Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
9326897 / VZ VERZ 21-11754
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, ontslag op staande voet, handel in drugs op het bedrijfsterrein van de werkgever, bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9326897 / VZ VERZ 21-11754

uitspraak: 27 oktober 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] (hierna: [verzoeker]),

wonende in [woonplaats verzoeker],

verzoeker, verweer

der in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. Y. Habib te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tigers International Logistics B.V. (hierna: Tigers),

statutair gevestigd in Haarlemmermeer, zaakdoende in Ridderkerk,

verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A. Bekius te Zwolle.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, met producties, ontvangen op 2 juli 2021;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 7:681 BW tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:671b BW, met producties, ontvangen op 17 september 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2021 plaatsgevonden. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] in persoon verschenen, vergezeld van [naam 1] (tolk Pools) en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Tigers is [naam 2] (HR-manager) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van Tigers. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1.

Tigers drijft een logistiek bedrijf, waarbij zij diverse goederen opslaat en vervoert.

2.2.

[verzoeker], geboren op [geboortedatum verzoeker], is op 5 november 2008 bij [naam bedrijf] (een handelsnaam van Tigers) in dienst getreden als Allround Magazijn Medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 40 uur per week. Het laatstverdiende salaris van [verzoeker] bedroeg € 2.350,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3.

Tigers heeft [verzoeker] op 5 mei 2021 op staande voet ontslagen. Dit is bij brief van diezelfde dag (hierna: de ontslagbrief) - voor zover van belang - als volgt aan hem bevestigd:

Geachte heer [verzoeker],

Op 5 mei 2021 bent u op de hoogte gesteld door [naam 3] en [naam 4] van Tigers International Logistics BV dat er een onderzoek gedaan is naar een voorval op de parkeerplaats op 4 mei 2021 om 15:03 uur.

Dit voorval heeft doen besluiten om in samenwerking met [naam 2], Manager HR, de camerabeelden van dat tijdstip en het voornoemde voorval te bekijken.

Uit de beelden is gebleken dat er een handmatige overdracht plaats vindt tussen twee personen. Een van deze twee personen bent u.

Naar aanleiding van het voornoemde hebt u op 5 mei 2021 een gesprek gehad met eerst voornoemde personen en zij hebben u gevraagd wat er voorgevallen is op dat tijdstip op de parkeerplaats op het eigenterrein van Tigers International Logistics.

In dit gesprek heeft u bevestigd dat u, op dat tijdstip, aan een collega verdovende middelen heeft verkocht.

Vervolgens is het gesprek voortgezet en is u door [naam 3] en [naam 4] medegedeeld dat op basis van deze bevestiging uw gedrag volstrekt onacceptabel is en in strijd met de goede zeden zoals genoemd in het sanctiebeleid van Tigers International Logistics BV.

Ook hebben zij u medegedeeld dat naar aanleiding van het plegen van een strafbaar feit, de handel in verdovende middelen, u met directe ingang op staande voet bent ontslagen.

Binnen Tigers International Logistics BV geldt een zero-tolerance beleid omtrent het onder invloed zijn van, het in bezit zijn van en de handel in verdovende middelen.

Ter bevestiging voor u, uw handelswijze is ernstig verwijtbaar althans verwijtbaar en levert voor ons een dringende reden op in de zin van de wet. Wij hebben u heden op staande voet ontslagen.

Wij hebben de arbeidsovereenkomst op basis van voornoemde dringende reden, welke reden aan u meegedeeld is, onverwijld aan u opgezegd en bevestigen en herhalen zulks voor zover nodig hierbij nog eens. (…)

Uw arbeidsovereenkomst neemt derhalve een einde op 5 mei 2021. (…)”.

2.4.

Bij brief van 28 mei 2021 heeft de gemachtigde van [verzoeker] - voor zover van belang - het volgende aan Tigers bericht:

(…) Op 5 mei 2021 heeft u cliënt op staande voet ontslagen, welk ontslag aan hem op dezelfde dag schriftelijk werd bevestigd. Als reden voor ontslag is door Tigers International genoemd de verkoop van verdovende middelen op het parkeerterrein van Tigers International na werktijd.

(…) Afgezien van de vraag of verkoop van verdovende middelen aangemerkt moet worden als dringende reden voor ontslag, is deze beschuldiging onterecht en wordt dit dan ook uitdrukkelijk door cliënte betwist.

Cliënt heeft op verzoek van een collega een gebruikershoeveelheid van softdrugs bij de coffeeshop gehaald. Er is echter geen sprake van het verhandelen van verdovende middelen, zodat de kwalificering door u als verkoop onterecht is.

(…) Cliënt bestrijdt dat zijn gedragingen van 4 mei na werktijd in strijd zijn met de goede zeden. Het sanctiebeleid waar in de ontslagbrief naar wordt gerefereerd is cliënt onbekend. Evenmin is cliënt bekend met het door u gestelde zero-tolerance beleid omtrent het onder invloed zijn van, het in het bezit zijn van en de handel in verdovende middelen.

Kortom, de reden rechtvaardigt geen ontslag op staande voet.

(…) Ik verzoek u dan ook mij per omgaande te bevestigen dat het ontslag op staande voet wordt ingetrokken en dat cliënt zijn werkzaamheden per ommegaande op de gebruikelijk wijze kan hervatten. Wederom deel ik u mede dat cliënt zich uitdrukkelijk beschikbaar de bedongen arbeid te verrichten. (…)”.

3. Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

heeft verzocht om bij beschikking:

I. bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de onderhavige procedure Tigers te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het laatstgenoten salaris, te weten € 2.350,00 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 5 mei 2021 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd en [verzoeker] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Tigers in gebreke blijft;

primair

II. het door Tigers op 5 mei 2021 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;

III. Tigers te verplichten om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Tigers in gebreke blijft;

IV. Tigers te veroordelen tot betaling van het laatstgenoten salaris van [verzoeker], te weten € 2.350,00 bruto per maand, en alle daarbij behorende emolumenten vanaf 5 mei 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

subsidiair

V. Tigers te veroordelen tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 9.400,00 bruto, zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift;

VI. Tigers te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding van € 10.576,80 bruto, zoals vermeld onder punt 9 van het verzoekschrift;

VII. Tigers te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding van € 30.444,00 bruto ex artikel 7:681 lid 1 BW, zoals vermeld onder punt 10 van het verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

meer subsidiair

VIII. Voor het geval dat de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, Tigers te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding, zoals vermeld onder punt 9 en 11 van het verzoekschrift;

primair, subsidiair en meer subsidiair

IX. Tigers te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van de algehele betaling;

X. Tigers te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoeken naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, omdat er geen sprake is van een dringende reden. Een collega van [verzoeker] was enkele weken woonachtig in Nederland. Die collega heeft elders vernomen dat het gebruik van softdrugs in Nederland wordt gedoogd. Deze collega wendde zich tot [verzoeker] en vertelde hem dat hij wiet wilde kopen, maar dat hij zelf niet wist hoe hij hieraan kon komen. In zijn eigen woonplaats zou namelijk geen coffeeshop zijn. [verzoeker] heeft op verzoek van deze collega een gebruikershoeveelheid wiet gekocht bij de coffeeshop en dit op 4 mei 2021 na werktijd op het parkeerterrein van Tigers aan de collega gegeven. Toen [verzoeker] op 5 mei 2021 over deze gebeurtenis werd bevraagd, heeft hij de gebeurtenis direct bevestigd. [verzoeker] wist niet dat hij ook maar iets verkeerd zou hebben gedaan. [verzoeker] had enkel goede bedoelingen; hij wilde zijn collega helpen. Het gedrag van [verzoeker] is niet in strijd met de goede zeden en ook niet onacceptabel, althans zijn gedrag is niet dermate ernstig dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verzoeker] is bovendien niet bekend met het sanctiebeleid en het zero tolerance beleid waar Tigers in de ontslagbrief aan refereert. Het ontslag op staande voet ontbeert dan ook elke rechtsgrond en is wegens de ernstige gevolgen voor [verzoeker] onaanvaardbaar, zodat het ontslag op staande voet primair moet worden vernietigd.

3.2.2.

[verzoeker] is voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn loon en hij heeft sinds 5 mei 2021 geen loon meer ontvangen van Tigers. [verzoeker] verzoekt daarom om een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voor de duur van de onderhavige procedure, bestaande uit het veroordelen van Tigers tot betaling van het loon vanaf 5 mei 2021 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om hem in staat te stellen de bedongen arbeid op de gebruikelijke en overeengekomen wijze te hervatten, op straffe van een dwangsom. [verzoeker] heeft voldoende belang bij de door hem verzochte voorziening en van [verzoeker] kan niet worden gevergd dat hij de beslissing op het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet afwacht. De gevorderde voorlopige voorziening hangt bovendien samen met de hoofdvordering.

3.2.3.

Nu geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst door Tigers is opgezegd, maakt [verzoeker] subsidiair aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ten bedrage van € 9.400,00 bruto, de transitievergoeding ten bedrage van € 10.576,80 bruto en een billijke vergoeding ten bedrage van € 30.444,00 bruto.

3.2.4.

In het geval dat het ontslag op staande voet wel stand zou houden, maakt [verzoeker] meer subsidiair aanspraak op de transitievergoeding ten bedrage van € 10.576,80 bruto.

4. Het verweer van Tigers

4.1.

Het verweer van Tigers strekt tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker], met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4.2.

Tigers heeft hiertoe onder verwijzing naar de met [verzoeker] gesloten arbeidsovereenkomst en het daarop van toepassing zijnde personeelshandboek en huishoudelijk reglement aangevoerd dat zij [verzoeker] verwijt de binnen Tigers geldende regels niet te hebben nageleefd en dat het ontslag op staande voet derhalve op goede gronden is gegeven. Tigers heeft hiertoe naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

4.2.1.

Op 4 mei 2021 hebben [naam 3] en [naam 4] gezien dat een collega van [verzoeker] ([naam 5]) zijn auto (onreglementair) op het parkeerterrein van Tigers parkeerde en naar [verzoeker] liep. [verzoeker] en [naam 5] liepen vervolgens samen richting de auto van [verzoeker] en tijdens het lopen gaf [verzoeker] iets aan [naam 5]. Daarna liep [verzoeker] verder naar zijn eigen auto en liep [naam 5] ook naar zijn auto, waarna beiden het parkeerterrein van Tigers hebben verlaten. [naam 3] en [naam 4] hebben [naam 5] op 5 mei 2021 gehoord. [naam 5] heeft vervolgens het volgende verklaard: “Gisteren tussen 15:00 en 15:10 op de parking terrein heb ik voor 30 euro weed gekocht. Ik ken de naam van de verkoper niet maar ik weet dat hij een tatoeëer op zijn nek heeft. Ik hoorde via andere collega’s dat hij weed verkocht en dat hij staat naar het werk buiten. Ik heb bij hem twee keer een weed gekocht, eerste keer twee weken geleden.”. [naam 3] en [naam 4] hebben [verzoeker] hierna geconfronteerd met hetgeen zijzelf hebben waargenomen en hetgeen [naam 5] heeft verklaard. In eerste instantie ontkende [verzoeker], maar uiteindelijk heeft [verzoeker] erkend dat hij op 4 mei 2021 omstreeks 15:00 uur verdovende middelen aan een collega heeft verkocht. Vervolgens gaf [verzoeker] aan dit al vaker te hebben gedaan. Aangezien [verzoeker] derhalve meerdere keren in strijd met de bij Tigers geldende regels heeft gehandeld, is hij op staande voet ontslagen.

4.2.2.

Het staat vast dat [verzoeker] in strijd met de regels op het bedrijfsterrein van Tigers in het bezit was van verdovende middelen en dat [verzoeker] daar verdovende middelen heeft verkocht. Van een ‘vriendendienst’, zoals [verzoeker] doet voorkomen, was geen sprake. Dat is niet alleen objectief, maar ook subjectief bezien een ernstig feit. De omstandigheid dat het een strafbaar feit betreft moet ook worden meegewogen bij het bepalen van de ernst van de gedraging. Daarnaast moet ook het feit dat de handelswijze van [verzoeker] tot grote imagoschade voor Tigers zou kunnen leiden worden meegewogen. Op de arbeidsovereenkomst zijn het personeelshandboek en het huishoudelijk reglement van toepassing. [verzoeker] heeft bij indiensttreding het personeelsreglement ontvangen, wat ook blijkt uit zijn arbeidsovereenkomst. [verzoeker] wordt hierdoor geacht op de hoogte te zijn van het zero tolerance beleid en het sanctiebeleid van Tigers. Dat drugs bij Tigers niet zijn toegestaan, staat ook nog op de deur van het Warehouse als onderdeel van de Engelstalige huisregels die daar zijn gepubliceerd. Er is dan ook sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

4.2.3.

De door [verzoeker] aangevoerde persoonlijke omstandigheden staan niet aan het ontslag op staande voet in de weg. [verzoeker] had zich moeten onthouden van de aan hem verweten gedragen. Hij wist, althans behoorde te weten dat het in het bezit zijn van verdovende middelen en de verkoop daarvan op het bedrijfsterrein van Tigers niet zijn toegestaan. Voor Tigers is integer handelen heel belangrijk en juist gelet op de duur van het dienstverband was het [verzoeker] volkomen duidelijk wat Tigers daarin van hem verwachtte. Daar komt nog bij dat Tigers na een voorval met betrekking tot coronarellen (waar [verzoeker] aan heeft deelgenomen) met [verzoeker] heeft besproken dat hoewel zij het zeer ernstig verwijtbaar vond, zij er toen toch voor heeft gekozen coulant met hem om te gaan. [verzoeker] was dus een gewaarschuwd mens. Een ontslag op staande voet is tot slot een ultimum remedium. Juist daarom is Tigers zeer zorgvuldig te werk gegaan en heeft zij de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] meengenomen in de afweging. Het ontslag op staande voet kan ondanks het voorgaande een diffamerende werking hebben, maar dat is volledig aan [verzoeker] toe te rekenen.

4.2.4.

Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding moet ook worden afgewezen, omdat het in het bezit hebben van verdovende middelen en de verkoop daarvan op het bedrijfsterrein van Tigers zondermeer ernstig verwijtbaar is.

4.2.5.

Voor het toekennen van een billijke vergoeding en/of een vergoeding wegens onregelmatige opzegging is geen plaats, aangezien het buiten kijf staat dat Tigers [verzoeker] rechtsgeldig en op goede gronden op staande voet heeft ontslagen. Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat Tigers in strijd met artikel 7:681 BW heeft gehandeld en het ontslag op staande voet ten onrechte is verleend, betwist Tigers de verzochte billijke vergoeding.

4.2.6.

De dringende reden staat vast en het ontslag op staande voet komt derhalve niet voor vernietiging in aanmerking. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. De gevraagde dwangsommen moeten enkel en alleen al wegens gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. [verzoeker] moet in de kosten van de voorlopige voorziening procedure worden veroordeeld.

5. Het voorwaardelijk verzoek van Tigers

5.1.

Voor het geval dat de kantonrechter het op 5 mei 2021 gegeven ontslag op staande voet vernietigt, heeft Tigers verzocht om de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e en/of sub h en/of sub g en/of sub i BW met ingang van de eerst mogelijke datum te ontbinden en voor recht te verklaren dat [verzoeker] geen recht heeft op enige vergoeding, waaronder de transitievergoeding zoals bedoeld in artikel 7:673 BW, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

5.2.

Aan haar voorwaardelijk verzoek heeft Tigers naast de vaststaande feiten en hetgeen zij als verweer op het verzoek van [verzoeker] heeft aangevoerd (dat als herhaald en ingelast moet worden beschouwd) - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door op het bedrijfsterrein van Tigers verdovende middelen voor handen te hebben en deze te verkopen. Daarnaast heeft Tigers door dit handelen alle vertrouwen in het goede functioneren van [verzoeker] verloren. Het is niet voorstelbaar dat Tigers [verzoeker] gezien zijn gedragingen nog laat werken. Tigers heeft integriteit namelijk hoog in het vaandel staan. De handelswijze van [verzoeker] past daar niet bij. De onherstelbare vertrouwensbreuk is mede gebaseerd op het feit dat er eerder al het voorval was met de betrokkenheid van [verzoeker] bij de coronarellen en dat [verzoeker] nu, achteraf, de gebeurtenissen nuanceert en bagatelliseert. Dat verwijt Tigers hem in ernstige mate. Voor Tigers staat vast dat [verzoeker] niet de eigenschappen bezit die noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van zijn functie. Het ernstig verwijtbaar handelen, de verstoorde verhouding, de vertrouwensbreuk, dan wel de combinatie van de voorgaande gronden zijn zodanig dat van Tigers in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voort te zetten. Tigers verzoekt dan ook om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede en daarnaast bestaan er op dit moment geen mogelijkheden bij Tigers om [verzoeker] elders binnen de organisatie te herplaatsen. Nu (onder meer) sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verzoeker] verzoekt Tigers - conform het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub b BW - de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en geen rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn bij het bepalen van de datum van ontbinding. Aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen heeft [verzoeker] op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen recht op een transitievergoeding. Voor toekenning van enige andere (billijke) vergoeding bestaat ook geen ruimte.

6. Het verweer van [verweerder] tegen het voorwaardelijk verzoek

6.1.

Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van Tigers.

6.2.

Aan zijn verweer heeft [verweerder] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

6.2.1.

[verweerder] herkent zich niet in het door Tigers geschetste beeld dat hij bekend zou staan als verkoper van drugs. [verweerder] hoort dit ook voor het eerst. Er is sprake van één geval waarin [verweerder] geld van [naam 5] heeft ontvangen en de volgende dag wiet aan [naam 5] heeft gegeven. [verweerder] betwist ten stelligste dat dit vaker voorkwam. Daarvoor ontbreekt ook iedere onderbouwing. De door Tigers overgelegde verklaring van [naam 5], waarin staat dat [naam 5] tweemaal wiet van [verweerder] heeft gekocht, vindt [verweerder] onbetrouwbaar. [naam 5] spreekt geen Engels of Nederlands, terwijl de verklaring in het Nederlands is opgesteld. Daarnaast klopt de verklaring inhoudelijk ook niet. [verweerder] verzoekt de kantonrechter dan ook om de door Tigers overgelegde verklaring van [naam 5] buiten beschouwing te laten. Tigers heeft zich tot slot op haar personeelsreglement beroepen. De laatste arbeidsovereenkomst die [verweerder] heeft getekend, stamt uit 2010. Het personeelsreglement dat Tigers heeft overgelegd, komt [verweerder] niet voor als het reglement waar hij toen mee bekend was. [verweerder] verzoekt de kantonrechter dan ook om het door Tigers overgelegde reglement buiten beschouwing te laten.

6.2.2.

Er is geen sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk. [verweerder] heeft direct bekend dat hij wiet aan [naam 5] had gegeven toen Tigers hem daarop aansprak. Het klopt niet dat [verweerder] dit eerst ontkende. [verweerder] zag dit namelijk niet als een fout en hij had dan ook niets te verbergen. Het vertrouwen is dus niet geschonden.

6.2.3.

De i-grond wordt enkel aangehaald, maar niet afzonderlijk onderbouwd.

7. De beoordeling

ten aanzien van het verzoek van [verzoeker]

7.1.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever de werknemer een ontslag op staande voet heeft gegeven dat niet rechtsgeldig blijkt te zijn. Hieruit volgt dat de werknemer, die van mening is dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden, een keuze moet maken tussen het verzoek tot vernietiging van de opzegging en terugkeer bij de werkgever enerzijds en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding, in het geval van berusting in het einde van de arbeidsovereenkomst per datum van het ontslag op staande voet, anderzijds. Daarbij kan onder de huidige wetgeving omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst (Wet werk en zekerheid (Wwz)) ‘geswitcht’ worden tussen het verzoek tot vernietiging van de opzegging en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding.

7.2.

In het onderhavige geval heeft een dergelijke switch niet plaatsgevonden. Aangezien [verzoeker] in zijn verzoekschrift primair om vernietiging van de opzegging heeft verzocht, ligt dat verzoek ter beoordeling voor.

7.3.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:671 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Op grond artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

7.4.

Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, moeten alle omstandigheden van het geval - in onderling verband en samenhang - in aanmerking worden genomen.

7.5.

Uit de ontslagbrief blijkt dat Tigers [verzoeker] verwijt dat hij op het bedrijfsterrein van Tigers heeft gehandeld in verdovende middelen. Ter onderbouwing hiervan heeft Tigers in de onderhavige procedure - in het bijzonder - verwezen naar de door haar overgelegde verklaringen van [naam 5], [naam 3] en [naam 4]. Daarnaast heeft Tigers tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij de beschikking heeft over camerabeelden waarop, volgens Tigers, de door haar geschetste gang van zaken is te zien.

7.6.

De vraag die nu moet worden beantwoord, is of het hiervoor genoemde een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Voor de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn (enkel) de door Tigers in de ontslagbrief vermelde redenen maatgevend. Het geschil wordt afgebakend door hetgeen daarin aan het ontslag ten grondslag is gelegd. Concretiseringen en aanvullingen die in het verweerschrift en/of het voorwaardelijk verzoek en/of tijdens de mondelinge behandeling door Tigers naar voren zijn gebracht, zijn niet mede aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Die concretiseringen en aanvullingen worden daarom buiten beschouwing gelaten.

7.7.

Partijen verschillen van mening over de feitelijke gang van zaken op 5 mei 2021. Volgens Tigers was sprake van handel in verdovende middelen. [verzoeker] heeft dit echter uitdrukkelijk betwist. Volgens [verzoeker] was sprake van een ‘vriendendienst’; [naam 5] zou hem € 30,00 hebben gegeven om in een coffeeshop wiet mee te kopen en [verzoeker] zou de gekochte wiet vervolgens op 5 mei 2021 op het parkeerterrein aan [naam 5] hebben overhandigd. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [verzoeker] staat op dit moment (nog) niet vast dat [verzoeker] op 5 mei 2021 op het bedrijfsterrein in verdovende middelen heeft gehandeld. De bewijslast van het bestaan van een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet rust op Tigers, zodat zij overeenkomstig haar bewijsaanbod wordt toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] op 5 mei 2021 op het parkeerterrein van Tigers verdovende middelen heeft verkocht.

7.8.

Als Tigers slaagt in de hierboven gegeven bewijsopdracht, is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een geldig ontslag op staande voet en komen de vorderingen van [verzoeker] niet voor toewijzing in aanmerking. In dat kader is van belang dat het [verzoeker] volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat dergelijk gedrag door Tigers niet getolereerd wordt, met name ook nu, zo is door [verzoeker] ook niet betwist, op het de deur van het Warehouse in het Engels de huisregels staan, waaronder dat drugs in welke vorm dan ook niet zijn toegestaan. Daarnaast levert een en ander een strafbaar feit op. Indien Tigers er niet in slaagt het bewijs te leveren, kan er niet van handel in verdovende middelen worden uitgegaan en zal het ontslag op staande voet vernietigd worden en komen de daarbij horende vorderingen aan de orde.

7.9.

De kantonrechter verwijst de onderhavige procedure nu naar woensdag 24 november 2021, op welke datum Tigers zich bij akte kan uitlaten over de bewijslevering.

7.10.

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

ten aanzien van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Tigers

7.11.

Het gaat hier om een voorwaardelijke ontbinding waarbij het intreden van de voorwaarde afhankelijk is van de uitkomst van de hierboven gegeven bewijsopdracht, omdat het verzoek slechts aan de orde komt als het ontslag op staande voet vernietigd wordt. Voor deze situatie heeft de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing (ECLI:NL:HR:2016:2998, Mediant) bepaald dat het wenselijk is dat de kantonrechter op beide verzoeken zoveel mogelijk gelijktijdig beslist. Hij kan dat ontbindingsverzoek afzonderlijk behandelen, indien aanhouding een onaanvaardbare vertraging van die procedure zou opleveren. Dat in dit geval van een onaanvaardbare vertraging sprake zou zijn, is niet gebleken en heeft Tigers ook niet gesteld. Dit betekent dat in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering iedere beslissing ten aanzien van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Tigers wordt aangehouden.

ten aanzien van de voorlopige voorziening

7.12.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om op grond van artikel 223 Rv voor de duur van de onderhavige procedure een voorlopige voorziening te treffen, te weten dat Tigers wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon en tewerkstelling. Aan dit verzoek heeft [verzoeker] - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Tigers stelt zich op het standpunt dat sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, zodat geen reden bestaat de gevorderde voorlopige voorziening toe te wijzen.

7.13.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure worden gevorderd dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure, indien deze vordering samenhangt met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op een verzoekschriftprocedure als de onderhavige (zie HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3533). Het verzoek van [verzoeker] hangt samen met de hoofdvordering, nu hij heeft verzocht om het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen.

7.14.

[verzoeker] heeft een spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening, omdat het gaat om een verzoek tot loonbetaling na een gegeven ontslag op staande voet en omdat - gelet op de omstandigheid dat aan bewijslevering wordt toegekomen - op korte termijn geen einduitspraak in de hoofdzaak zal worden gedaan. Gelet daarop zal op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden beslist.

7.15.

Voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is vereist dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat het verzoek in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in deze zaak geen plaats. Dat moet gebeuren in de hoofdzaak. De beoordeling in deze zaak is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

7.16.

Onder verwijzing naar de in de hoofdzaak te geven bewijsopdracht, waarvoor in ieder geval geldt dat de kantonrechter op de uitkomst daarvan niet vooruit kan lopen, overweegt de kantonrechter dat op dit moment niet kan worden aangenomen dat in voldoende mate waarschijnlijk is dat het op 5 mei 2021 gegeven ontslag op staande voet zal worden vernietigd, zodat op dit moment evenmin in voldoende mate waarschijnlijk is dat [verzoeker] vanaf 5 mei 2021 nog recht heeft op doorbetaling van loon door Tigers en tewerkstelling. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een reëel restitutierisico in het geval dat [verzoeker] - nadat de door hem gevraagde voorlopige voorziening zou worden toegewezen - in de hoofdzaak in het ongelijk zou worden gesteld. De bij wege van voorlopige voorziening ingestelde vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar.

7.17.

[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Tigers veroordeeld, die tot aan deze uitspraak worden begroot op nihil, aangezien er voor deze procedure geen aparte proceshandeling heeft plaatsgevonden.

8. De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van [verzoeker]

laat Tigers toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] op 5 mei 2021 op het parkeerterrein van Tigers verdovende middelen heeft verkocht;

bepaalt dat:

  • -

    Tigers op de rolzitting van woensdag 24 november 2021 bij de te nemen akte in de gelegenheid is om mede te delen of en, zo ja, op welke wijze zij het bewijs wenst te leveren;

  • -

    en indien zij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren zij bij die gelegenheid de op het bewijsthema betrekking hebbende stukken direct in het geding moet brengen;

  • -

    en indien zij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen zij bij akte opgave moet doen van het aantal en de personalia van de door haar voor te brengen getuigen en van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden december 2021 en januari en februari 2022, zodat vervolgens een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;

wijst Tigers erop dat namen en woonplaatsen van eventueel voor te brengen getuigen tenminste zeven dagen vóór het te houden getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter en [verzoeker] moeten worden aangezegd;

bepaalt dat Tigers te zijner tijd zelf zorg moet dragen voor behoorlijke oproeping van de eventueel voor te brengen getuigen;

bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter;

houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering;

ten aanzien van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Tigers

houdt iedere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering ten aanzien van het verzoek van [verzoeker];

ten aanzien van de voorlopige voorziening

wijst de verzochte voorlopige voorziening af;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tigers begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk en uitgesproken op een openbare terechtzitting.

38671