Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1028

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
C/10/611140 / FA RK 21-142
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toewijzing zorgmachtiging artikel 6:4 Wvggz.

Termijnoverschrijding op grond van artikel 5:16 Wvggz van bijna achttien weken. Betrokkene is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad waardoor de officier ontvankelijk is in zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/611140 / FA RK 21-142

Betrokkenenummer: [nummer]

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 21 januari 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)

op verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,

met betrekking tot:

[naam betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene],

hierna: betrokkene,

wonende aan [adres betrokkene],

advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 7 januari 2021.


Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van
    9 november 2020;

  • -

    het zorgplan van 9 november 2020;

  • -

    de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;

  • -

    de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz;

  • -

    het bericht dat er geen relevante politiegegevens en strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:

  • -

    betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;

  • -

    [naam 2], verpleegkundige, verbonden aan Antes;

  • -

    [naam 3], officier van justitie.

2. Beoordeling

Termijnoverschrijding

2.1.

Namens betrokkene wordt gepleit voor afwijzing van het verzoek omdat er sprake is van een forse termijnoverschrijding waardoor betrokkene in zijn belangen is geschaad omdat er geen continuïteit in de zorg is geweest. De advocaat stelt dat de officier op 11 september 2020 is gestart met de voorbereiding van de zorgmachtiging en betrokkene daarna niks meer hoorde over een eventuele machtiging en er daarom op mocht vertrouwen dat een verzoekschrift niet meer zou worden ingediend. En vervolgens heeft de officier alsnog ineens op 7 januari 2021 onderhavig verzoek bij de rechtbank ingediend. Gelet op artikel 5:16 Wvggz in samenhang gelezen met artikel 5:17 Wvggz had de officier dat moeten doen binnen vier weken na de schriftelijke mededeling aan betrokkene, zoals bedoeld in artikel 5:4 lid 2 sub a Wvggz. Het nu voorliggende verzoek is ruimschoots te laat.

2.2.

De officier verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat er inderdaad sprake is van een forse termijnoverschrijding. Daarbij stelt zij dat de termijn niet is gehaald vanwege het tekort aan psychiaters. Hoewel de termijn in deze fors is overschreden, is naar haar oordeel betrokkene hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Betrokkene heeft de voorgaande jaren achter elkaar een voorwaardelijke machtiging gehad – de laatste expireerde op 9 december 2020 – en de contacten met hulpverlening zijn ondertussen doorgegaan.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat er inderdaad sprake is van een forse termijnoverschrijding, te weten van bijna achttien weken. De rechtbank is echter van oordeel – gelet op de stukken en ook de toelichting van de officier tijdens de mondelinge behandeling – dat betrokkene hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Er is in de periode na de aankondiging dat een aansluitende machtiging zou volgen contact geweest met de behandelaar en het zorgplan en de medische verklaring ten behoeve van deze opvolgende machtiging zijn opgesteld op 9 november 2020. De voorbereidingshandelingen gingen dus verder en daarbij was betrokkene steeds betrokken. Hij verkeerde daarom niet in het ongewisse, zoals door de advocaat genoemd, over hoe het na afloop van de lopende voorwaardelijke machtiging verder zou gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de officier ontvankelijk is in zijn verzoek.

Zelfbindingsverklaring

2.4.

De officier vraagt zich voorafgaand aan de inhoudelijke toelichting op het verzoek af of met betrokkene geprobeerd is om een zelfbindingsverklaring op te stellen. De verpleegkundige laat weten dat daarover is nagedacht, maar het daarvoor te vroeg te vinden omdat betrokkene aan geen enkele behandeling wil meewerken, aan de medicatie of opname. Voor een dergelijke verklaring is volgens haar voldoende ziekte-inzicht en besef nodig en daaraan ontbreekt het op dit moment.

Zorgmachtiging

2.5.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis in het kader van schizofrenie. Daarnaast is bij eerder onderzoek een autismespectrumstoornis vastgesteld.

2.6.

Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Bij betrokkene is volgens de verpleegkundige sprake van een sluimerende achteruitgang door een toename van psychotische klachten waaronder achterdocht en angst nadat hij is gestopt met het innemen van zijn medicatie. In een vroegere psychotische episode heeft betrokkene vanuit een psychose een suïcidepoging gedaan. Daarnaast is sprake van zelfverwaarlozing door afnemende zelfzorg, sociale isolatie door zich terug te trekken, weigering om naar de dagbesteding te gaan en houdt betrokkene woonbegeleiding af. De verpleegkundige benadrukt het vertrouwen dat zij heeft in betrokkene en wijst tegelijkertijd op een stabiel slechte situatie waarin deze verkeert, vanwege het gebrek aan ziektebesef. Onderkend wordt dat de gevolgen van Covid-19 een rol spelen in een meer gedwongen thuis moeten blijven, maar de verpleegkundige schrijft het door betrokkene afhouden van contact met de hulpverlening toe aan de verslechterende geestestoestand van betrokkene. Omdat er op dit moment geen sprake is van een crisis wordt het innemen van medicatie niet verplicht gesteld. Om verdere psychische achteruitgang en schade te voorkomen is het verplicht stellen van een behandeling volgens haar wel nodig.

Namens betrokkene wordt verweer gevoerd en bepleit dat een zorgmachtiging niet nodig is omdat er geen sprake is van ernstig nadeel. Betrokkene functioneert al een jaar stabiel en is in augustus 2020 uit eigen kracht uit een psychose gekomen. Dat maakt volgens de advocaat de verwachting reëel dat hij ook weer zelfstandig uit een eventuele toekomstige psychose zal komen. Daarbij stelt de advocaat dat tijdens de looptijd van de vorige machtiging geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot conversie of één van de andere voorwaarden. Zij stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Mocht het verzoek volgens de rechtbank moeten worden toegewezen, dan is volgens de advocaat uitsluitend het moeten meewerken aan een ambulante behandeling als verplichting op te leggen.

De officier persisteert bij het verzoek. Afgezien van de al genoemde termijnoverschrijding wordt volgens haar aan de criteria voldaan en kan de verzochte machtiging worden verleend. Gelet op wat hier ter zitting is gehoord wordt het verzoek aangevuld met verplichte zorgvorm: Aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.

De rechtbank gaat niet mee in het verweer van en namens betrokkene. Noch hetgeen op de zitting is gehoord noch hetgeen in de stukken valt te lezen biedt aanknopingspunten voor dit verweer. Integendeel. Veeleer wordt het beeld bevestigd dat geleidelijk aan de geestelijke gesteldheid van betrokkene achteruitgaat doordat hij de voor hem in de ogen van zijn hulpverleners noodzakelijke zorg mijdt. Op basis van de ervaringen in het verleden bestaat het aanzienlijke risico dat uiteindelijk een heftige crisissituatie zich voordoet. De huidige wet leent zich naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek ook voor de situatie waarin betrokkene zit. Het gaat stabiel slecht met hem en de te verlenen machtiging maakt het mogelijk hem, ook al verzet hij zich daartegen, te behandelen met behulp van die verplichte vormen van zorg die passen bij zijn toestandsbeeld van dat moment.

Verplichte zorg

2.7.

Om ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene verplichte zorg nodig.

2.8.

Ten aanzien van de verzochte verplichte zorg overweegt de rechtbank als volgt. Uit de toelichting van de wetgever blijkt dat in een zorgmachtiging sprake kan zijn van drie gradaties van verplichte zorg. Allereerst kan de reguliere verplichte zorg worden opgenomen in de zorgmachtiging waarvan de zorgverantwoordelijke steeds gebruik mag maken. Ten tweede kan in de zorgmachtiging worden opgenomen welke zorg in crisissituaties mag worden gegeven – niet te verwarren met verplichte zorg in noodsituaties. Verplichte zorg in noodsituaties komt immers op de derde plaats in het drietrapsmodel. Wanneer de zorgmachtiging niet in de noodzakelijke zorg voorziet, kan in noodsituaties verplichte zorg worden verleend voor drie dagen, waarna een wijzigingsverzoek kan worden gedaan door de officier. Per geval dient te worden beoordeeld welke verplichte zorg continu gegeven mag worden, welke zorg in crisissituaties gegeven mag worden en welke zorg niet wordt opgenomen in de zorgmachtiging en waar slechts in noodsituaties gebruik van mag worden gemaakt.

‘Reguliere verplichte zorg’

De rechtbank acht de volgende vorm van verplichte zorg noodzakelijk gedurende zes maanden:

- het toedienen van medicatie;

alsook de vorm waarmee de officier het verzoek ter zitting heeft aangevuld en waartegen geen verweer is gevoerd

- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen (waaronder ook het moeten (blijven) voortzetten van de voorgeschreven ambulante behandeling).

Tijdens de mondelinge behandeling geeft betrokkene nog eens uitdrukkelijk aan dat hij niet instemt met het gebruik van medicatie omdat hij dat niet nodig acht en vanwege de bijwerkingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van verzet tegen deze zorg.

‘Verplichte zorg in crisissituaties’

Indien de reguliere zorg niet langer toereikend is om ernstig nadeel af te wenden kan er ook gebruik worden gemaakt van verplichte zorg in crisissituaties. Bij betrokkene is sprake van een crisissituatie als de psychotische symptomen toenemen en het niet meer lukt om ambulante zorg voort te zetten waardoor ernstige decompensatie dreigt. Het is daarom van belang dat betrokkene in deze situaties snel kan worden opgenomen zodat hij niet verder decompenseert.

In crisissituaties mag binnen de komende zes maanden gebruik worden gemaakt van de volgende vormen van verplichte zorg:

- het beperken van de bewegingsvrijheid (zolang (her)opname);

- het opnemen in een accommodatie (indien en zolang de ambulante behandeling niet toereikend is en/of anderszins nodig om ernstig nadeel af te wenden).

Namens betrokkene wordt bepleit dat alleen de vorm van verplichte zorg die ziet op ambulante zorg dient te worden toegewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat een opname gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene en de contacten met GGZ voorzienbaar is en acht deze vorm – en inherent daaraan ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ – noodzakelijk zodat een noodsituatie zoals bedoeld in artikel 8:11 Wvggz voorkomen kan worden.

2.9.

Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.10.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;

3.2.

bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.8 kunnen worden getroffen;

3.3.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 21 juli 2021.

Deze beschikking is op 21 januari 2021 mondeling gegeven door mr. M.L. Sandberg-Crommelin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Smolders, griffier op 27 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.