Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10826

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
10/191157-21; 10/159285-21 / TUL VV: 09/260883-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van ongeveer 15 gram harddrugs (MDMA en cocaïne) en openlijke geweldpleging tegen drie jonge slachtoffers in een park in Rotterdam. Verweer van de verdachte dat hij alleen heeft geprobeerd de boel te sussen, wordt verworpen. Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

TUL: Verlenging proeftijd met twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/191157-21; 10/159285-21
Parketnummer vordering TUL VV: 09/260883-19

Datum uitspraak: 27 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

(ter terechtzitting opgegeven) adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. P.V. Hübner, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2021.

2. Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. D. van Zetten, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder beide parketnummers tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    verlenging van de proeftijd met 2 jaren van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 09/260883-19.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering parketnummer 10/191157-21 (openlijk geweld)

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat hij geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.

4.1.2.

Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat twee mannen zich op 17 juli 2021 in het [plaats delict] te Rotterdam schuldig hebben gemaakt aan openlijk geweld tegen drie jonge slachtoffers. Uit de verklaringen van de aangevers volgt dat de verdachte één van de twee mannen was en dat hij samen met de andere man geweld - waaronder schoppen en slaan – jegens de drie slachtoffers heeft gebruikt.

De verklaring van de verdachte dat hij zijn medeverdachte en de slachtoffers uit elkaar heeft gehaald en daarbij de slachtoffers ‘slechts’ weg heeft geduwd, vindt geen steun in het dossier. Geen van de slachtoffers en getuigen heeft verklaard dat de verdachte heeft getracht om de boel te sussen en vechtende mensen uit elkaar te halen.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld tegen drie slachtoffers, terwijl zijn verklaring dat hij probeerde de boel te sussen niet aannemelijk is geworden.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering parketnummer 10-159285-21 (bezit van MDMA en cocaïne)

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

Parketnummer 10/191157-21

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 juli 2021 in de gemeente Rotterdam met een ander aan de openbare weg, [plaats delict] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het

- met kracht trekken aan de tas en de ketting van die [naam slachtoffer 1] en in een zogenoemde nekklem vasthouden van die [naam slachtoffer 1] en

- meermalen slaan en stompen tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 2] en

- meermalen slaan en stompen tegen het hoofd, en het lichaam van die [naam slachtoffer 3] , en meermalen trappen tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Parketnummer 10/159285-21

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij, op 17 juni 2021 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 11,9 gram van een materiaal bevattende MDMA en 4,0 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en cocaine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

Parketnummer 10/191157-21

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Parketnummer 10-159285-21

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft overdag samen met een ander drie jonge jongens aangevallen in een openbaar park. De slachtoffers zijn meermalen geslagen en geschopt. Slachtoffer [naam slachtoffer 3] is zelfs getrapt tegen zijn hoofd toen hij op de grond lag en hij heeft flink letsel opgelopen. Er lijkt geen enkele aanleiding te zijn geweest voor deze geweldsuitbarsting. De verdachte was onder invloed van alcohol en drugs. Door aldus te handelen heeft de verdachte de slachtoffers schade, letsel en leed toegebracht. Daarnaast zorgen uitingen van geweld aan de openbare weg ook in de samenleving als geheel voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Er waren ook kinderen getuige van de geweldshandelingen.

Ook heeft de verdachte een maand eerder een behoorlijke hoeveelheid MDMA en cocaïne op zak gehad. Dit zijn schadelijke stoffen voor de gezondheid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 september 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare geweldsfeiten.

7.3.2.

Rapportage

GGZ Antes, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 augustus 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte wordt op zijn 14-jarige leeftijd voor het eerst veroordeeld. In de daaropvolgende jaren wordt de verdachte zowel in zijn jeugd als in zijn volwassene jaren veroordeeld voor verschillende gewelds-, vermogens- en Opiumwetfeiten. De reclassering ziet problemen op diverse leefgebieden. De verdachte heeft (nog) geen stabiele woonsituatie, wordt omringd door een negatief sociaal netwerk, heeft financiële problemen en er is sprake van middelenproblematiek en problemen op het gebied van het psychosociaal functioneren. Ten tijde van de delicten was de verdachte onder invloed van alcohol en/of drugs (cocaïne, cannabis) hetgeen mogelijk een ontremmende werking op zijn handelen heeft gehad. De verdachte heeft een licht verstandelijke beperking. De cognitieve beperkingen zorgen voor een verhoging van het recidiverisico. Bij de verdachte lijkt er sprake te zijn van gebrekkige vaardigheden in het oplossen van (interpersoonlijke) problemen en een grote mate van beïnvloedbaarheid. Daarbij is er sprake van geringe draagkracht. Verder is er nauwelijks sprake van impulsbeheersing en stabiliteit. De verdachte neigt naar een bagatelliserende houding. Een beschermende factor is het feit dat de verdachte bewindvoering heeft. Daarnaast is de begeleiding die de verdachte vanuit Humanitas Homerun krijgt positief en daarmee recidive verlagend.
Het risico op recidive wordt op basis van de waargenomen risicofactoren en het justitiële verleden van de verdachte ingeschat als gemiddeld tot hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen, meewerken aan midddelencontroles en een inspanningsverplichting ten behoeve van praktische zaken.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank acht een lagere gevangenisstraf dan geëist passend en geboden nu de verdachte vanuit detentie een eigen woning heeft geregeld. De rechtbank ziet het belang van de verdachte om deze woning te behouden. Het zou een start kunnen zijn van een toekomst zonder het plegen van strafbare feiten en een lange gevangenisstraf zou er toe kunnen leiden dat hij deze woning weer verliest. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd al verbonden zijn aan een voorwaardelijke straf die door de politierechter in de rechtbank Den Haag is opgelegd op 4 maart 2020 (09/260883-19).

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 4 maart 2020 van de politierechter in de rechtbank Den Haag is de verdachte veroordeeld voor wederspannigheid met enig letsel ten gevolge en veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is blijkens de justitiële documentatie ingegaan op 18 maart 2020.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen (tweemaal) niet nageleefd, waaronder eenmaal met betrekking tot een geweldsdelict.

In beginsel kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met twee jaren.

Door de politierechter van de rechtbank Den Haag is bij vonnis van 4 maart 2020 is een meldplicht bij de reclassering in Den Haag als bijzondere voorwaarde opgelegd. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich meldt bij de reclassering in Rotterdam en dat hij (sinds kort) beschikt over een eigen woning in Rotterdam. Om die reden zal de rechtbank volledigheidshalve deze bijzondere voorwaarde als volgt wijzigen:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, Marconistraat 2 (3029 AK) te Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte ten aanzien van parketnummer 10/191157-21 het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart bewezen, dat de verdachte ten aanzien van parketnummer 10/159285-21 het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de opgelegde gevangenisstraf;

verlengt de proeftijd van de, onder parketnummer 09/260883-19, opgelegde twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf, met 2 jaar;

wijzigt de bij deze voorwaardelijke straf gestelde bijzondere voorwaarde (de meldplicht), zodat die nu komt te luiden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, Marconistraat 2 (3029 AK) te Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. van Luijck, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en P.C. Tuinenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2021

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlasteleggingen

Parketnummer 10/191157-21

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 juli 2021 in de gemeente Rotterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [plaats delict] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het

- met kracht trekken aan de tas en/of de ketting van die [naam slachtoffer 1] en/of in een zogenoemde nekklem en/of een wurggreep vastpakken/vasthouden en/of gedurende enige tijd dichtdrukken van de keel/hals van die [naam slachtoffer 1] en/of

- meermalen slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 2] en/of

- meermalen slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 3] , en/of meermalen schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] ;

Parketnummer 10-159285-21

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 17 juni 2021 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 4,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;