Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10459

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
C/10/622391 / KG ZA 21-622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Facebook heeft vier berichten van eiser op zijn account verwijderd vanwege strijd met haar COVID-19 richtlijnen en beleid. Eiser vordert dat die berichten worden teruggeplaatst en dat Facebook bij oplegging van toekomstige sancties geen rekening houdt met de betreffende sancties. Vordering wordt afgewezen. Het recht van eigendom van Facebook en de omstandigheid dat de richtlijnen zijn opgesteld (na oproep van overheden en internationale gezondheidsorganisaties) ter bescherming van de volksgezondheid zijn twee legitieme redenen die een inperking van het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen. Gezien doel en strekking van het beleid, kan niet worden gezegd dat Facebook in redelijkheid niet tot deze afweging heeft kunnen komen. Bij het opstellen en het toepassen van de richtlijnen mag Facebook redelijkerwijs afgaan en vertrouwen op de expertise van de deskundigen van verschillende gezondheidsorganisaties en overheden. Voldoende aannemelijk is dat de vier berichten in strijd zijn met de richtlijnen van Facebook. Facebook kan niet worden verplicht de berichten terug te plaatsen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/622391 / KG ZA 21-622

Vonnis in kort geding van 29 oktober 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap naar buitenlands recht

FACEBOOK IRELAND LIMITED,

gevestigd te Dublin (Ierland),

gedaagde,

advocaten mr. J.P. van den Brink en mr. N.M. de Visser te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en Facebook genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 6 september en 20 september 2021;

  • -

    de producties 1 t/m 11d van [naam eiser];

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de producties 1 t/m 16 van Facebook;

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 oktober 2021;

  • -

    de 2 spreekaantekeningen van [naam eiser];

  • -

    de pleitnota van Facebook.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Facebook is een wereldwijd bekend en veelgebruikt mediaplatform, met meer dan 2,9 miljard gebruikers.

2.2.

Om gebruik te kunnen maken van de dienst van Facebook, moeten Nederlandse gebruikers akkoord gaan met de ‘Servicevoorwaarden’ van Facebook.

2.3.

In hoofdstuk 3 van de Servicevoorwaarden (‘Je toezeggingen aan Facebook en aan onze community’) is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

2. Wat je op Facebook kunt delen en doen

We willen dat mensen Facebook gebruiken om zichzelf te uiten en om inhoud te delen die zij belangrijk vinden, maar dit mag niet ten koste gaan van de veiligheid en het welzijn van anderen of van de integriteit van onze community. Daarom stem je ermee in dat je het onderstaande gedrag niet zult vertonen (noch anderen hierin helpt of ondersteunt):

1. Je mag onze Producten niet gebruiken om iets te doen of te delen:

Dat deze Voorwaarden, onze Richtlijnen voor de community en andere voorwaarden en beleidsregels die van toepassing zijn op jouw gebruik van Facebook, schendt;

(…)

Inhoud die deze bepalingen schendt, kan door ons worden verwijderd of geblokkeerd.

Als we inhoud die je hebt gedeeld verwijderen omdat je onze Richtlijnen voor de community hebt geschonden, informeren we je hierover en lichten we toe welke opties je hebt om nog een beoordeling aan te vragen, tenzij je deze Voorwaarden ernstig of herhaaldelijk hebt geschonden, (…).”

2.4.

In hoofdstuk 4 van de Servicevoorwaarden (‘Aanvullende bepalingen’) is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

2. Opschorting of beëindiging van account

We willen dat Facebook een plek is waar mensen zich welkom en veilig voelen om zich te uiten en om hun gedachten en ideeën te delen.

Als we vaststellen dat je onze Voorwaarden of Beleidsregels duidelijk, ernstig of herhaaldelijk hebt geschonden, waaronder specifiek onze Richtlijnen voor de community , kan de toegang tot je account worden opgeschort of permanent worden uitgeschakeld.

(…)

4. Geschillen

(…)

Als je een consument bent en in een lidstaat van de Europese Unie woont, zijn de wetten van die lidstaat van toepassing op alle vorderingen, redenen voor een rechtsvordering of geschillen die je tegen ons hebt, die voortvloeien uit of verband houden met deze Voorwaarden of de Facebook-producten (‘vordering’). Je kunt deze vordering aanhangig maken bij elke bevoegde rechtbank in die lidstaat die jurisdictie heeft over de vordering. In alle andere gevallen ga je ermee akkoord dat de vordering moet worden behandeld in een bevoegde rechtbank in Ierland en dat de Ierse wetgeving deze Voorwaarden en alle vorderingen beheerst, ongeacht de collisieregels.

(…)”

2.5.

Op de website van Facebook is, voor wat betreft de gevolgen van overtredingen, het volgende vermeld:

“(…)

Voor de meeste schendingen op Facebook leiden maatregelen tot de volgende beperkingen:

  • -

    One strike : Waarschuwing en geen verdere beperkingen.

  • -

    2 strikes : Beperking van één dag voor het maken van inhoud, zoals inhoud plaatsen, opmerkingen plaatsen, Facebook Live gebruiken of een pagina maken.

  • -

    3 strikes : 3-daagse beperking voor het maken van inhoud.

  • -

    4 strikes : 7-daagse beperking voor het maken van inhoud.

  • -

    5 or more strikes : 30-daagse beperking voor het maken van inhoud.

(…)

Als er maatschappelijke onrust is, kunnen we ook voor langere perioden accounts van bekende personen beperken wanneer ze voortdurend actief geweld stimuleren of aanprijzen. We bepalen de beperkingsperiode na het beoordelen van de ernst van de schending, de geschiedenis van eerdere schendingen van het account en het algehele risico voor de openbare veiligheid.

We maken soms fouten. Als we een bericht hebben verwijderd dat in feite niet in strijd was met onze richtlijnen voor de community of normen voor de community, plaatsen we het bericht terug op Facebook of Instagram. We verwijderen ook de maatregel en beperking zodat deze in de toekomst niet meer voor je meetellen.”

2.6.

Sinds januari 2020 heeft Facebook zich gecommitteerd aan de bestrijding van verspreiding van informatie over het coronavirus die onjuist is volgens internationale en landelijke organisaties, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), UNICEF, het Europees Centrum voor Ziektebestrijding en andere instellingen van de Europese Unie. Facebook heeft in dat verband haar beleidsregels en richtlijnen uitgebreid. In de ‘Richtlijnen voor de community’ (hierna: de Richtlijnen) onder het kopje ‘Updates en beschermingen voor het COVID-19-beleid’ is het volgende vermeld:

“(…)

Op grond van onze Richtlijnen voor de community verwijderen we desinformatie wanneer autoriteiten voor de volksgezondheid concluderen dat de informatie onjuist is en waarschijnlijk kan bijdragen aan dreigend geweld of fysiek letsel. Sinds COVID-19 in januari 2020 is uitgeroepen tot een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang, hebben we dit beleid toegepast op inhoud die beweringen bevat met betrekking tot COVID-19 die, in overeenstemming met de consensus van de autoriteiten voor de volksgezondheid, (a) onjuist zijn en (b) waarschijnlijk bijdragen aan dreigend fysiek letsel (voorbeelden van dreigende fysiek letsel zijn: de kans op blootstelling aan of overdracht van het virus vergroten of nadelige effecten hebben op het vermogen van het systeem van de volksgezondheid om de pandemie het hoofd te bieden). Dit beleid heeft als doel gezondheidsschade voor mensen te beperken en mensen tegelijkertijd in staat te stellen hun persoonlijke ervaringen, meningen en nieuws met betrekking tot de COVID-19-pandemie te discussiëren, te debatteren of te delen. Meer specifiek verwijderen we onjuiste informatie over:

Het bestaan of de ernst van COVID-19. De erkenning van het bestaan en het begrip van de ernst van COVID-19 zijn fundamenteel om mensen veilig te houden en bewust te houden van de gevaren van deze noodsituatie voor de volksgezondheid. We verwijderen beweringen die het bestaan van de ziekte ontkennen of die de ernst van COVID-19 ondermijnen. Dit omvat onder andere de volgende beweringen:

Beweringen die het bestaan van de COVID-19-ziekte of -pandemie ontkennen

Beweringen die de ernst van COVID-19 bagatelliseren, zoals:

Beweringen dat COVID-19 niet gevaarlijker is voor mensen dan een gewone griep of verkoudheid

Beweringen dat niemand is gestorven aan COVID-19

Beweringen dat het sterftecijfer van COVID-19 hetzelfde of lager is dan dat van seizoensgriep

Beweringen dat je meer kans maakt om te sterven aan een griepprik of griepvaccin dan aan COVID-19

Beweringen dat het aantal door COVID-19 veroorzaakte sterfgevallen veel lager is dan het officiële cijfer (vereist aanvullende informatie en/of context)

(…)

Gegarandeerde geneesmiddelen of preventiemethoden voor COVID-19: autoriteiten voor de volksgezondheid zoals de Wereldgezondheidsorganisatie, zeggen dat er momenteel niets bestaat wat genezing kan garanderen of kan garanderen dat de gemiddelde persoon COVID-19 niet oploopt. We hebben van autoriteiten voor de volksgezondheid ook gehoord dat als mensen zouden denken dat er een gegarandeerd geneesmiddel of gegarandeerde preventiemethode voor COVID-19 zou bestaan, dit ertoe zou kunnen leiden dat ze onjuiste veiligheidsmaatregelen nemen, gepaste gezondheidsrichtlijnen negeren of zelfs schadelijke zelfmedicatie proberen. Daarom staan we geen onjuiste beweringen toe over hoe COVID-19 kan worden genezen of voorkomen. Dit omvat onder andere de volgende beweringen:

Beweringen dat er voor de gemiddelde persoon iets is dat kan garanderen dat wordt voorkomen dat je COVID-19 krijgt of dat kan garanderen dat je geneest van COVID-19 voordat een dergelijk geneesmiddel of preventief middel is goedgekeurd, waaronder:

(…)

Ontmoedigen van goede gezondheidspraktijken: (…) Dit omvat onder andere de volgende beweringen:

(…)

Beweringen over COVID-19-vaccins die bijdragen aan het weigeren van vaccinatie, waaronder:

Beweringen over de beschikbaarheid of het bestaan van COVID-19-vaccins, met name:

Beweringen dat COVID-19-vaccins niet bestaan of niet zijn goedgekeurd

(…)

Beweringen over de veiligheid of ernstige bijwerkingen van COVID-19-vaccins, waaronder:

(…)

Beweringen dat de piekproteïnen die worden gemaakt door de COVID-19-vaccins gevaarlijk/cytotoxisch zijn.

(…)

Beweringen over hoe COVID-19-vaccins of de bestanddelen ervan zijn ontwikkeld, waaronder:

Beweringen dat COVID-19-vaccins giftige, verboden of schadelijke bestanddelen, microchips of dierlijke producten bevatten of dat ze iets bevatten dat niet in de bestanddelenlijst van het vaccin staat

Beweringen dat COVID-19-vaccins niet zijn getest

(…)”

2.7.

[naam eiser] is een uitgesproken criticaster van het door de Nederlandse regering gevoerde coronabeleid. Hij is oprichter van de ‘Stichting Viruswaarheid.nl’.

2.8.

[naam eiser] heeft onder zijn eigen naam een Facebook-account. Op deze account plaatst hij regelmatig posts over COVID-19 en het coronabeleid van de regering. Verschillende berichten op zijn account zijn inmiddels door Facebook verwijderd. Daarnaast is de toegang tot de account tot tweemaal toe voor 30 dagen opgeschort geweest.

2.9.

Daarnaast beschikt [naam eiser] over een Facebook-account ten behoeve van zijn werkzaamheden als dansleraar.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert in zijn dagvaarding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

i. Facebook te gebieden om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de berichten genoemd in productie 2 terug te plaatsen op haar website op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat Facebook hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 2.500.000,00;

ii. Facebook te gebieden om de aan [naam eiser] opgelegde sancties terug te draaien in die zin dat [naam eiser] binnen twee dagen na betekening van het vonnis van Facebook een e-mailbericht ontvangt van Facebook waaruit volgt dat bij het opleggen van een toekomstige sanctie geen rekening zal worden gehouden met eerder opgelegde sancties, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat Facebook hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 2.500.000,00;

iii. Facebook te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

[naam eiser] heeft ter zitting verklaard zijn vordering onder i. te wijzigen, aldus dat de gevorderde terugplaatsing betrekking heeft op vier posts (zijn producties 2, 3, 6 en 9) en dus niet alleen de post overgelegd als productie 2. [naam eiser] heeft deze eiswijziging niet op schrift gesteld. Daarnaast heeft hij verklaard de vordering onder ii. te verminderen, in die zin dat het gevorderde gebod aan Facebook om de opgelegde sancties terug te draaien is beperkt tot de sancties die verband houden met de betreffende vier posts.

3.2.

Het verweer van Facebook strekt ertoe dat de voorzieningenrechter zich primair onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de zaak en subsidiair de vorderingen van [naam eiser] afwijst, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [naam eiser] in de kosten van de procedure met inbegrip van de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

In de eerste plaats neemt Facebook het standpunt in dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is. Zij voert aan dat, nu [naam eiser] bij het gebruik van zijn account niet is aan te merken als een consument, zijn vorderingen op grond van artikel 25 Brussel I bis-verordening (nr. 1215/2012) moeten worden behandeld door een bevoegde rechtbank in Ierland en dat Iers recht op het geschil van toepassing is. Facebook verwijst daarbij naar de tussen partijen overeengekomen forum- en rechtskeuze in artikel 4.4 van de Servicevoorwaarden (zie 2.4.).

4.2.

Uit Europese jurisprudentie volgt dat het begrip ‘consument’ zoals bedoeld in de Brussel I bis-verordening restrictief moet worden uitgelegd. De daarin opgenomen bijzondere bevoegdheidsregels in het geval van door consumenten gesloten overeenkomsten strekken tot bescherming van de consument die als de zwakke partij wordt beschouwd. Dat brengt mee dat die regels enkel van toepassing zijn op overeenkomsten die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier. Voorts heeft het Europese Hof van Justitie (25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:37, Schrems / Facebook) nader bepaald dat, enerzijds, de gebruiker van een account zich enkel op de hoedanigheid van ‘consument’ kan beroepen indien het in wezen niet-beroepsmatige gebruik van de account, waarvoor hij de overeenkomst initieel heeft gesloten, naderhand geen in wezen beroepsmatig karakter heeft verkregen, en dat, anderzijds, een gebruiker van een particuliere account niet die hoedanigheid verliest wanneer hij boeken publiceert, lezingen houdt, websites exploiteert, giften inzamelt en de rechten van talrijke consumenten aan zich laat cederen om deze rechten te doen gelden in rechte.

4.3.

In het onderhavige geval geldt dat, hoewel [naam eiser] in zijn dagvaarding melding maakt van de twee door hem gebruikte Facebook-accounts, de voorzieningenrechter ter zitting heeft vastgesteld dat de vorderingen, na de eisvermindering van [naam eiser], enkel betrekking hebben op berichten die zijn geplaatst op (en door Facebook zijn verwijderd van) de Facebook-account onder zijn eigen naam. Daarmee staat vast dat deze procedure geen betrekking heeft op de rechtsverhouding van partijen die verband houdt met de door [naam eiser] gebruikte account ten behoeve van zijn dansactiviteiten. Ook voor het oordeel over de bevoegdheid blijft die account dus buiten beschouwing.

4.4.

[naam eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij, lang voordat Stichting Viruswaarheid.nl (hierna: de Stichting) werd opgericht, zijn persoonlijke account bij Facebook al had. Gesteld noch gebleken is dat hij deze account anders dan voor particulier gebruik heeft aangemaakt. Dat hij zich sinds het uitbreken van de coronapandemie regelmatig op zijn Facebook-account uitlaat over de in zijn ogen onnodige en onrechtmatig getroffen overheidsmaatregelen, maakt niet dat zijn gebruik van Facebook daarna een in wezen beroepsmatig karakter heeft gekregen, zoals door Facebook is betoogd. Daarbij speelt een rol dat de diensten van Facebook er juist toe strekken dat mensen zichzelf uiten en inhoud die zij belangrijk vinden met anderen delen. Duidelijk is dat de berichten die [naam eiser] op zijn account plaatst een persoonlijke mening en/of uiting zijn die hij wenst te delen met anderen. Dat hij op zijn account verwijst naar de website van de Stichting en uitlatingen doet die in lijn zijn met de visie van de Stichting, doet, in het licht van het Schrems-arrest, daar niet aan af.

4.5.

Dat leidt tot het oordeel dat [naam eiser] een overeenkomst met Facebook heeft gesloten als consument en dat die positie niet is veranderd. In dat geval is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I bis-verordening. De in de Servicevoorwaarden opgenomen forumkeuze is conform artikel 19 Brussel I bis-verordening niet van toepassing, omdat het niet is gesloten na het ontstaan van het geschil. Overigens zou, met de vaststelling dat [naam eiser] als consument handelt, ook uit de forumkeuze voortvloeien dat de Nederlandse rechter bevoegd is.

4.6.

Uitgaande van een consumentenovereenkomst, is op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing. Dat volgt al uit de overeengekomen rechtskeuze in artikel 4.4 van de Servicevoorwaarden in combinatie met artikel 3 lid 1 Rome I-verordening (nr. 593/2008).

Eiswijziging / uitleg van de vordering

4.7.

In het lichaam van de dagvaarding is [naam eiser] ingegaan op vijf berichten op zijn account die volgens hem ten onrechte door Facebook zijn verwijderd. Die berichten zijn door hem als producties 2, 3, 6, 8 en 9 overgelegd. Ter zitting heeft Facebook aangevoerd dat [naam eiser] in zijn vordering onder i. alleen verwijst naar productie 2, zodat de gevorderde terugplaatsing tot dat bericht beperkt is. Daarop heeft [naam eiser] verklaard dat er sprake is van een verschrijving en heeft hij gezegd zijn eis te willen wijzigen, in die zin dat de gevorderde terugplaatsing ook betrekking heeft op de andere door hem genoemde posts. Facebook heeft bezwaar gemaakt tegen de door [naam eiser] beoogde eiswijziging. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij, omdat – gelet op de inhoud van de dagvaarding – evident sprake is van een verschrijving. Ook Facebook heeft de vordering onder i. onmiskenbaar in de door [naam eiser] bedoelde zin begrepen. Zij is immers in haar pleitnota, nog vóór de eiswijziging, concreet ingegaan op alle door [naam eiser] genoemde berichten. Zij wordt door het herstel van de verschrijving dus niet in het voeren van verweer geschaad.

4.8.

De vordering onder i. moet dan ook zo worden begrepen dat deze betrekking heeft op alle door [naam eiser] in de dagvaarding benoemde posts. Een wijziging van eis is daarvoor niet vereist. Daarbij past overigens de kanttekening dat, zoals ter zitting is gebleken, één van die posts al vóór het uitbrengen van de dagvaarding was teruggeplaatst door Facebook, zodat het per saldo nog gaat om de resterende vier posts. Daarnaast gaat de voorzieningenrechter bij de verdere beoordeling ook uit van de eisvermindering van de vordering onder ii., waartegen Facebook geen bezwaar heeft.

Inhoudelijke beoordeling van de vorderingen

4.9.

[naam eiser] stelt zich primair op het standpunt dat Facebook toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen, doordat zij berichten van [naam eiser] heeft verwijderd en andere sancties (dat wil zeggen het opschorten van de toegang tot zijn account) aan hem heeft opgelegd, terwijl er geen sprake is van een overtreding door [naam eiser] van de Richtlijnen. Er wordt volgens [naam eiser] immers niet voldaan aan het vereiste dat de berichten onjuist zijn dan wel tot schade kunnen leiden.

4.10.

Subsidiair is [naam eiser] van mening dat Facebook onrechtmatig jegens hem handelt door inbreuk te maken op zijn recht op vrije meningsuiting. [naam eiser] doet daarbij een beroep op de indirecte werking van artikel 10 EVRM en de open norm van artikel 6:162 BW.

Facebook is gehouden te handelen overeenkomstig de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting. Als gevolg van haar enorme bereik heeft Facebook volgens [naam eiser] een zorgplicht jegens haar gebruikers om hun vrijheid van meningsuiting te beschermen. Zij dient de vrijheid van meningsuiting zoals die noodzakelijk is in het publieke debat in een democratische samenleving te respecteren en mag daarbij geen partij kiezen. Facebook hanteert echter een zeer stringent beleid waarin zij allerhande kritische berichten over de vaccins verwijdert. Dat beleid gaat zo ver dat ook feitelijk juiste kritiek, zoals die van [naam eiser], wordt verwijderd. Dat is een ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, aldus [naam eiser].

4.11.

De voorzieningenrechter neemt bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt dat de bepalingen uit het EVRM geen directe horizontale werking hebben in de verhouding tussen partijen, maar daarin wel op indirecte wijze kunnen doorwerken, bijvoorbeeld door invulling van privaatrechtelijke open normen. Ter zitting is gebleken dat partijen hierover niet van mening verschillen. Tegen deze achtergrond overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt.

4.12.

Van belang is allereerst dat het recht van [naam eiser] op vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt is. In de verhouding tussen partijen moet het belang gemoeid met de vrijheid van meningsuiting worden afgewogen tegen andere belangen. In dat kader heeft Facebook terecht gewezen op haar recht op eigendom, op grond waarvan Facebook in beginsel vrijheid toekomt om de regels voor het gebruik van haar platform te bepalen. De aan [naam eiser] toekomende vrijheid van meningsuiting geeft hem op zichzelf geen aanspraak op het gebruik van het platform van Facebook om die mening te uiten. De enkele omstandigheid dat dit platform een zeer groot bereik heeft, is daartoe onvoldoende. Van bijzondere omstandigheden die dit anders maken, is niet gebleken. Met name is onvoldoende aannemelijk geworden dat [naam eiser] geen enkele andere mogelijkheid heeft om zijn opvattingen over het coronabeleid te openbaren. Hierbij komt dat Facebook haar beleidsregels met betrekking tot COVID-19 heeft opgesteld naar aanleiding van een oproep van de Europese Commissie en internationale gezondheidsorganisaties om onjuiste informatie over COVID-19 tegen te gaan, met het doel de veiligheid en de volksgezondheid van het publiek te beschermen (waarover meer hierna). Dit zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter twee legitieme redenen die een inperking van het recht van [naam eiser] op vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen.

4.13.

De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van [naam eiser] dat, omdat het debat over de preventie en behandeling van COVID-19 nog gaande is, Facebook ten onrechte partij kiest in dat debat door kritische posts over vaccins en overheidsmaatregelen te verwijderen. Waar het om gaat, is dat Facebook een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds haar verantwoordelijkheid om het debat over een bepaald onderwerp op haar platform ruimte te geven en anderzijds de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat via haar platform desinformatie wordt verspreid die gevaar oplevert voor de algehele gezondheid. Facebook heeft onbetwist gesteld dat – volgens de WHO en andere gezaghebbende instellingen – een overvloed aan informatie over het virus, die vaak onjuist of misleidend is en zich snel verspreidt via sociale media, kan leiden tot verwarring en wantrouwen en daarmee doelmatige maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid kan ondermijnen. De Europese Commissie spreekt in dit verband van een “infodemie”. In dit licht heeft Facebook ervoor gekozen zich, onder bepaalde voorwaarden, te committeren aan het tegengaan van kritiek op het beleid van overheden en gezondheidsorganisaties. Dat heeft zij gedaan door haar Richtlijnen uit te breiden met regels die specifiek aangeven wat concreet onder misinformatie over COVID-19 wordt verstaan. Bij het opstellen van die regels en het bepalen wat precies onder misinformatie wordt verstaan, gaat Facebook af op breed gedragen opvattingen van de deskundigen van die organisaties en overheden. Gezien doel en strekking van het beleid, kan niet worden gezegd dat Facebook in redelijkheid niet tot deze afweging heeft kunnen komen, ook niet als aangenomen zou moeten worden dat op een partij als Facebook een bijzondere verantwoordelijkheid rust om ruimte aan debat te geven.

4.14.

[naam eiser] voert aan dat het beleid en/of de Richtlijnen met betrekking tot COVID-19 tot gevolg hebben dat feitelijke waarheden niet meer kunnen worden geventileerd. Het kan zijn dat in concrete gevallen toepassing van het beleid ertoe leidt dat op zichzelf juiste berichten worden verwijderd. Die mogelijkheid leidt niet tot een ander oordeel. Bij het opstellen en toepassen van de Richtlijnen mag Facebook naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs afgaan en vertrouwen op de expertise van de deskundigen van verschillende gezondheidsorganisaties en overheden. Daaraan doet niet af dat het debat over de behandeling en preventie van COVID-19 nog gaande is en er ook experts zijn die voormelde deskundigen tegenspreken. In dit verband is overigens van belang dat Facebook niet per definitie alle kritische berichten verwijdert. Het gaat specifiek om COVID-19 gerelateerde berichten die mogelijk schade in de ‘echte’ wereld kunnen toebrengen. Ook komt het voor dat Facebook verwijderde berichten weer terugplaatst. Dat was bijvoorbeeld het geval met het bericht van [naam eiser] zoals door hem is overgelegd als productie 8, reden waarom de vordering ten aanzien van dat bericht is ingetrokken.

4.15.

Al met al is dus niet aannemelijk geworden dat Facebook met (de toepassing van) haar beleid ten aanzien van COVID-19 een ontoelaatbare inbreuk maakt op het recht van [naam eiser] op vrijheid van meningsuiting.

4.16.

De volgende vraag is dan of de betreffende vier berichten van [naam eiser] al dan niet terecht door Facebook zijn verwijderd als strijdig met de richtlijnen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of die berichten in strijd zijn met het beleid en/of de Richtlijnen van Facebook elk bericht in beginsel op zichzelf moet worden beoordeeld maar dat daarbij geldt dat de context waarin dat bericht is geplaatst tevens een rol speelt bij de wijze waarop het betreffende bericht door lezers kan worden opgevat of uitgelegd.

4.17.

Het eerste bericht van [naam eiser] dateert van 8 juni 2021 en is op 9 juni 2021 door Facebook verwijderd (productie 2 van [naam eiser]). Het bericht bevat de tekst: “Ivermectine. Zorg dat je het in huis haalt.” Volgens [naam eiser] doet hij niets anders dan een aanbeveling om het medicijn aan te schaffen zonder aan te geven voor welk doel. Een relatie met COVID-19 wordt niet gelegd, er wordt geen enkele bewering gedaan, noch kan het bericht fysieke schade toebrengen, zodat het bericht volgens hem ten onrechte is verwijderd.

4.18.

De voorzieningenrechter verwerpt dit betoog, omdat de hier bedoelde post in redelijkheid niet kan worden los gezien van de opvattingen van [naam eiser] over het coronabeleid en de goedgekeurde coronavaccins. Zoals [naam eiser] zelf in de dagvaarding heeft gesteld, is Ivermectine gedurende het corona-tijdperk door verschillende personen, waaronder artsen, aangeprezen als werkzaam medicijn voor de preventie en behandeling van COVID-19. Het is duidelijk dat [naam eiser] die mening deelt. Facebook heeft in dit verband onbetwist aangevoerd dat [naam eiser] zijn volgers regelmatig informeert over de voordelen van Ivermectine voor preventie of behandeling van corona en dat hij (bijna) alleen maar berichten lijkt te plaatsen over corona. In die context bezien, kan dit bericht niet anders worden opgevat dan als een aanprijzing van Ivermectine als middel tegen corona, ook al wordt in het bericht zelf niet het verband met corona gelegd. Aangezien Ivermectine geen goedgekeurd middel tegen corona is, is het aanprijzen daarvan in strijd met de Richtlijnen van Facebook.

4.19.

Het tweede bericht van [naam eiser] dateert van 3 juni 2021 (productie 3 van [naam eiser]).

In dit bericht bespreekt [naam eiser] de inhoud van een door Pfizer uitgevoerde studie naar de werking van mRNA vaccins. Het beleid van Facebook houdt in dat men niet mag melden dat vaccins giftige bestanddelen bevatten. Daar is hier volgens [naam eiser] geen sprake van. Hij stelt dat hij in zijn bericht alleen heeft opgenomen dat bepaalde stoffen in het Pfizer-vaccin toxisch zouden kunnen zijn.

4.20.

Ook deze redenering kan niet standhouden. Ten eerste heeft Facebook aangevoerd dat [naam eiser] de bij het bericht behorende afbeeldingen niet volledig heeft overgelegd en heeft zij de drie afbeeldingen alsnog ingebracht (productie 16B van Facebook). Een van die afbeeldingen bevat de tekst “cationic lipids are very, very toxic” en “cationic lipids still have the problem of toxicity”. De bewering van [naam eiser] gaat dus verder dan alleen mogelijke toxiciteit van ingrediënten van het Pfizer-vaccin. Ten tweede is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam eiser] miskent dat het volgens de Richtlijnen van Facebook evenmin is toegestaan om beweringen te uiten over de veiligheid van vaccins alsook beweringen die bijdragen aan het weigeren van vaccinatie. De inhoud van dit bericht valt evident onder deze categorieën, zeker ook omdat [naam eiser] het bericht vooraf doet gaan door de opmerking dat “we […] natuurlijk al wisten dat de [vaccins] dubieus waren”. Aldus is ook dit bericht in strijd met de Richtlijnen van Facebook.

4.21.

Het derde bericht van [naam eiser] dateert van 24 mei 2021 (productie 6 van [naam eiser]). [naam eiser] bericht hier over een mondelinge behandeling die zal plaatsvinden in een door de Stichting ingesteld hoger beroep tegen de Staat. Hij zet uiteen wat de eis van de Stichting is en de onderbouwing daarvan. Met dit bericht wilde [naam eiser] vooral uitleggen waar de procedure over gaat, zo betoogt hij.

4.22.

Anders dan [naam eiser] meent, kan de tekst niet worden opgevat als louter een beschrijving van waar de gerechtelijke procedure over gaat. [naam eiser] gaat enkel in op de vordering en het standpunt van de Stichting, zonder in te gaan op het verweer van de Staat. De tekst is bovendien zodanig geformuleerd dat deze vooral de mening van [naam eiser] zelf lijkt weer te geven. Dat wordt versterkt door de daaronder afgebeelde illustraties. Eén van die afbeeldingen bevat een statistiek, waarmee [naam eiser] kennelijk wil aangeven dat er relatief weinig mensen aan COVID-19 zijn overleden, vergeleken met andere wereldwijde ziektes. Een andere afbeelding bevat de tekst: “Weet je zeker dat Corona op Lijst A thuishoort [naam]?”. Daarmee bevat het bericht beweringen die de ernst van COVID-19 bagatelliseren, wat volgens de Richtlijnen van Facebook niet is toegestaan.

4.23.

Het vierde bericht dateert van 12 juli 2020 en is op 13 juli 2020 door Facebook verwijderd (productie 9 van [naam eiser]). Dit bericht bevat een link naar de website van Nyenrode met daarbij de volgende tekst van [naam eiser]: “Ja, wat zou het mooi zijn als we echte goede journalisten hadden die kritisch zouden zijn op de instituten die ons voorlichten. Nyenrode moet het dan maar doen. Dank voor de echte cijfers, ik hoop dat mensen dit lezen en zien dat het een genuanceerd verhaal is en zeker geen killer virus die de bevolking bedreigd.” [naam eiser] meent dat dit bericht niet leidt tot enig risico op fysieke schade.

4.24.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de opmerking van [naam eiser] dat corona geen killervirus is dat de bevolking bedreigt in strijd met de Richtlijnen van Facebook, omdat het de ernst van COVID-19 bagatelliseert. Los daarvan, merkt de voorzieningenrechter op dat dit bericht meer dan een jaar geleden is verwijderd. [naam eiser] heeft ter zitting verklaard dat dit bericht destijds baanbrekend was maar nu niet meer. Gelet daarop valt niet in te zien wat nu nog het spoedeisend belang is van [naam eiser] bij terugplaatsing van dit bericht, nog afgezien van de discussie of terugplaatsing technisch nog mogelijk is.

4.25.

Voldoende aannemelijk is dan ook dat de vier posts in strijd zijn met het beleid en/of de Richtlijnen van Facebook. Tegen de achtergrond van hetgeen is overwogen in 4.12. tot en met 4.14., heeft Facebook de berichten mogen verwijderen. Facebook kan dus niet worden verplicht de posts terug te plaatsen.

Conclusie

4.26.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen van [naam eiser] moeten worden afgewezen.

4.27.

[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Facebook worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.683,00

4.28.

De gevorderde veroordeling in de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Facebook tot op heden begroot op € 1.683,00;

5.3.

veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat en, indien er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2021.

2091 / 1980