Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10796

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
FT EA 21/1193 en FT EA 21/1194
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing dwangakkoord

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 28 oktober 2021

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 23 september 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend om DebiCare Nederland B.V. (hierna: Debicare) die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 21 oktober 2021 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    mevrouw [persoon A] , zus van verzoekster;

  • -

    mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).

Debicare is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twaalf concurrente schuldeisers (met dertien vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 23.590,42 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 14 mei 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 7,37% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ten tijde van het aanbod was de totale schuldenlast € 23.740,42.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar WIA-uitkering.

De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Debicare stemt hier als enige niet mee in. Zij heeft een vordering van € 1.182,99 op verzoekster, welke 5% van de totale schuldenlast beloopt.

Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat verzoekster betaald werk had toen zij bij schuldhulpverlening kwam. Sinds dat er bij verzoekster de ziekte Multiple Sclerose (hierna: MS) is geconstateerd is het onduidelijk of de gezondheid van verzoekster het toe zal laten om weer betaald werk te verrichten de komende jaren, aldus schuldhulpverlening.

3. Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Debicare te kennen gegeven dat de vordering van verzoekster niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoekster heeft kinderopvangtoeslag ontvangen maar heeft dit niet aangewend om de kinderopvang van te betalen, aldus Debicare.

Hoewel behoorlijk opgeroepen Debicare geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Debicare bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Debicare in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

Het verweer van Debicare, dat ertoe strekt dat de vordering van verzoekster aan haar niet te goeder trouw is ontstaan, laat onverlet dat de rechtbank haar op grond van artikel 287a Fw kan bevelen om met het voorstel in te stemmen na een weging van de belangen van Debicare enerzijds en de overige schuldeisers en verzoeker anderzijds.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Debicare een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 5%. Alle overige elf schuldeisers zijn wel met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster heeft betaald werk verricht maar is hier door haar ziekte momenteel niet toe in staat. In hoeverre haar gezondheid het de komende jaren zal toelaten om betaald werk te verrichten de komende jaren, is onduidelijk. Indien er op enig moment weer arbeidscapaciteit ontstaat en de sollicitatieverplichting herleeft, zal er vanuit schuldhulpverlening toezicht worden gehouden op de naleving van die verplichting. Indien er op enig moment alsnog afloscapaciteit ontstaat zal dit ten goede komen aan de schuldeisers, nu er is gekozen voor een prognose-aanbod.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Debicare, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Debicare te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Debicare zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Debicare om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Debicare in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.