Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10254

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2021
Datum publicatie
05-11-2021
Zaaknummer
9304704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Zuivere aanvaarding nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0341
Jurisprudentie Erfrecht 2022/19 met annotatie van Anken, J.M. van
JERF 2022/19 met annotatie van Anken, J.M. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9304704 CV EXPL 21-21907

uitspraak: 29 oktober 2021

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[persoon A] ,

kantoorhoudende te [plaats A] (gemeente [gemeente A] ),

eiser, gedaagde in verzet,

gemachtigde: (thans) mr. I.P.M. Schreven te Rosmalen (gemeente Den Bosch),

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde, eiseres in verzet,

gemachtigde: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen.

Partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

• de dagvaarding met producties van 1 april 2021;

• het onder zaaknummer 9150813 CV EXPL 21-13244 op 4 mei 2021 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

• de verzetdagvaarding met producties van 15 juni 2021;

• het tussenvonnis van 19 juli 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

• de brief met een aanvullende productie van [persoon A] van 31 augustus 2021;

• de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 22 september 2021.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

2.1

Op 16 augustus 2016 is in Moerdijk [naam erflater] (hierna: ‘erflater’) overleden. Erflater was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner. Hij had geen kinderen en geen uiterste wilsbeschikking (testament) gemaakt.

2.2

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in haar beschikking van 12 mei 2017 op verzoek van de Schotland Bank, zijnde schuldeiser en hypotheekhouder van erflater, onder meer [persoon A] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

2.3

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in haar beschikking van 20 oktober 2020 de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater bevolen en de gemaakte vereffeningskosten vastgesteld op € 11.625,15 aan loon voor de vereffenaar en € 2.576,71 aan kosten. In het dictum is voorts bepaald dat de vereffeningskosten ten laste van de erfgenamen worden gebracht, voor zover zij met hun hele vermogen aansprakelijk zijn.

2.4

Van de vereffeningskosten van in totaal € 14.201,86 is een bedrag aan loon van

€ 7.284,63 niet uit de nalatenschap voldaan.

3. Het geschil

3.1

[persoon A] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat [persoon B] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, hetgeen blijkt uit een door haar ondertekende verklaring voor ING Bank en haar gedragingen. Voorts heeft [persoon A] gevorderd [persoon B] te veroordelen tot betaling van € 7.284,63, te vermeerderen met rente, tot en met 29 maart 2021 € 7,18, en € 739,23 aan buitengerechtelijke incassokosten, zijnde het restant van het vereffenaarsloon en schuld van de nalatenschap. Omdat [persoon B] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, is zij tot betaling daarvan gehouden en verplicht schulden van de nalatenschap uit haar eigen vermogen te voldoen.

3.2

De vordering van [persoon A] is toegewezen in het verstekvonnis van 4 mei 2021. [persoon B] vordert in haar verzetdagvaarding vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vordering van [persoon A] .

3.3

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [persoon A] en [persoon B] de vordering en het verweer daartegen onderbouwen.

4. De beoordeling

4.1

Er is sprake van erfopvolging bij versterf en nu erflater geen kinderen had zijn [persoon B] , zijn moeder, samen met zijn vader en zijn zus de erfgenamen van erflater (art. 4:10 BW). Het gaat in deze zaak primair om de vraag of [persoon B] de nalatenschap van erflater (zuiver) heeft aanvaard. [persoon B] aanvaardt die nalatenschap op grond van artikel 4:192 lid 1 BW zuiver als zij:

zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat zij overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt.

4.2

[persoon B] heeft na het overlijden van erflater in totaal € 4.275,47 van de bankrekening van erflater naar haar eigen bankrekening overgeboekt (productie 3 dagvaarding, het in die lijst genoemde bedrag minus het bovenste bedrag). Het saldo van de bankrekening van erflater is na zijn overlijden door [persoon B] verhoogd door meerdere ook voor het overlijden al afgeschreven bedragen weer terug te laten boeken. [persoon B] heeft niet kunnen verklaren wat de reden voor deze terugboekingen was.

4.3

[persoon B] stelt dat zij geld van de bankrekening van erflater naar haar eigen bankrekening heeft overgeschreven om de kosten van de begrafenis van erflater te betalen. Zij stelt dat zij hier geld voor geleend heeft en dat zij deze lening moest terug betalen. Het blijft bij een stelling, want [persoon B] heeft deze niet onderbouwd. Desgevraagd heeft zij niet vermeld van wie zij geld heeft geleend, hoeveel geld zij heeft geleend en welke afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling daarvan en wanneer is terugbetaald. Het enige wat [persoon B] in dit verband heeft vermeld is dat haar schoonzoon haar heeft geholpen.

4.4

Wat hier ook van zij, uit de handelwijze van [persoon B] moet worden geconcludeerd dat zij meer heeft gedaan dan slechts het eventuele beheer van de nalatenschap. Door haar handelen, zoals het terugboeken van afschrijvingen van de rekening van erflater heeft zij beschikkingshandelingen verricht waarmee zij gelden van de nalatenschap onttrokken heeft aan het verhaal van schuldeisers van erflater. Het duidelijkst wordt dit uit de terugboeking door [persoon B] van de afschrijving van de Bank of Schotland over augustus 2016, zijnde de betaling door erflater van zijn hypothecaire verplichtingen. Dit is tevens de schuldeiser van erflater op wiens verzoek de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap heeft beslist. Daarbij komt dat [persoon B] ook de motorvoertuigen van erflater op haar naam heeft gezet. Zij heeft vermeld dat zij dit heeft gedaan om deze vervolgens te kunnen laten slopen. Wat daar ook van zij, ook hier gaat het om vermogensbestanddelen die tot de nalatenschap behoren en die door [persoon B] aan het verhaal van schuldeisers is onttrokken. Door zo te handelen heeft [persoon B] de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. Dat geen sprake is geweest van een beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap moet worden opgemaakt uit de onder rov. 2.2 genoemde beschikking. De benoeming van de vereffenaar in die beschikking impliceert ingevolge het bepaalde in art. 4:204 BW dat de nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.

4.5

Een erfgenaam is verplicht een schuld van de nalatenschap uit zijn eigen vermogen te betalen als hij deze nalatenschap zuiver heeft aanvaard (artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder a BW). Uit het boedelregister is gebleken dat [persoon B] de nalatenschap niet heeft verworpen. Ook is zoals hiervoor overwogen geen sprake geweest van een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Zoals hiervoor eveneens overwogen is sprake van een zuivere aanvaarding van de nalatenschap door [persoon B] op grond van haar gedragingen en is zij dientengevolge gehouden een nog niet betaalde schuld van de nalatenschap te voldoen. Het loon van de vereffenaar moet als zodanig worden aangemerkt. [persoon B] zal daarom € 7.284,63 aan [persoon A] moeten voldoen. Ook de rente hierover die [persoon A] vordert kan worden toegewezen.

4.6

[persoon A] geeft [persoon B] in zijn brief van 8 maart 2021 (productie 12 dagvaarding) de gelegenheid het verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na de dag dat die brief bij haar is bezorgd te betalen. [persoon A] deelt daarbij mee dat als [persoon B] dit niet doet, zij € 739,23 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Deze ‘veertiendagenbrief’ voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt. De vordering van [persoon A] [persoon B] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is daarom ook toewijsbaar.

4.7

De conclusie van het voorgaande is dat er voor vernietiging van het verstekvonnis van 4 mei 2021 geen aanleiding bestaat. Wat in dat tussenvonnis toegewezen is, is na het verzet van [persoon B] daartegen nog steeds toewijsbaar zoals hiervoor overwogen. Het verstekvonnis wordt daarom bekrachtigd.

4.8

[persoon B] is de in het ongelijk gestelde partij in deze verzetprocedure. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

4.9

Dit vonnis wordt zoals [persoon A] vordert wat de proceskostenveroordeling betreft ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als een rechtsmiddel tegen dit vonnis wordt ingesteld, [persoon B] in de tussentijd wel alvast aan die veroordeling moet voldoen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- bekrachtigt het op 4 mei 2021 onder zaaknummer 9150813 CV EXPL 21-13244 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

- veroordeelt [persoon B] in de in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [persoon A] vastgesteld op € 311,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;

- verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. van Gastel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

686