Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
C/10/596766 / HA ZA 20/478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-werkgever spreekt ex-werknemer en de door hem opgerichte onderneming aan wegens onrechtmatige concurrentie. Toepassing van uitspraak Hoge Raad inzake Boogaard/Vesta. Ex werkgever toegelaten tot bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2022/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/596766 / HA ZA 20/478

Vonnis van 13 januari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROYAUME FACILITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.J. Bergkotte te 's-Gravenhage,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. de vennootschap onder firma

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [plaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 5] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J. de Graaff te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna ‘Royaume’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’ (in meervoud) genoemd worden. Tevens zullen de gedaagden voor zover nodig ieder afzonderlijk bij naam worden aangeduid, waarbij gedaagde sub 1 ‘ [gedaagde 1] ’ en gedaagde sub 4 ‘ [gedaagde 4] ’ genoemd zullen worden (in enkelvoud), terwijl gedaagde sub 2 verder aangeduid zal worden als ‘ [gedaagde 2] ’ en gedaagde sub 5 als ‘ [gedaagde 5] ’.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 11 mei 2020, met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    de brief van de griffier van 26 augustus 2020 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak op 5 oktober 2020;

  • -

    de voorafgaand aan de comparitie door [gedaagde 1] c.s. toegestuurde aanvullende producties;

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaat van de Royaume;

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde 1] c.s.;

  • -

    de aantekeningen, die de griffier heeft gemaakt van de gehouden mondelinge behandeling op 5 oktober 2020, waarbij partijen verschenen zijn, bijgestaan door hun advocaat;

1.2.

De uitspraak van het vonnis is, na aanhouding, nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Royaume exploiteert een schoonmaakbedrijf. Blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel is het bedrijf opgericht op 9 december 2016. Directeur grootaandeelhouder van het bedrijf is [persoon A] (hierna: ‘ [persoon A] ’). Hij is tevens directeur grootaandeelhouder van het beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf] . gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: ‘ [naam beveiligingsbedrijf] ”).

2.2.

[gedaagde 3] heeft op 26 oktober 2015 het eenmansbedrijf [gedaagde 2] opgericht. Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel houdt het bedrijf zich bezig met “interieurreiniging van gebouwen en het aanbieden van facilitaire diensten”.
Op 5 juni 2018 is het bedrijf uitgeschreven uit het Handelsregister en is de onderneming voortgezet door gedaagde sub 2, [gedaagde 2] met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als vennoten.

2.3.

[gedaagde 3] is in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 januari 2019 bij Royaume in dienst geweest. De schriftelijke arbeidsovereenkomst die partijen op 1 januari 2017 hebben gesloten vermeld als functie “schoonmaker”. Het salaris over de eerste maand van het dienstverband, te weten januari 2017 bedroeg € 1.520,- netto, terwijl het salaris over de laatste maand, te weten januari 2019, € 2.564,20 netto bedroeg, inclusief diverse toeslagen, waaronder € 215,83 bruto vakantiegeld. Beide loonstroken vermelden als functie van [gedaagde 3] “medeweker algemeen schoonmaakonderhoud”.

2.4.

De schriftelijke arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- relatie- of anti-ronselbeding. Wel bevat de arbeidsovereenkomst in artikel 9 een verbod op het verrichten van nevenactiviteiten, welk verbod als volgt is geformuleerd:

“Het is de werknemer verboden zonder toestemming van de werkgever al dan niet tegen betaling werkzaamheden voor derden te verrichten of zaken uit te voeren voor eigen rekening. Evenmin zal hij voordelen van derden aanvaarden of bedingen direct of indirect die geacht worden in verband te staan met zijn werkzaamheden”.

2.5.

Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst bevat tevens het hierna volgende geheimhoudingsbeding:

“Het is de werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan op enigerlei wijze aan derden, waaronder begrepen collega’s direct of indirect, in elke vorm dan ook en in welke voege ook, enige mededelingen te doen van of aangaande enige bijzonderheden, werkgevers zaak betreffende of daarmee verband houdende”.

2.6.

Artikel 13 van de arbeidsovereenkomst bevat een boetebeding, waarin geregeld is dat de werknemer bij overtreding van artikel 9 of artikel 12 een boete verbeurt van € 2.500,- per overtreding alsmede een boete van € 250,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om in plaats daarvan volledige schadevergoeding plus kosten en interesten te vorderen voor zover de werkelijk geleden schade de bedongen boete te boven gaat.

2.7.

De arbeidsovereenkomst is op 31 januari 2019 met wederzijds goedvinden beëindigd.

2.8.

In de periode van 1 februari 2019 tot 1 oktober 2019 heeft [gedaagde 3] op verzoek van Royaume administratieve werkzaamheden verricht, bestaande uit het bijhouden van urenlijsten en urenregistraties van het personeel van Royaume. [gedaagde 3] stelt dat hij die werkzaamheden heeft verricht als vriendendienst, zonder dat hij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, terwijl Royaume stelt dat [gedaagde 3] daarvoor wel degelijk een financiële vergoeding heeft ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Royaume gesteld dat zij voor die werkzaamheden een vergoeding van € 350,- netto aan [gedaagde 3] heeft betaald.

2.9.

Royaume had in de tijd dat [gedaagde 3] bij haar werkte verschillende vestigingen van McDonald’s als klant. Zo heeft zij op 1 september 2016 met McDonald’s Geldrop BV, op 1 oktober 2016 met McDonald’s Veghel BV en op 22 november 2016 met McDonald’s Helmond BV schoonmaakcontracten afgesloten. In alle gevallen gold de overeenkomst voor 12 maanden met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging voor een periode van één jaar, behoudens opzegging door een van beide partijen met in achtneming van een opzegtermijn van één maand. De maandelijkse vergoeding voor de door Royaume te verrichten dagelijkse schoonmaakwerkzaamheden bedroeg volgens alle drie de contracten € 8.500,- exclusief btw per maand per vestiging. De drie contracten worden hierna gemakshalve aangeduid als ‘de Overeenkomsten met de McDonald’s franchises’.

2.10.

Bij e-mailbericht van 9 september 2019 heeft de heer [persoon B] , [naam functie] van McDonald’s Helmond, Veghel en Geldrop (hierna; “ [persoon B] ”) de opzegging van de drie Overeenkomsten per 8 oktober 2019 bevestigd aan Royaume. In die bevestiging is geen reden van de opzegging vermeld.

2.11.

Op 16 september 2019 is in het Handelsregister ingeschreven “ [gedaagde 5] .” gevestigd te Rotterdam, (hierna: ‘ [gedaagde 5] ’) Als bestuurder en enig aandeelhouder geldt volgens die inschrijving [gedaagde 3] .

2.12.

Per 1 oktober 2019 zijn tussen [persoon B] aan de ene kant en [gedaagde 5] aan de andere kant ten behoeve van genoemde drie McDonald’s vestigingen schoonmaakcontracten afgesloten, ingevolge welke overeenkomsten [gedaagde 5] dagelijks schoonmaakwerkzaamheden diende te verrichten in genoemde drie McDonald’s vestigingen tegen betaling van een maandelijkse vergoeding van € 8.500,- (exclusief btw) door iedere vestiging. Ook die contracten zijn afgesloten voor de duur van één jaar, met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging, behoudens tijdige opzegging door een van de partijen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.

2.13.

Bij brief d.d. 15 maart 2020 heeft de advocaat van Royaume [gedaagde 1] c.s. aansprakelijk gesteld voor de haar geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] , respectievelijk het profiteren daarvan door de overige gedaagden, waarbij verzocht is die aansprakelijkheid te erkennen.

2.14.

Bij brief van 6 maart 2020 hebben [gedaagde 1] c.s. iedere vorm van aansprakelijkheid voor de door Royaume gestelde schade van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1.

Royaume vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens Royaume heeft gehandeld en gehouden is tot vergoeding van de door haar dientengevolge geleden schade, zulks nader op te maken bij staat;

II. Primair:
te verklaren voor recht dat gedaagden sub 2 tot en met 5 onrechtmatig jegens Royaume hebben gehandeld en gehouden zijn tot vergoeding van de door haar dientengevolge geleden schade te vergoeden, zulks nader op te maken bij staat;
Subsidiair:
te verklaren voor recht dat gedaagde sub 2 tot en met 5 ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van Royaume en dientengevolge gehouden zijn tot vergoeding van de door haar geleden schade, zulks nader op te maken bij staat;

III. zodanige verdere of andere verklaring voor recht uit te spreken en maatregelen te treffen als de rechtbank Rotterdam, Team Haven en Handel, Zittingsplaats Rotterdam in goede justitie zal vermenen te behoren;

IV. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, des dat ene betaald hebbende, de andere zij gekweten, te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de betekening van het te dezer zake te vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Royaume heeft aan haar vordering - voor zover thans van belang - en kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.

[gedaagde 3] heeft de McDonald’s franchises actief geronseld teneinde (on)middellijk met hem in zee te gaan. Het is dan ook geen toeval dat die contracten zijn opgezegd tegen oktober 2019, derhalve precies aansluitend op de laatste dag dat [gedaagde 3] nog werkzaamheden verrichtte voor Royaume. Het is Royaume niet bekend of [gedaagde 3] die McDonald’s vestigingen is gaan bedienen vanuit zijn eenmanszaak, [gedaagde 2] of [gedaagde 5] , vandaar dat Royaume heeft besloten om alle bedrijven in rechte te betrekken. Door op die wijze te handelen hebben [gedaagde 1] c.s. onrechtmatig gehandeld tegens Royaume en zijn zij gehouden de door haar geleden schade te vergoeden.
Volgens Royaume is sprake van ongeoorloofde concurrentie, nu [gedaagde 1] c.s. op stelselmatige en substantiële wijze het duurzaam bedrijfsdebiet van Royaume heeft afgebroken door personeel en klanten te ronselen. [gedaagde 3] heeft daarbij gebruik gemaakt van kennis en gegevens verkregen uit dienstbetrekking, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van vertrouwelijke informatie en bovendien voorbereidende handelingen heeft getroffen tijdens het dienstverband met Royaume. Door de handelwijze van [gedaagde 1] c.s. is Royaume een belangrijk deel van haar personeel kwijtgeraakt, maar bovendien is haar omzet door het verlies van de McDonald’s franchises in het vierde kwartaal van 2019 met 56.5% gedaald ten opzichte van het eerste kwartaal van dat jaar.

3.3.

Volgens Royaume is het aannemelijk dat de Overeenkomsten met de McDonald’s franchises nog zouden hebben voortgeduurd tot het vierde kwartaal van 2022 en aldus is sprake van een verlies aan omzet van € 918.000,- op basis van een vergoeding per vestiging van € 8.500,- per maand. Royaume kiest er om haar moverende redenen in dit geding voor om een verklaring voor recht te vorderen op basis van de artikelen 6:162 en 6:212 jo., 3:302 BW.

3.4.

[gedaagde 1] c.s. hebben de vorderingen gemotiveerd weersproken, waarbij zij - voor zover thans van belang en kort samengevat - het volgende hebben aangevoerd.

3.5.

Er is geen sprake van dat [gedaagde 3] de McDonald’s franchises actief heeft benaderd om over te stappen of die klanten heeft geronseld, zoals Royaume - overigens zonder verdere onderbouwing - stelt. [persoon B] heeft de contracten met Royaume opgezegd, omdat hij niet tevreden was over de kwaliteit van het door Royaume geleverde schoonmaakwerk en aansluitend is op initiatief van [persoon B] de samenwerking met [gedaagde 5] tot stand gekomen. [gedaagde 1] c.s. verwijzen in dat verband naar de door hen overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon B] d.d. 13 juni 2020 (productie 7 bij antwoord). Ook andere McDonald’s vestigingen hebben het schoonmaakcontract met Royaume opgezegd, omdat zij niet meer tevreden waren over de geleverde kwaliteit. [persoon A] richtte zijn aandacht volgens [gedaagde 3] meer op zijn andere bedrijf, te weten [naam beveiligingsbedrijf] . Bovendien heeft Royaume er zelf voor gekozen om enkele contracten met andere McDonlad’s vestigingen op te zeggen, omdat die contracten naar zeggen van [persoon A] voor haar niet lucratief waren, gelet op de grote afstand en de hoge reiskosten voor het personeel.

3.6.

Voor zover al zou komen vast te staan dat [gedaagde 3] ex klanten van zijn vroegere werkgeefster heeft benaderd om over te stappen naar een van zijn bedrijven, is volgens [gedaagde 1] c.s. geen sprake van stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame debiet van Royaume, gezien de hoge lat die door de Hoge Raad in de ter zake van belang zijnde rechtspraak is aangelegd. Met de McDonald’s franchises bestond nog geen duurzame relatie, nu de contracten dateerden van nog maar van drie jaar geleden. Bovendien gaat het slechts om drie klanten. Een dergelijk aantal kan naar de mening van [gedaagde 1] c.s. niet als substantieel worden aangemerkt.

3.7.

Voor zover de rechtbank al zou oordelen dat in weerwil van het verweer van [gedaagde 1] c.s. sprake is van onrechtmatige concurrentie, hebben [gedaagde 1] c.s. aangevoerd dat [persoon A] [gedaagde 3] toestemming heeft verleend voor het (on)middellijk werken in opdracht en ten behoeve van de voormalige klanten van Royaume. In dat verband hebben [gedaagde 1] c.s. verwezen naar de door hen overgelegde WhatsApp correspondentie gevoerd tussen [persoon A] en [gedaagde 3] .

3.8.

[gedaagde 1] c..s betwisten tevens dat [gedaagde 3] tijdens het dienstverband met Royaume ronselactiviteiten heeft verricht en daarbij gebruik heeft gemaakt van contacten, informatie en gegevens, inclusief een auto en tankpas van Royaume. Op het moment dat [persoon B] hem benaderde, was [gedaagde 3] al lang uit dienst bij Royaume. Hij is immers op 31 januari 2019 uit dienst getreden en uit de schriftelijke verklaring van [persoon B] blijkt dat de contracten met de drie McDonald’s franchises in oktober 2019 zijn afgesloten, terwijl [gedaagde 5] pas op 13 september 2019 is opgericht.

3.9.

[gedaagde 1] c.s. betwisten tevens dat zij ex werknemers van Royaume hebben bewogen om het dienstverband met Royaume te beëindigen en/of hen actief hebben benaderd met een aanbod om voor [gedaagde 1] c.s. onder gunstigere omstandigheden te komen werken. In 2019 zijn 31 van de 33 werknemers van Royaume uit dienst getreden. Daarvan zijn zeven werknemers min of meer aansluitend bij [gedaagde 2] of [gedaagde 5] in dienst getreden. Van die zeven werknemers hebben twee werknemers het dienstverband zelf opgezegd en van de andere vijf is het dienstverband op initiatief van Royaume beëindigd. Een van de twee werknemers die zelf de arbeidsovereenkomst met Royaume heeft opgezegd is [persoon C] . Hij heeft [gedaagde 3] zelf benaderd met de vraag of hij bij hem in dienst kon treden en hij verdient thans minder dan bij Royaume. [gedaagde 1] c.s. hebben in dit verband verwezen naar de door hen overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon C] (productie 17 bij antwoord). De andere werknemer is [persoon D] . Ook voor hem geldt dat hij zelf [gedaagde 3] heeft benaderd om bij hem in dienst te treden en dat hij thans een lager salaris ontvangt dan bij Royaume. [gedaagde 1] c.s. hebben in dat verband verwezen naar de door hen overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon D] (productie 18 bij antwoord).

3.10.

[gedaagde 1] c.s. hebben tevens aangevoerd dat Royaume niet concreet heeft onderbouwd dat de door haar gestelde onrechtmatige gedraging aan [gedaagde 1] c.s. toegerekend moet worden. Bovendien betwisten [gedaagde 1] c.s het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige gedraging en het verlies aan personeel en het omzetverlies. [gedaagde 1] c.s. hebben voorts vraagtekens geplaatst bij de door Royaume overgelegde boekhoudkundige gegevens. In dat verband hebben [gedaagde 1] c.s. gesteld het opmerkelijk te vinden dat die gegevens zijn geproduceerd door een ander kantoor dan het vaste boekhoudkantoor waarmee Royaume steeds werkt.

3.11.

[gedaagde 1] c.s. hebben tevens de subsidiaire grondslag van de vordering gemotiveerd betwist, waarbij zij onder meer hebben gesteld dat niet voldaan is aan de vereisten voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking, te weten dat er sprake moet zijn van de verrijking van de ene partij, dat de andere partij verarmd is en dat tussen verrijking en de verarming voldoende causaal verband bestaat en dat bovendien de verrijking ongerechtvaardigd moet zijn. In dit geval ontbreekt in ieder geval het causaal verband, aangezien uit de verklaring van [persoon B] blijkt dat de opzegging van de Overeenkomsten met de drie McDonald’s franchises niet een gevolg is van de gestelde onrechtmatige gedraging van [gedaagde 1] c.s., maar een gevolg is van het feit dat [persoon B] niet meer tevreden was over de kwaliteit van het door Royaume geleverde schoonmaakwerk.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Beide partijen zijn het erover eens dat bij gebreke van de gelding van een zogenaamd non - concurrentiebeding tussen Royaume aan ene kant en [gedaagde 3] aan de andere kant aan de hand van de zogenaamde Boogaard/Vesta criteria (Hoge Raad
9 december 1955, NJ 1956, 157) moet worden beoordeeld of [gedaagde 3] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen jegens Royaume.


In genoemde uitspraak van de Hoge Raad waarbij een ex-werknemer van een verzekeringsmaatschappij uitspannen van verzekeringsposten werd verweten, zijn als relevante omstandigheden genoemd:
“dat Boogaard, na vroeger in dienst van Vesta en tegen beloning te haren behoeve verzekeringsposten te hebben afgesloten, welke in beginsel bestemd waren een duurzaam karakter te hebben, na gebruikmaking van de kennis en gegevens, die hij in dienst van Vesta omtrent de bij haar verzekerde posten en personen heeft verkregen, zich erop toelegt verzekerden van Vesta, te haren nadele, over te halen de lopende verzekeringen op te zeggen en zich elders te verzekeren”.

In de literatuur en latere jurisprudentie is deze uitspraak aldus opgevat dat - wil onrechtmatig concurreren door de ex-werknemer aan de orde zijn - derhalve sprake moet zijn van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de gewezen werkgever met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen door de aldus handelende ex-werknemer.

4.2.

Dat [gedaagde 3] zich hieraan schuldig heeft gemaakt is gemotiveerd door hem en door [gedaagde 1] c.s. weersproken en op basis van hetgeen partijen tot dusverre hebben gesteld staat een en ander niet vast. Derhalve dient in rechte bewijslevering plaats te vinden. De bewijslast rust, mede gezien het bepaalde in artikel 150 Rv op Royaume. Zij heeft uitdrukkelijk bewijs van haar stellingen aangeboden en de rechtbank zal haar tot het aangeboden bewijs toelaten.

4.3.

De rechtbank deelt niet het standpunt van [gedaagde 1] c.s. dat Royaume niet aan haar stelplicht heeft voldaan en dat om die reden geen aanleiding bestaat haar tot het aangeboden bewijs toe te laten. Immers, Royaume heeft gesteld dat zij een groot deel van haar omzet heeft verloren doordat zij door toedoen van [gedaagde 3] drie belangrijke klanten heeft verloren en dat sprake is van bijkomende omstandigheden in die zin dat [gedaagde 3] tijdens zijn dienstverband bij Royaume een en ander heeft voorbereid door gebruik te maken van de kennis (als dat dan niet ging over de prijsstelling van Royaume, dan kennelijk over bepaalde specifieke kwaliteitswensen die haar klanten hadden, maar in ieder geval in strijd met het geheimhoudingsbeding van [gedaagde 3] in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst), vertrouwelijke informatie en gelegenheid die hij vanuit zijn werk voor Royaume had. Wanneer die stellingen van Royaume komen vast te staan, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een stelselmatige en substantiële afbraak van het duurzame bedrijfsdebiet van Royaume. Dat de Overeenkomsten met de McDonald’s franchises nog maar drie jaar liepen en het “slechts” gaat om drie contracten, zoals [gedaagde 1] c.s. hebben benadrukt, kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Immers, duidelijk is dat die drie overeenkomsten een substantiële omzet per maand genereerden.

4.4.

Ook deelt de rechtbank het standpunt van [gedaagde 1] c.s. niet dat uit de door hen overgelegde WhatsApp correspondentie blijkt dat [persoon A] hen toestemming heeft gegeven om de drie Overeenkomsten met de McDonald’s franchises over te nemen. Bedoelde WhatsApp correspondentie heeft immers betrekking op de McDonald’s franchises Goes, Middelbrug en Terneuzen en Royaume heeft onweersproken gesteld dat die vestigingen voor haar minder rendabel waren door de ongunstige ligging en de daarmee verband houdende hoge reiskosten voor het personeel. Dat gold echter niet voor de drie McDonld’s franchise in Brabant, waar het in casu om gaat.

4.5.

Hetgeen [gedaagde 1] c.s. hebben gesteld ten aanzien van de cijfermatige onderbouwing van de door Royaume gestelde schade behoeft in het kader van de onderhavige procedure geen verdere beoordeling, nu Royaume ervoor gekozen heeft niet de door haar in randnummer 17 van de dagvaarding gestelde schade ten bedrage van € 918.000,- te vorderen, maar “enkel” een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en zij gehouden zijn tot vergoeding van de geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.6.

Royaume heeft in de dagvaarding onder randnummer 28 te kennen gegeven dat zij wenst dat [gedaagde 1] c.s. opgedragen wordt om op basis van artikel 162 Rv boeken, bescheiden en schriften open te leggen die betrekking hebben op de overname van personeel en klanten van Royaume, meer in het bijzonder de gevoerde correspondentie en de gesloten overeenkomsten in de tweede helft van 2019.

De rechtbank stelt voorop dat Royaume op dit punt in het petitum van de dagvaarding geen concrete vordering heeft geformuleerd. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om [gedaagde 1] c.s. op te dragen gevolg te geven aan het verzoek van Royaume. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de bewijslast van de gestelde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] c.s. op Royaume rust, dat de openlegging van de boeken wel heel erg ruim en algemeen geformuleerd is, waardoor het beeld van een fishing expedition zich opdringt en ten slotte dat [gedaagde 1] c.s. al gedeeltelijk voldaan hebben aan de openlegging, nu zij bij antwoord de overeenkomsten in het geding hebben gebracht die zij met de drie McDonald’s franchises hebben afgesloten.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist zal de rechtbank Royaume tot het aangeboden bewijs toelaten. Tijdens de mondelinge behandeling is al gesproken over de mogelijkheid om de enquête aan de zijde van Royaume en de eventuele contra-enquête aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. zoveel mogelijk te combineren. Zo partijen daar prijs op stellen, ook al om de verdere kosten zoveel mogelijk te beperken, gaat de rechtbank ervan uit dat de advocaten van beide partijen daarover in overleg treden met elkaar en op de hierna te noemen rolzitting de rechtbank informeren over de uitkomsten van dat overleg zodat de rechtbank met het plannen van het getuigenverhoor daarmee rekening kan houden.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat Royaume toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat [gedaagde 3] althans [gedaagde 1] c.s. zich schuldig heeft c.q. hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen, dat geleid heeft tot een stelselmatige en substantiële afbraak van het bedrijfsdebiet van Royaume;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 10 februari 2021 voor uitlating door Royaume of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.3.

bepaalt dat Royaume, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren, maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat Royaume, indien zij getuigen wenst voor te brengen, zij in die akte opgave moet doen van de naam en woonplaats van de door haar voor te brengen getuigen alsook van de verhinderdata van beide partijen voor de dan komende drie maanden, waarbij zij de rechtbank ook dient te informeren over de uitkomsten van het overleg zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.7. bedoeld;

5.5.

bepaalt tevens dat partijen te zijner tijd zelf hebben zorg te dragen voor behoorlijke oproeping van de te horen getuigen, waarbij geldt dat de getuigenverhoren gehouden zullen worden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam;

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.

1404