Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10356

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
10/078496-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reeks beschietingen in januari 2021 op woningen/bedrijfspanden van een familie in Rotterdam.

Bewezenverklaring bedreigingen en beschadigingen van gebouwen door met een (semi-)automatisch vuurwapen op woningen/bedrijfspanden te schieten.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/078496-21

Datum uitspraak: 8 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. W.B.J. ten Have, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2, 4, 5 en 7 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feiten 1 en 3

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat partiële vrijspraak dient te volgen voor zover ten laste gelegd is dat de percelen [adres 1] en [adres 2] toebehoorden aan de aangever [naam aangever 1] , nu dit uit het dossier niet blijkt.

4.2.2.

Beoordeling

Het begrip ‘toebehoren’ zoals dit in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht wordt vermeld, heeft een autonome betekenis die niet samenvalt met civielrechtelijke eigendom. Onder het begrip vallen – naast eigendom – ook andere vormen van zeggenschap of belang bij enig object. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat de bedoelde panden in die zin toebehoorden aan de aangever [naam aangever 1] (dan wel aan zijn onderneming [naam onderneming] ): hij was eigenaar van het pand aan de [adres 1] en gebruiker van het pand aan de [adres 2] . Het verweer wordt daarom verworpen.

4.3.

Bewijswaardering feit 6

4.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het dossier niet blijkt dat bij aangever [naam aangever 2] de redelijke vrees is ontstaan zijn leven te verliezen of zwaar te worden mishandeld.

4.3.2.

Beoordeling

Van een bedreiging in strafrechtelijke zin is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake indien de bedreiging onder zodanige omstandigheden is geuit dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd. Deze vrees is in zoverre geobjectiveerd dat zij niet louter wordt bepaald door de al dan niet bij de betrokkene aanwezige angstgevoelens. Doorslaggevend is niet of redelijke vrees is ontstaan, maar of deze vrees kon ontstaan.

Aangever [naam aangever 2] heeft aangifte gedaan van bedreiging. Weliswaar verklaart de aangever in zijn aangifte niet over al dan niet aanwezige angstgevoelens, maar het schieten op zijn woning is van dien aard en onder zodanige omstandigheden gebeurd, dat moet worden aangenomen dat bij [naam aangever 2] redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd oftewel dat hij het leven zou verliezen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat in de huidige tijd – waarin regelmatig panden worden beschoten – van algemene bekendheid mag worden geacht dat dergelijke beschietingen er ook op gericht zijn vrees aan te jagen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1
hij op 18 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan de [adres 1] , toebehorende aan [naam aangever 1] en/of [naam onderneming] , heeft beschadigd ;
2
hij op 18 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , [naam aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, , door meermalen met een (semi-)automatisch vuurwapen op het pand aan de [adres 1] te schieten;
3
hij op 19 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan de [adres 2] , toebehorende aan [naam aangever 1] en/of [naam onderneming] , heeft beschadigd ;


4
hij op 19 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , [naam aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, , door meermalen, met een (semi-)automatisch vuurwapen op het pand waar die [naam aangever 1] aanwezig was (de [adres 2] ) te schieten;

5
hij op 21 januari 2021 te [plaatsnaam 2] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan de [adres 3] , toebehorende aan

[naam aangever 2] heeft beschadigd ;
6
hij op 21 januari 2021 te [plaatsnaam 2] , [naam aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door meermalen, met een (semi-)automatisch vuurwapen op een pand van die [naam aangever 1] (de [adres 3] ) te schieten;

7
hij in de periode van 17 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] , een vuurwapen als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het type Skorpion, kaliber 7.65 mm Browning, en- daarbij voor dat wapen geschikte munitie,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:

Feiten 1, 3 en 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Feiten 2, 4 en 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 7

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige bedreigingen door met een (semi-)automatisch vuurwapen een restaurant en een daarboven gelegen woning te beschieten, de volgende nacht een bedrijfspand te beschieten en twee dagen later nogmaals een woning te beschieten. Deze beschietingen zijn gericht tegen één familie, waarbij panden zijn beschoten van zowel de vader en zijn vrouw als hun zoon. Het betreft zeer indringende en intimiderende bedreigingen, die tot potentieel levensbedreigende situaties kunnen leiden. Ten tijde van de tweede beschieting lagen aangever [naam aangever 1] en zijn vrouw boven te slapen, terwijl de deur op de benedenverdieping doorschoten is. Er bestaat geen twijfel dat de aangevers zich door het handelen van de verdachte ernstig bedreigd hebben gevoeld en dat het een enorme impact heeft gehad op hun leven. Al vele decennia bezit de familie restaurants in [plaatsnaam 1] . Door de media-aandacht rondom de beschietingen heeft de familie lange tijd in de schijnwerpers gestaan en voelt de familie zich in haar eer en goede naam aangetast. Daarvan heeft vooral de vader, die nog steeds actief is als horeca-ondernemer, (zakelijk) last ondervonden.

Daarnaast zijn de beschietingen voor omwonenden op de [adres 1] in [plaatsnaam 1] en de [adres 3] in [plaatsnaam 2] eveneens bedreigend geweest. Het behoeft geen toelichting dat het beschieten van een woning in een dichtbevolkte stad de nodige schrik en gevoelens van onveiligheid in de buurt teweeg heeft gebracht. Dit alles wordt de verdachte zwaar aangerekend.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 augustus 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad leidt dus niet tot eventuele strafverhoging.

7.3.2.

Rapportages

Het Leger des Heils, afdeling reclassering (hierna: reclassering), heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juni 2021, dat onder meer het volgende inhoudt. Als beschermende factoren in het leven van de verdachte worden genoemd zijn familie en zijn drijfveer tot scholing en werken. De reclassering ziet meer beschermende factoren dan risicofactoren. Het netwerk van de verdachte en zijn financiële situatie worden door de reclassering als criminogene factoren gezien. De reclassering schat het risico op herhaling laag in. Op dit moment vindt zij het niet noodzakelijk om voorwaarden te formuleren. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank zal de verdachte evenwel een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij acht heeft geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Omdat de officier van justitie en de verdediging dit beide hebben verzocht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 57.327,63 aan materiële schade, bestaande uit € 18.825,27 (herstelkosten) en € 38.502,36 (gederfde winst).

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de herstelkosten (€ 18.825,27), te vermeerderen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft de gederfde winst stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dit bedrag onvoldoende onderbouwd is en de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering terzake gederfde winst vanwege een gebrek aan onderbouwing.

Wat betreft de herstelkosten geldt het volgende. Ten aanzien van de gordijnen heeft zij afwijzing van de vordering bepleit, omdat het een offerte betreft en bovendien niet blijkt dat gordijnen zijn beschadigd. Subsidiair dient om dezelfde reden niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in dit deel van haar vordering te volgen. Ten aanzien van de kosten van het bouwbedrijf heeft de verdediging eveneens niet-ontvankelijkverklaring bepleit, omdat de gevorderde kosten in geen verhouding staan tot de feiten zoals die uit het dossier blijken. Ten aanzien van de glaskosten heeft de verdediging primair afwijzing en subsidiair niet-ontvankelijkverklaring bepleit, onder meer omdat te hoge glasprijzen zijn berekend.

Tot slot geldt dat – indien enige materiële schade wordt toegewezen - alle kosten van [naam benadeelde 1] exclusief BTW moeten worden vergoed, aangezien [naam benadeelde 1] BTW-plichtig is en BTW kan terugvragen van de Belastingdienst.

8.3.

Beoordeling

Gederfde winst/inkomensderving

Dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu op dit moment onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De beweerdelijk gederfde winst is bovendien niet onderbouwd met objectieve gegevens zoals jaarstukken waaruit het bedrag blijkt. De overgelegde e-mail van de boekhouder van [naam benadeelde 1] waarin slechts een (ander) bedrag wordt genoemd acht de rechtbank gelet op de betwisting onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bouwwerkzaamheden

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van bouwwerkzaamheden, aangezien op dit moment onvoldoende is komen vast te staan dat al deze schade rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Glaskosten

Door de bewezen verklaarde feiten is rechtstreeks materiële schade toegebracht aan de ruiten van de benadeelde partij. De hoogte van deze schade is betwist. De rechtbank kan enkel op basis van de overgelegde offerte, althans zonder nadere toelichting, niet nauwkeurig vaststellen wat de omvang is van de door de bewezen verklaarde feiten veroorzaakte glasschade. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar mogelijkheid om te schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omvang van beschadigingen aan de raampartijen zoals die uit het procesdossier kenbaar zijn, de offerte van de benadeelde partij alsook de door de verdediging aangehaalde prijzen van [website], de vordering tot een bedrag van € 900,00 toegewezen kan worden. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard wat betreft het resterende deel van haar vordering tot vergoeding van het glas. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gordijnen

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. Uit het procesdossier is gebleken dat op de eerste etage van de [adres 1] gordijnen hebben gehangen. De hoogte van de schade is betwist. De rechtbank kan enkel op basis van de overgelegde offerte, althans zonder nadere toelichting, niet nauwkeurig vaststellen wat de omvang is van de door de bewezen verklaarde feiten veroorzaakte schade aan de gordijnen. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar mogelijkheid om te schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omvang van de gordijnen aan de [adres 1] zoals kenbaar uit de foto’s in het procesdossier in verband met de prijzen in de overgelegde offerte, de vordering tot een bedrag van € 650,00 toegewezen kan worden. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor het resterende deel van haar vordering tot vergoeding van de gordijnen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 januari 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 1.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2021 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 57.327,63 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade.

8.5.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de materiële kostenposten geheel moeten worden afgewezen. Deze kosten zijn namelijk ten laste gekomen van [naam benadeelde 1] . Wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing voor een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige gedeelte moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.6.

Standpunt verdediging

Voor wat betreft de gevorderde schade die gelijk is aan de door [naam benadeelde 1] gevorderde schade geldt dat dezelfde verweren worden gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om deze te matigen tot een bedrag van € 2.000,00.

8.7.

Beoordeling

De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft ter zitting verklaard dat de gevorderde materiële schade verband houdt met [naam benadeelde 1] en dat deze kosten ten laste zijn gekomen van [naam benadeelde 1] . Daarom bepaalt de rechtbank dat de door [naam benadeelde 2] in persoon gevorderde materiële schade ad € 57.327,63 geheel wordt afgewezen.

Vast is komen te staan dat door de bewezen verklaarde feiten waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de nu gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,00. De rechtbank neemt ook in haar oordeel mee dat de benadeelde partij ten tijde van de tweede beschieting in het pand met vrouw aanwezig was en dat dit voor hem zeer beangstigend is geweest.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 januari 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.8.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2021 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] ter zake van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.000,00 aan immateriële schade.

8.9.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

8.10.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de bedreiging van [naam benadeelde 3] niet bewezen kan worden verklaard en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8.11.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de nu gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat de benadeelde partij ten tijde van de beschieting niet in zijn woning verbleef, aangezien hij in het buitenland woont. Desondanks rechtvaardigt de aard van het feit een gedeeltelijke toewijzing van de vordering.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 21 januari 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.12.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] en schadevergoeding betalen van
€ 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2021 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

[naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van

€ 1.550,00 (zegge: vijftienhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 1.550,00 (zegge: vijftienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.550,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

[naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van

€ 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende immateriële gedeelte van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] voor de materiële schade;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.000.- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

[naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van

€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk in het resterende immateriële gedeelte van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.000,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.A. Hut, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 18 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan/nabij de [adres 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 1] en/of [naam onderneming] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
2
hij op of omstreeks 18 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , [naam aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (semi) (automatisch) vuurwapen op het pand aan de [adres 1] te schieten;
3
hij op of omstreeks 19 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan/nabij de [adres 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 1] en/of [naam onderneming] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;


4
hij op of omstreeks 19 januari 2021 te [plaatsnaam 1] , [naam aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (semi) (automatisch) vuurwapen op het pand waar die [naam aangever 1] aanwezig was (de [adres 2] ) te schieten;

5
hij op of omstreeks 21 januari 2021 te [plaatsnaam 2] , opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw aan/nabij de [adres 3] , geheel of ten dele toebehorende aan

[naam aangever 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
6
hij op of omstreeks 21 januari 2021 te [plaatsnaam 2] , [naam aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (semi) (automatisch) vuurwapen op een pand van die [naam aangever 1] (de [adres 3] ) te schieten;

7
hij in of omstreeks de periode van 17 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of Amsterdam, althans in Nederland, een vuurwapen als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het merk Browning, type Skorpion, kaliber 7.65 mm, en/of
- daarbij voor dat wapen geschikte munitie,

voorhanden heeft gehad.