan aan het ontwrichtende karakter van mensensmokkel en de risico’s die de gesmokkelden tijdens het vervoer liepen. Het gaat dan ook om een ernstig strafbaar feit.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

3 september 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder in aanraking is gekomen met justitie.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken in de regel worden opgelegd. Als strafverzwarende omstandigheden wordt daarbij meegewogen dat het feit zowel in vereniging met een ander, als in de uitoefening van het beroep als vrachtwagenchauffeur is begaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd. De rechtbank acht een langere gevangenisstraf passend en geboden.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 20 oktober 2017 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Tussen 20 oktober 2017 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vier jaren. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM van twee jaren. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, zal de rechtbank dit compenseren door vermindering van de op te leggen straf met vijf maanden (25%).

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van twintig maanden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van vijftien maanden opleggen.

Tenuitvoerlegging straf

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen een penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. A.M.H. Geerars en F. Wegman, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 19 oktober 2017

te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland en/of Duitsland

en/of Polen,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

5 ( vijf), althans één of meer perso(o)n(en) met de Albanese nationaliteit,

althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te

New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land,

over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New

York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of

die ander (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben

verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of

ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of

dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl dit feit werd begaan in de

uitoefening van zijn ambt of beroep,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- bovengenoemde pers(o)n(en) in een trailer van een vrachtwagen

vervoerd naar Hoek van Holland en/of door Duitsland en/of Polen,

in/naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië, en/of

(aldus) de toegang tot en/of het transport en de doorreis door en/of het

verblijf in Nederland en/of Duitsland en/of Polen een

andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde pers(o)n(en)

georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd.