Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10484

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2021
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
C/10/525611 / HA ZA 17-407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Langlopende letselschadezaak tegen verzekeraar en eigenaar paard, mogelijk tekortschietende verzekeringsdekking. Verlies aan verdienvermogen. Eindvonnis na tussenvonnis na deskundigenbericht met het oog op het nader vaststellen van de schade (ECLI:NL:RBROT:2018:7779).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Vonnis van 22 september 2021

in de zaak met

zaaknummer / rolnummer: C/10/525611 / HA ZA 17-407

van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

en

in de zaak met

zaaknummer / rolnummer: C/10/497374 / HA ZA 16-268

van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] , Allianz en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 september 2018 (in elk van beide zaken) alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het deskundigenbericht van [naam 1] d.d. 26 maart 2019;

  • -

    het deskundigenbericht van [naam 2] d.d. 12 maart 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [naam eiser] ;

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Allianz, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. De enkelvoudige kamer heeft de zaak naar deze meervoudige kamer verwezen. Geen van partijen heeft in dit stadium verzocht om een mondelinge behandeling.

1.3.

Hoewel de zaken eerder zijn gesplitst ziet de rechtbank aanleiding om in beide zaken tezamen dit vonnis te wijzen.

2. De verdere beoordeling

In beide zaken

2.1.

Het betreft hier een langlopende letselschadezaak. [naam eiser] spreekt zowel [naam gedaagde] aan (de zaak met rolnr. 16-268) als (de zaak met rolnr. 17-407) Allianz als haar aansprakelijkheidsverzekeraar. De strekking van de vordering is vergoeding van schade wegens, kort gezegd, een incident op 2 februari 2001 met het paard van [naam gedaagde] waarbij [naam eiser] letsel heeft opgelopen. Bij het vonnis van 6 december 2017 (hierna: het tussenvonnis van 2017) is een aantal beslissingen genomen.

2.2.1

In de dagvaarding heeft [naam eiser] , na een beschrijving van het lastige schaderegelingsproces, medegedeeld dat over de kleinere materiële schadeposten alsmede de immateriële schade tussen partijen algehele overeenstemming is bereikt, en dat deze procedure louter ziet op het verlies aan verdienvermogen alsmede de buitengerechtelijke kosten. Blijkens het verdere debat bestaat daarover tussen partijen ook geen onenigheid.

2.2.2

In het tussenvonnis van 2017 is, voor zover nu van belang, het verweer aangaande de injectie verworpen en overwogen dat de overige eigen schuld-verweren nog beslissing behoeven, waarbij de feitelijke stellingen die ten grondslag liggen aan het verweer ten aanzien van de schadebeperkingsplicht aan de arbeidskundige moet worden voorgelegd; overwogen is ook dat later op het beroep op matiging zal worden beslist. Voorts is overwogen dat het noodzakelijk is dat een verzekeringsarts en een arbeidskundige worden ingeschakeld. Daarom zijn, bij het tussenvonnis van 26 september 2018 (hierna: het tussenvonnis van 2018), [naam 1] als verzekeringsarts (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als arbeidskundige tot deskundigen benoemd.

Aangekondigd is dat de rechtbank vervolgens zal beslissen over de consequenties die aan de deskundigenberichten kunnen worden verbonden en nader zal ingaan op de schade, de rente en de buitengerechtelijke kosten, met inachtneming van hetgeen partijen op die punten in hun aktes hebben gesteld.

2.3.

De rechtbank blijft bij de beslissingen in de tussenvonnissen. Voor zover partijen menen dat de rechtbank daarop terug zou moeten komen hebben zij daarvoor onvoldoende redenen aangevoerd.

2.4.

Aan [naam 1] zijn de volgende vragen voorgelegd:

1. Wilt u aan de hand van het rapport van 6 februari 2012 van [naam 3] de functionele beperkingen van [naam eiser] omschrijven en de belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van arbeidsdeskundig onderzoek? Daarbij kunt u eigen onderzoek naar de huidige gezondheidstoestand van [naam eiser] doen, doch het is niet de bedoeling dat het rapport van [naam 3] terzijde wordt gelegd dan wel vervangen door uw eigen diagnose. Wel staat het u vrij om, als u dat noodzakelijk acht, een orthopeed te raadplegen en zijn/haar advies in uw rapport te verwerken. (zie 2.4)

2. Had het thans bestaande beeld zich ook voorgedaan als [naam eiser] , conform het advies, na het ongeval gebruik had gemaakt van een wandelstok? Zo nee, welke beperkingen zouden dan anders zijn geweest?

3. Hoe past de omstandigheid dat [naam eiser] tussen november 2001 en oktober 2005 heeft

gewerkt in het beeld van de beperkingen? Zijn de blijvende beperkingen door

die werkzaamheden toegenomen?

4. In hoeverre is er sprake van nieuwe beperkingen in de zin van beperkingen die eerst na het rapport van [naam 3] zijn opgekomen? Kunt u die, in relatie tot het ongeval, nader toelichten?

5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

2.4.1.

De deskundige [naam 1] heeft de vragen, voor zover thans van belang, als volgt beantwoord.

2.4.2.

Ten aanzien van het antwoord op vraag 1 luidt het rapport van [naam 1] , voor zover van belang, als volgt:

“(…) Eindconclusie: gezondheidsproblematiek op basis van eigen onderzoek en informatie

behandelend sector/ expertises/ AOV luidt dat betrokkene in februari 2001 tijdens zijn

werkzaamheden letsel aan de rechte knie heeft opgelopen. Hierbij mediaal meniscus-

letsel, voorste kruisband letsel en partieel letsel laterale collaterale band. Betrokkene

ondergaat diverse operatieve behandelingen, waaronder een voorste kruisband reconstructie, verwijdering neurinoom + schroef, een valgiserende proximale tibiakop-osteotomie en een fixatie pseudo-arthrose fibula. Tevens diverse revalidatie behandelingen

alsook pijnbestrijding. Betrokkene houdt klachten van zijn knie. (…)

Bij expertise door [naam 3] , chirurg-traumatoloog, n.p. stelt de experteur dat er sprake is van status na valgiserend knietrauma rechts, met als gevolg een laterale collaterale bandlaesie, een voorste kruisbandlaesie en een mediale meniscus achterboom laesie, waarvoor een voorste kruisband reconstructie en een valgiserende tibiakop-osteotomie werden verricht. De gevolgen van het trauma zijn in lijn met de gegevens behandelend sector.

Vanaf 2007 klachten mogelijk als gevolg van CRPS-1.

Bij expertise in 2012 door [naam 3] , chirurg-traumatoloog, n.p.

stelt de expertise-arts dat er sprake is van een lichte vorm van CRPS-1 onder Lyrica. In

mei 2014 wordt deze diagnose door prof. Zuurmond definitief vastgesteld en vindt er

een gerichte behandeling plaats.

(…)

Betrokkene vertelt dat hij een klein jaar na het ongeval weer is gaan hervatten en uiteindelijk dit nog enkele jaren (met hulp brace en pijnstilling) heeft kunnen doen. Na zijn

melding arbeidsongeschiktheid heeft hij nog beperkt gewerkt inzake kleine huisdieren;

na de dissociatie helemaal niet meer. Thans is hij overdag actief met huishoudelijke

taken, met lezen, computeren, honden uitlaten, kinderen naar hun sport brengen; ’s

zomers zeilen. Betrokkene acht zich ongeschikt voor zijn oorspronkelijke beroep, zijnde

dierenarts landbouwdieren.

Uit de gegevens behandelend sector komt naar voren dat betrokkene voorafgaand aan het ongeval meerdere keren bij de huisarts was geweest vanwege lage rugklachten.

Circa een halfjaar voor het ongeval wordt bij röntgen-onderzoek midlumbaal een forse

spondylosis vastgesteld, met op meerdere niveaus discopathie, met name L2-3.

Betrokkene heeft na het ongeval een perioden meer lage rugklachten. Expertise-arts dr.

[naam 3] duidt dit als gevolg van de veranderde houding/ bewegingen door

de knieproblematiek.(…)

[naam 3] geeft geen beperkingen welke specifiek wijzen naar rugproblematiek; (…)

Betrokkene geeft thans geen rugklachten aan. Betrokkene geeft tevens aan zich door zijn rug niet beperkt te voelen ten aanzien van zijn oorspronkelijke beroepsuitoefening.

(…)

Verzekeringsgeneeskundige weging
De vraag die onder verzekeringsgeneeskundige weging beantwoord moet worden is in

hoeverre er sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening (gerelateerd aan het

ongeval) welke aanleiding geeft tot een verminderde belastbaarheid.

Op grond van gegevens behandelend sector en expertise-arts is er sprake van een rest-

beeld na variserend trauma rechter knie, waarbij destijds een mediaal meniscusletsel,

voorste kruisband letsel en partieel letsel laterale collaterale band. Nadien meerdere

malen chirurgische interventies aan de rechter knie. Bij de laatste interventie in 2010

worden al tekenen van gonarthrosis vastgesteld.

In 2014 wordt CRPS-1 door de behandelend sector vastgesteld; [naam 3]

heeft het in zijn expertise ook al over een milde vorm van CRPS-1.

Thans heeft betrokkene vergelijkbare klachten en bevindingen aan knie en been als ook

staat beschreven in de rapportage van [naam 3] . Dit leidt ertoe dat

gesteld kan worden dat de diagnose die [naam 3] destijds heeft gesteld

voor wat betreft knie en been nog altijd actueel is.

De aandoeningen aan knie en been die [naam 3] heeft vastgesteld (en nog steeds actueel zijn) zijn te duiden als objectiveerbare gezondheidsproblematiek welke volledig gerelateerd kan worden aan het ongeval (zie de overwegingen van [naam 3] pag. 16).

Hiermee is consistentie in het klachtenbeeld aangetoond.

Betrokkene geeft aan dat hij hinder ondervindt bij lopen, staan, hurken, knielen, trap-

lopen en zitten.

Uit het onderzoek van ondergetekende en [naam 3] blijkt dat betrokkene het

rechter been niet volledig kan strekken. Dit verklaart (naast de aangegeven pijn) het antalgisch (= niet symmetrisch) looppatroon. Op grond van de knie-aandoening als ook de

aanwezige CRPS-1 problematiek is het aannemelijk dat betrokkene hinder heeft ten aan-

zien van lopen.

Bij het staan valt op betrokkene scheef staat; het zwaartepunt staat boven het linker

been; daarnaast staat het rechter been in licht gebogen stand. Op grond van de knieaandoening als ook de aanwezige CRPS-1 problematiek is het aannemelijk dat betrokkene hinder heeft ten aanzien van staan.

(…)

Nu gesteld kan worden dat de klachten en dientengevolge hinder plausibel zijn heeft dit

alles gevolgen voor zijn belastbaarheid; deze is namelijk als gevolg van de aanwezige

gezondheidsproblematiek verminderd.

De aard en mate van verminderde belastbaarheid staat vermeld onder Belastbaarheid .

6. Belastbaarheid

(…) E.e.a. maakt dat er geen volledige afwezigheid van belastbaarheid is. Er zijn wel beperkingen.

Als gevolg van de vastgestelde gezondheidsproblematiek is betrokkene beperkt ten aan-

zien van lopen, staan, traplopen, hurken, knielen en zitten.

Ten aanzien van lopen is het aannemelijk dat betrokkene circa 15-20 minuten aaneen

kan lopen; af en toe langer tot een half uur. Betrokkene kan niet de hele dag op de been

zijn; het lopen over de dag is beperkt tot circa 2 tot 3 uur, niet aaneengesloten, maar

afwisselen met staan en vooral zitten.

Ten aanzien van staan is het aannemelijk dat betrokkene circa een half uur aaneen kan

staan. Betrokkene kan niet de hele dag op de been zijn; het staan over de dag is beperkt tot circa 4 uur, niet aaneengesloten, maar afwisselen met lopen en vooral zitten.

Hurken en knielen is met beide knieën nauwelijks mogelijk. Betrokkene kan wel grondbereik

halen middels de schutterspositie. Betrokkene kan ook grondbereik halen door op

een krukje te gaan zitten.

Ten aanzien van zitten geldt dat betrokkene niet een hele dag aaneen kan zitten; hij moet

zich af en toe even kunnen vertreden. Bij het zitten ook de mogelijkheid hebben om af

en toe het been vooruit te doen. E.e.a. heeft ook invloed op het autorijden; betrokkene

kan als chauffeur geen langdurige autoritten maken vanwege het hierbij voortdurend

actief moeten gasgeven.

Traplopen is beperkt; betrokkene kan 1 of 2 verdiepingen overbruggen, maar niet veelvuldig op een dag. Ladder klimmen cq klauteren is sterk beperkt

Uitgaande van de knieproblematiek is het aannemelijk dat bij tillen, waarbij door de

knieën wordt gegaan, er een grens zit aan het te tillen gewicht.

Bij dragen is impliciet opgesloten dat hierbij gelopen wordt. Betrokkene loopt sowieso

al moeilijk (antalgisch) wat maakt dat lopen met een bepaald gewicht in de handen (=

dragen) qua massa en/ of gewicht beperkt is.

Bij duwen en/ of trekken, zeker als men zichzelf en het voorwerp daarbij verplaatst,

komt het aan op o.a. knieën en benen. Betrokkene heeft een knie-probleem, een beenprobleem en een verzwakte quadriceps (een spier die nodig is om de knie te strekken).

Dit maakt het aannemelijk dat betrokkene ook een beperking heeft op duwen/ trekken.

Nu betrokkene een beperking heeft op hurken en knielen is het evident dat dit leidt tot

een beperking op kruipen.

Er zijn ook preventieve beperkingen op te leggen, dat wil zeggen beperkingen op te

leggen waar betrokkene weliswaar zelf geen melding van maakt maar er wel zijn gelet

op de aard van de gezondheidsproblematiek.

Op grond van de richtlijn HERZIENING COMPLEX REGIONAAL PIJN SYNDROOM TYPE 1,, november 2014 is het aannemelijk om blootstelling aan koude en/ of hitte van het

aangedane lichaamsdeel te mijden. Dit geldt ook voor vibratiebelasting.

Als gevolg van de allodynie is strak zittende kleding om het rechter been ongewenst.

Als gevolg van de CRPS-1 problematiek dient betrokkene de kans verdere traumata aan

het rechter been zo klein mogelijk te houden, dat wil zeggen geen grotere kans op letsel

dan voorkomt in de doorsnee thuissituatie.

T.a.v. het vaststellen van een verminderde arbeidsduur is gebruik gemaakt van het verzekeringsgeneeskundig protocol ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’. (…)

Bij verzekerde is er geen sprake van een beschikbaarheidsprobleem, evenmin van een

aandoening waarbij de energetische belastbaarheid beduidend in het geding was/ nog

steeds is. Er is bij inachtneming van de gegeven beperkingen geen aanleiding om overbelasting aan te nemen. Dit maakt dat er geen indicatie is voor een duurbeperking.

Conclusie t.a.v. de belastbaarheid luidt dat er sprake was en is van een verminderde

belastbaarheid. E.e.a. is verder aangegeven in de bijgevoegde FML.”

2.4.3.

De andere vragen heeft hij als volgt beantwoord:

“Vraag 2 .

(…)

Antwoord

Neen, m.i. had zich dit niet voorgedaan. Het valt op dat (bij bestudering van de informatie van de behandelaars) geen der medisch specialistische behandelaars het advies

geeft om een stok te gaan gebruiken. Ook [naam 3] geeft dit advies niet,

evenmin de orthopedisch chirurg [naam 6].

Zoeken in de literatuur levert geen wetenschappelijk bewijs dat gebruik van een stok (in

de Engelse literatuur cane) tot verandering in de objectieve afwijking leidt.

Vraag 3 (…)

Antwoord

Betrokkene heeft in deze periode gewerkt met gebruikmaking van een brace. Betrokkene laat deze ook zien en deze imponeert als veelvuldig gebruikt. Betrokkene heeft

gedurende enkele jaren zijn oude vak zo goed en zo kwaad als het ging getracht uit te

oefenen. September 2005 schrijft de revalidatie-arts dat betrokkene een verminderde

belastbaarheid heeft en dat hij zijn belasting hierop moet afstemmen. Er zijn dan nog

geen tekenen van arthrose. Dit wordt eerst 5 jaar later vastgesteld. Aanleiding lijkt hier-

bij de asymmetrische belasting als gevolg van de afwijkende stand welke in 2010 noopt

tot de valgiserende tibiakop osteotomie. Het is derhalve niet aannemelijk dat de werkzaamheden die hij in de periode 20110- 2005 heeft verricht aanleiding hebben gegeven

voor de blijvende beperkingen die hij thans heeft.

Vraag 4

(…)


Antwoord

Er zijn geen nieuwe beperkingen in de zin van beperkingen die eerst na het rapport van

[naam 3] zijn opgekomen. De beperkingen die door mij nu extra zijn gegeven ten opzichte van het rapport van [naam 3] bestonden toen ook al. Het

betreft hier vooral de preventieve beperkingen, die [naam 3] ook had kunnen maken. De NOV lijst is overigens ook beperkter dan de FML. Tenslotte is vaststellen

van belastbaarheid (FML) ook meer het terrein van de verzekeringsarts.”

2.4.4.

De deskundige heeft naar aanleiding van vraag 5 geen opmerkingen gemaakt. Bij het rapport is een ingevulde FML gevoegd, waarin [naam 1] meer in detail de beperkingen van [naam eiser] heeft aangegeven.

2.5.

Aan de arbeidskundige [naam 2] zijn de volgende vragen voorgelegd:

1. Wilt u een uitgebreide beschrijving geven van de functie van [naam eiser] als dierenarts in de tot 2007 bestaande maatschap en daarbij tevens de aard van zijn taken en verantwoordelijkheden alsmede het niveau van de werkzaamheden beschrijven?

2. Kunt u een toelichting geven op de fysieke en mentale belasting in dit werk? Wilt u deze belasting zo veel mogelijk kwantificeren in o.a. termen van frequentie, duur, intensiteit en dagbelasting?

3. Kunt u - uitgaande van uw taak-/functieanalyse en het beperkingenprofiel/FML zoals dat door de verzekeringsgeneeskundige [naam 1] is opgesteld - vaststellen in hoeverre [naam eiser] (on)geschikt was dan wel is voor het verrichten van deze werkzaamheden? Wilt u daarbij in aanmerking nemen dat [naam eiser] tussen november 2001 en oktober 2005 is doorgegaan met deze werkzaamheden?

4. Voor het geval [naam eiser] niet of verminderd in staat is zijn functie uit te oefenen, kunt u dan aangeven of hij in staat moe(s)t worden geacht andere werkzaamheden te verrichten die, gelet op opleiding, ervaring en ambitie van [naam eiser] , als passend zijn aan te merken? Kunt u daarbij in het bijzonder de mogelijkheid van het opzetten van een praktijk voor de behandeling van kleine huisdieren die zich in 2005 voordeed betrekken?

Wilt u deze werkzaamheden c.q. functies benoemen alsook het netto inkomen dat met die werkzaamheden c.q. functies is te genereren?

5. Diende [naam eiser] om in aanmerking te komen voor deze alternatieve functie(s) nog een opleiding te volgen? Zo ja, welke, tegen welke kosten en gedurende welke periode?

Zou bij de verwerving van een alternatieve functie de ondersteuning van een re-integratiedeskundige (nu dan wel begin 2013) verschil hebben gemaakt?

6. Zijn er feiten en/of omstandigheden die u voor de beoordeling van de onderhavige kwestie van belang acht en die u onder de aandacht van de rechtbank wilt brengen?

2.5.1.

[naam 2] heeft voor zover van belang in zijn rapport voor de antwoorden op vraag 1 en 2 verwezen naar paragraaf 2.5 van het rapport, waarin een zeer uitvoerige beschrijving is opgenomen van de werkzaamheden van [naam eiser] in de jaren 2001-2005, toen hij als dierenarts in een gemengde praktijk werkzaam was. Hij werkte 36 uur per week en besteedde 80-85% van de tijd aan werk als veearts (grote dieren/landbouwdieren) en 10-15% aan gezelschapsdieren. Verder besteedde hij tijd aan ondernemerstaken, reizen en educatie. Mede in aanmerking nemend de beschikbaarheids- en avond- en nachtdiensten bedroeg zijn werkweek per saldo 50-55 uur.

Met het oog op de beantwoording van vraag 4 heeft [naam 2] uitgebreid onderzoek gedaan, onder meer naar de details van de door hem genoemde functies.

2.5.2.

De overige vragen heeft hij als volgt beantwoord:

“Vraag 3

(….)

Antwoord

Ik acht betrokkene volledig arbeidsongeschikt voor het werk als dierenarts met specialisatie landbouwdieren in combinatie met een gering deel dierenarts gezelschapsdieren. Deze conclusie geldt voor de historische situatie zoals ik heb onderbouwd in paragraaf 4.2.

Vraag 4

(…)

Antwoord

Ik acht betrokkene geschikt voor de volgende functies:

■ dierenarts gezelschapsdieren in loondienst;

■ senior beleidsmedewerker;

■ diverse salesfuncties.

(…)

Vraag 5 (…)


Antwoord

De door mij genoemde passende functies staan zonder meer voor betrokkene open. Hij had hiervoor geen opleidingen hoeven volgen.”

2.5.3.

Naar aanleiding van vraag 6 heeft [naam 2] geen opmerkingen gemaakt.

Bruikbaarheid deskundigenberichten

2.6.

Wat de totstandkoming betreft voldoen de deskundigenberichten aan de daaraan te stellen eisen. De deskundigheid van de deskundigen staat niet ter discussie. De deskundigen hebben zowel eigen onderzoek gedaan als uitgebreid kennisgenomen van de dossiers. Zij hebben partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken naar aanleiding van het concept en ook weergegeven in hoeverre zij deze opmerkingen hebben verwerkt.

2.7.

De rechtbank acht de deskundigenberichten wat de inhoud betreft goed opgebouwd, solide beargumenteerd en consistent. De vragen zijn beantwoord en de conclusies zijn logisch en overtuigend. In beginsel zijn deze berichten dus een goede basis voor de door de rechtbank te nemen beslissingen. Daarbij geldt dat de rechtbank haar beslissing om de zienswijze van de deskundigen te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door de deskundigen gebezigde motivering haar overtuigend voorkomt. Wel verdienen specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundigen bespreking, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).

2.8.

[naam eiser] heeft aangevoerd dat het rapport van de chirurg [naam 3] , waarvan de rechtbank in een eerder tussenvonnis heeft beslist dat [naam 1] dit tot uitgangspunt diende te nemen, onjuist is. Hij meent dat zowel het rapport van [naam 1] als dat van [naam 2] om die reden op een ondeugdelijke basis berusten. Verder meent hij dat [naam 1] ten onrechte te weinig aandacht heeft besteed aan het medicijngebruik en dat mede daardoor ten onrechte niet als beperking is opgenomen en meegewogen dat, gelet op de medicijnen die hij gebruikte en gebruikt, zelfstandige verkeersdeelname, autorijden maar ook fietsen, niet mogelijk is.

Wat betreft de rapportage van [naam 2] kan [naam eiser] zich vinden in de beantwoording van de vragen 1 t/m 3 maar acht hij het antwoord op vraag 4 onjuist. Niet alleen is de onmogelijkheid van reizen niet meegenomen, maar [naam eiser] zou, als gevolg van het medicijngebruik, niet in staat zijn genoemde functies te vervullen en beschikt ook niet over de daarvoor vereiste ervaring, nu hij slechts curatieve ervaring als dierenarts heeft.

2.9.

Deze bezwaren leggen onvoldoende gewicht in de schaal. Dat de deskundigen zich hebben gebaseerd op de rapportage van [naam 3] berustte op een beslissing van de rechtbank en kan dus de deskundigen niet worden verweten; het tast de waarde van de berichten ook niet aan. De rechtbank acht nog steeds het rapport van [naam 3] (dat [naam eiser] eerder onderschreef) het te hanteren uitgangspunt. [naam 1] heeft, blijkens zijn rapport, onder ogen gezien dat [naam eiser] medicijnen gebruikte. Hij heeft in reactie op het commentaar van [naam eiser] , dat zag op het medicijngebruik en de invloed daarvan op de rijvaardigheid, toegelicht dat en waarom hij geen aanleiding ziet om zijn rapport aan te passen: de betrokken middelen gebruikte [naam eiser] al lange tijd en autorijden wordt slechts in de eerste periode van gebruik afgeraden.

Daarmee heeft de deskundige [naam 1] afdoende laten zien dat hij dit argument heeft gewogen. Zijn weerlegging is overtuigend, mede gelet op de omstandigheid dat [naam eiser] naar eigen zeggen weliswaar minder rijdt, maar daarmee niet geheel is gestopt. Het rapport van [naam 4] , wat daarvan verder zij, is ook niet bestreden als het gaat om de juistheid van de observatie dat [naam eiser] bij meerdere gelegenheden een auto bestuurde. Dit betekent dat ook de bezwaren van [naam eiser] tegen het antwoord van de deskundige [naam 2] , welke bezwaren ook betrekking hebben op het medicijngebruik en de mogelijkheid om (met de auto) te reizen, geen gewicht in de schaal leggen.

2.10.

Allianz heeft geen bezwaren tegen de deskundigenberichten geformuleerd die bespreking behoeven. Datzelfde geldt voor [naam gedaagde] .

2.11.

De rechtbank zal daarom de beide deskundigenberichten, met dat van [naam 3] , aan haar oordeel ten grondslag leggen.

Gevolgen voor de beslissing

2.12.

Zoals hiervoor reeds in herinnering werd geroepen ziet deze procedure slechts op de schade wegens verlies van verdienvermogen (en de buitengerechtelijke kosten, zie hierna 2.25). Die schade heeft [naam eiser] laten becijferen en deze bedroeg gekapitaliseerd per 1 januari 2015 € 1.054.706,66 (gecorrigeerd bij dagvaarding met ca. € 13.400,- (punt 59)). De juistheid van de betrekkelijk gecompliceerde uitgangspunten die daarbij zijn gehanteerd is op meerdere punten bestreden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de gang van zaken rond het verlaten van de maatschap, het inkomen van zijn echtgenote die werkzaamheden heeft verricht voor de maatschap en om meer technische aannames, maar ook om de restverdiencapaciteit.

In dat verband was voorts in geschil in hoeverre de door [naam eiser] gestelde beperkingen reëel zijn en in causaal verband staan tot het ongeval. Ook twistten partijen over eigen schuld (in het bijzonder door het niet gebruiken van een stok) en het niet voldoen aan de verplichting tot schadebeperking. Op deze punten is nu meer duidelijkheid verkregen. Dat leidt tot de volgende overwegingen.

2.13.

Op basis van de deskundigenberichten staat vast dat [naam eiser] , als gevolg van het incident, blijvend letsel heeft opgelopen, dat tot schade heeft geleid en nog steeds tot schade leidt. De reeds bestaande, en tijdelijk verergerde, rugklachten spelen geen rol van betekenis. Ook het niet gebruiken van een stok is niet van belang.

De beperkingen die hij ondervindt zien met name op staan, lopen en andere bewegingen van het been, maar ook op zitten. Als gevolg van die beperkingen was en is hij niet in staat zijn oude vak, veearts/dierenarts voor boerderijdieren, nog uit te oefenen. Dat betekent, dat schade in de zin van verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval in beginsel aannemelijk is.

2.14.

Daartegenover staat echter dat uit diezelfde rapporten een aanzienlijke restverdiencapaciteit blijkt. De rechtbank is, op basis van de rapporten, van oordeel dat [naam eiser] zijn restverdiencapaciteit met name had kunnen aanwenden door het (blijven) werken als dierenarts voor gezelschapsdieren/kleine huisdieren, in loondienst. Zijn beperkingen als gevolg van het ongeval stonden daaraan niet in de weg. Hij heeft na het ongeval nog enige tijd dergelijke werkzaamheden verricht, wat er ook zij van zijn betwisting van de omvang daarvan. Zijn opleiding laat het uitoefenen van een dergelijke praktijk toe (al was zijn specialisatie paard) en voordat hij maat werd bij de praktijk Het Liesvelt heeft hij dergelijke werkzaamheden ook verricht. Daargelaten dat de rechtbank de visie van [naam eiser] op zijn medicijngebruik niet overneemt, zelfs als dat anders was zou hij als dierenarts voor kleine huisdieren in loondienst niet of nauwelijks hoeven rijden. Ondernemersactiviteiten behoeft hij dan ook niet uit te voeren en in beginsel evenmin werkzaamheden buiten kantooruren. Niet aannemelijk is dat de pijnmedicatie zijn mentaal functioneren zozeer beïnvloedt dat dat bezwaarlijk zou zijn.

Uiteraard staat het [naam eiser] vrij om er, om hem moverende redenen, voor te kiezen die werkzaamheden niet uit te oefenen, maar dat heeft tot consequentie dat hij de inkomensschade die daaruit voortvloeit ook niet als ongevalsgevolg op Allianz kan verhalen. Het gaat hier niet om een werkloosheidsrisico, want er bestonden volgens [naam 2] mogelijkheden om dergelijke werkzaamheden te verrichten, in loondienst. Uit het overgelegde dossier van [naam 5] en het arbeidskundig rapport blijkt voorts, dat [naam 5] al in een relatief vroeg stadium bereid en in staat was een dergelijke stap te begeleiden en te faciliteren. Dat [naam eiser] zijn AOV-uitkering van [naam 5] in gevaar zou hebben gebracht door als dierenarts kleine huisdieren te gaan werken is niet gebleken en evenmin aannemelijk.

2.15.

Het was de bedoeling dat partijen, mede naar aanleiding van de deskundigenberichten, nadere standpunten zouden innemen aangaande de schade (bij voorkeur vergezeld van berekeningen), zodat de rechtbank in staat zou zijn daarover beslissingen te nemen. Dat hebben partijen echter niet gedaan.

Wel is, door Allianz, verzocht om een nadere zitting, waarvoor de rechtbank partijen instructies zou kunnen geven met het oog op de schadebegroting.

2.16.

De rechtbank zal dit verzoek honoreren. Er is op dit moment in cijfermatige zin te weinig te zeggen over de omvang van de schade om, bijvoorbeeld, reeds thans te kunnen beslissen dat deze in elk geval het restant van de verzekerde som overstijgt. De rechtbank verwacht van partijen dat zij, uitgaande van navolgende uitgangspunten voor de berekening, de benodigde cijfermatige gegevens aanleveren. Hoewel de rechtbank partijen niet wil verplichten tot het laten maken van een berekening door een gespecialiseerd bureau, worden dergelijke berekeningen wel op prijs gesteld (zie hierna ook 2.30). Wellicht maken die het mogelijk om ter zitting, of kort daarna, tot een definitief oordeel over de schade te komen, hetgeen in het licht van de tijd die is verstreken sinds het ongeval als zeer wenselijk moet worden beschouwd.

Uitgangspunten

2.17.

De schade wegens verlies aan verdienvermogen die in aanmerking komt voor vergoeding is, in aanmerking nemende hetgeen is overwogen onder rov. 2.14, gelijk aan het verschil tussen de inkomsten die [naam eiser] tot zijn pensionering zou hebben genoten als hij de praktijk had voortgezet en de inkomsten die hij als dierenarts kleine huisdieren tot zijn pensionering had verdiend, vermeerderd met de schadeposten die samenhangen met het beëindigen van de praktijk.

2.18.

Partijen zullen daaromtrent meer specifieke gegevens en berekeningen moeten aanleveren. De rechtbank zal hierna een aanzet geven, die moet worden beschouwd als een voorlopig oordeel.

Situatie zonder ongeval

2.19.

In de eerste plaats zal de situatie zonder ongeval nader moeten worden toegelicht. Daarover merkt de rechtbank reeds thans het volgende op.

De rechtbank ziet in hetgeen thans beschikbaar is geen aanleiding om aan te nemen dat de maatschap, als deze was voortgezet met [naam eiser] als maat, van de algemene trend in de markt zou hebben afgeweken waar het gaat om de omzet en de winst. De door [naam eiser] na de arbitrage ontvangen relatief lage vergoeding voor de goodwill is, naar [naam eiser] deugdelijk heeft onderbouwd, een gevolg van de wijziging van de in de branche gebruikelijke berekening daarvan, niet van teruggelopen winstpotentie. Anderzijds ziet de rechtbank in de door [naam eiser] aangedragen omstandigheden onvoldoende reden om aan te nemen dat de omzetten meer dan marktconform zouden zijn gestegen. Het beeld van betere jaren na een minder jaar is daartoe onvoldoende.

Dat betekent dat voor de situatie zonder ongeval tot uitgangspunt genomen moet worden dat de omzet van de maatschap zich marktconform had ontwikkeld en dat [naam eiser] het hem conform de destijds geldende afspraken toekomende deel had ontvangen.

In de situatie zonder ongeval moet voorts worden aangenomen dat de echtgenote van [naam eiser] geen rol had gespeeld in de maatschap.

Situatie met ongeval

2.20.

De rechtbank acht, op basis van de overgelegde stukken, onder meer omtrent de arbitrage tussen [naam eiser] en zijn voormalige maten, reeds thans voldoende aannemelijk geworden dat het uitstoten van [naam eiser] uit de maatschap een rechtstreeks gevolg is van het ongeval. Dat betekent dat, voor zover daaruit separaat schade is voortgevloeid, bijvoorbeeld in de vorm van een fiscale afrekening over de stakingswinst en/of consequenties van het concurrentiebeding, deze voor vergoeding in aanmerking komt. Ook als [naam eiser] als dierenarts kleine huisdieren was voortgegaan had dat niet in deze maatschap gekund.

2.21.

Voor de situatie waarmee moet worden vergeleken gaat het verder voor een deel om de werkelijke situatie, maar grotendeels niet. Vanwege de hiervoor besproken onbenutte kansen moet worden becijferd wat [naam eiser] zou hebben verdiend als dierenarts kleine huisdieren. Daartoe zijn meer concrete gegevens nodig. Onder meer zal nog in detail moeten worden bezien vanaf welk moment [naam eiser] in redelijkheid een dergelijke betrekking had kunnen verkrijgen.

2.22.

Voorts staat vast dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering die [naam eiser] bij [naam 5] had afgesloten tot het 60e levensjaar ca. € 82.000,- per jaar uitkeert. Dat betekent, dat die inkomsten, zoals tussen partijen thans niet meer ter discussie staat, als opgekomen voordeel (artikel 6:100 BW) in mindering dienen te komen op de schade. De tot aan de arbeidsongeschiktheid betaalde premie is al door Allianz aan [naam eiser] vergoed.

Vanaf het 60e levensjaar tot de pensioengerechtigde leeftijd speelt dit aspect, naar vast staat, geen rol meer, omdat de uitkeringen dan ophouden.

Rente

2.23.

Een deel van de schade wordt gevormd door de rente. Naar vaste jurisprudentie hangt de verschuldigdheid van de rente, in het bijzonder waar het aankomt op de peildatum, af van de wijze waarop de schade wordt begroot. Er zal, gelet op het voorgaande, een nieuwe schadeberekening moeten worden gemaakt. Voor de hand ligt dat daarbij een peil- en kapitalisatiedatum wordt gekozen die past bij het berekeningsmoment, bijvoorbeeld 1 november 2021. Dan kunnen de ontwikkelingen die zich inmiddels hebben voorgedaan in de berekening worden betrokken. In dit bijzondere geval, waar het ongeval inmiddels ongeveer 20 jaar geleden is en waar voor de schadebegroting de hypothetische situatie zonder ongeval wordt vergeleken met de, eveneens hypothetische, situatie dat [naam eiser] als huisarts kleine huisdieren zou hebben gewerkt, acht de rechtbank het meest passend dat de schade wordt berekend als reeds verschenen schade tot aan 1 november 2021.

Die schade moet worden begroot op het verschil in inkomsten per jaar tussen beide hypothetische situaties, doch uitsluitend voor zover dat niet reeds is goedgemaakt door de daadwerkelijk van [naam 5] ontvangen bedragen. Dat verschil is dan rentedragend vanaf 31 december van het betreffende jaar. Mocht in enig jaar sprake zijn van een surplus, omdat de uitkeringen van [naam 5] hoger waren dan [naam eiser] zou hebben verdiend zonder ongeval, dan is er geen reden om dat te verrekenen met het jaar daarop.

De toekomstige schade tot aan de pensioengerechtigde leeftijd dient dan te worden gekapitaliseerd voor de periode vanaf 1 november 2021. De daarbij in aanmerking te nemen rekenrente voor kapitalisatie wordt, gelet op de huidige economische situatie, die naar verwachting nog wel enige jaren zal duren, op 0% gesteld.

specifiek ten aanzien van Allianz ( rolnr . 17-407)

Verzekerd bedrag

2.24.

De stand van zaken in deze procedure is dat Allianz in elk geval niet meer dan het nog resterende deel van de verzekerde som verschuldigd is. Dat is, uitgaande van een oorspronkelijk verzekerd bedrag van € 453.780,22 waarvan (onder meer naar aanleiding van de gedeeltelijke schikking bij het hof) reeds € 120.000,- is betaald, € 333.780,22. Voor zover [naam eiser] blijft betwisten dat het verzekerde bedrag hoger was wordt die stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

Tot betaling van meer dan dat kan Allianz niet veroordeeld worden, met dien verstande dat partijen het erover eens zijn dat rente bovenop de verzekerde som verschuldigd is, evenals de vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten.

Buitengerechtelijke kosten

2.25.

De buitengerechtelijke kosten dienen aan de dubbele redelijkheidstoets te voldoen.

2.25.1.

Met het oog daarop heeft de rechtbank eerder beslist dat de kosten van NRL daaraan niet voldoen (tussenvonnis 2017, rov. 5.30). [naam eiser] verzoekt de rechtbank terug te komen op haar oordeel omtrent de kosten van NRL. Dat zal de rechtbank niet doen. Het was, in de situatie toen, evident dat er veel geschilpunten bestonden die voor de schadebegroting verschil zouden maken. Het toch laten maken van een NRL-rapport, zonder dat daarover overeenstemming met Allianz bestond was daarom prematuur en dus niet redelijk.

2.25.2.

Verder dient meer inzicht te worden verschaft in de opbouw van de kosten. Voor zover de kosten zien op proceskosten (zoals werkzaamheden voor het

opstellen van processtukken en griffierecht) en/of eerder vergoed zijn in het kader van de eerder gevoerde (verzoekschrift)procedures vormen zij geen schade in de zin van artikel 6:96 BW en komen zij dus als zodanig niet voor vergoeding in aanmerking. De wettelijke regeling voor de vergoeding van proceskosten is dan van toepassing. Voor zover reeds beslissingen (onder meer in de deelgeschilprocedure) zijn genomen wordt daarmee rekening gehouden.

2.25.3.

De kosten komen ook niet voor vergoeding in aanmerking voor zover deze reeds, buiten rechte, zijn vergoed. Allianz stelt dat een bedrag van € 53.679,98 aan [naam eiser] is betaald als voorschot op de buitengerechtelijke kosten en voor proceskosten. Partijen dienen zich uit te laten over de vraag of dit bedrag (nog) juist is, en in hoeverre dit zag op de in deze procedure gevorderde buitengerechtelijke kosten.

2.25.4.

Van [naam eiser] wordt voorts nadere toelichting verwacht aangaande het tweede aspect van de dubbele toets, te weten de redelijkheid van de hoogte van de opgevoerde bedragen, in het bijzonder het uurtarief en de bestede tijd. Anders dan Allianz aanvoert is de omstandigheid dat de overdracht van het dossier aan een andere belangenbehartiger kosten heeft meegebracht op zichzelf geen reden om die kosten onredelijk te achten.

specifiek ten aanzien van [naam gedaagde] (rolnr. 16-268)

2.26.

Voor het geval de uiteindelijk te vergoeden schade niet meer bedraagt dan

€ 333.780,22 (en de daarenboven te vergoeden rente en buitengerechtelijke kosten) dient Allianz het volledige bedrag te betalen. Dat vloeit voort uit haar positie als aansprakelijkheidsverzekeraar en is als zodanig ook niet in geschil. [naam gedaagde] behoeft dan niets te betalen.

Voor het geval de uiteindelijk te vergoeden schade hoger blijkt te zijn dient [naam gedaagde] het meerdere in beginsel aan [naam eiser] te betalen. Zij heeft, voor dat geval, een eigen schuld- verweer gevoerd en voorts om matiging verzocht.

2.27.

Het eigen schuld-verweer is in het tussenvonnis en in het voorgaande reeds behandeld en afgewezen, met dien verstande dat [naam gedaagde] , net als Allianz, een beroep toekomt op de schadebeperkingsplicht (en op voordeelsverrekening), doch die punten zijn al meegenomen.

2.28.

Wat het beroep op matiging betreft blijft de rechtbank bij 5.28 van het tussenvonnis van 2017. Meer kan daarover nog steeds niet worden beslist. Wel acht de rechtbank het noodzakelijk, voor het beroep op matiging, om voor de zitting te beschikken over actuele gegevens aangaande de financiële situatie aan beide zijden. Het staat zowel [naam eiser] als [naam gedaagde] vrij om terughoudend te zijn met het verstrekken van informatie, maar in dat geval kan de rechtbank daaruit opmaken dat de terughoudende partij beschikt over voldoende financiële middelen.

Slotsom - beide zaken (17-407 en 16-268)

2.29.

De rechtbank maakt de conclusies van de deskundigen tot de hare. Er is sprake van verlies aan verdienvermogen ten gevolge van het ongeval. Schade ten gevolge daarvan dient door Allianz als aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam gedaagde] te worden vergoed, tot ten hoogste het beloop van € 333.780,22 plus rente en buitengerechtelijke kosten voor zover die aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Die schade bestaat in het verschil tussen het inkomen zoals dat zonder ongeval was geweest en het inkomen zoals [naam eiser] dat als dierenarts kleine huisdieren in loondienst had genoten, gecorrigeerd met de extra schade ten gevolge van het uittreden uit de maatschap. De inkomsten uit de polis van [naam 5] worden als voordeel verrekend. Als [naam eiser] meer verhaalbare schade heeft geleden moet [naam gedaagde] die in beginsel vergoeden, tenzij haar beroep op matiging slaagt.

2.30.

Voor de daadwerkelijke schadebegroting heeft de rechtbank meer gegevens nodig. Er zal een mondelinge behandeling worden gelast voor deze meervoudige kamer.

Partijen dienen daarvoor in elk geval, rekening houden met de hiervoor gegeven oordelen, nadere gegevens aan te leveren op de volgende punten:

a-de schade ten gevolge van het uittreden uit de maatschap

b-de inkomsten die [naam eiser] had genoten als het ongeval niet gebeurd was

c-de inkomsten die [naam eiser] had genoten als dierenarts kleine huisdieren in loondienst

d-de daadwerkelijk van [naam 5] ontvangen (en nog te ontvangen) bedragen

e-de redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten

f-de actuele financiële situatie van [naam eiser]

g-de actuele financiële situatie van [naam gedaagde] .

Bij al deze gegevens (behoudens die onder e) gaat het om netto-bedragen, na afdracht van de daadwerkelijk betaalde dan wel verschuldigde belasting.

Partijen kunnen voorts, al dan niet in onderling overleg, een nader standpunt innemen over de peil-/kapitalisatiedatum.

De rechtbank stelt het op prijs als partijen samen aan een rekenkundig bureau opdracht geven om alvast, al dan niet met diverse uitgangspunten, berekeningen te maken van de reeds verschenen schade (inclusief rente) en de toekomstige schade (gekapitaliseerd). Het ligt in de rede dat in zo’n geval Allianz de kosten betaalt.

Vanzelfsprekend staat het partijen vrij om, als zij daarover geen overeenstemming kunnen bereiken, elk voor zich berekeningen te laten maken.

De nadere stukken dienen tenminste 4 weken voor de zitting aan de rechtbank en de wederpartij te worden toegezonden.

2.31.

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

In de zaken met rolnrs. 17-407 en 16-268

alvorens verder te beslissen:

3.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de meervoudige kamer in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125 op 21 december 2021 van 13:00 tot 15:00 uur

3.2.

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.3.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de afdeling privaatrecht - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek,

3.4.

gelast partijen tenminste 4 weken voor de zitting de onder 2.31 bedoelde en eventuele andere stukken toe te zenden aan de rechtbank en aan de wederpartij.

3.5

partijen mogen ter zitting in elk geval 20 minuten in eerste termijn pleiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. Th. Veling en mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.