Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10173

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
C/10/597871 / HA ZA 20-559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beveiligingsbedrijf aansprakelijk voor schade als gevolg van lekkage. Gelet op de ernst van de door de surveillant geconstateerde lekkage, de bijzondere verplichtingen die de surveillant heeft ten opzichte van de gebruikers van het pand en de geringe moeite om verdere actie ter voorkoming van schade te nemen is het achterwege laten van nadere actie na constatering van de lekkage nalatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597871 / HA ZA 20-559

Vonnis van 29 september 2021

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseressen,

advocaat mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALERT SECURITY II B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SECURITY MONITORING CENTRE B.V.,

gevestigd te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam.

Partijen worden hierna Verzekeraars, Alert en SMC genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 4 november 2020 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord van SMC, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Alert, met producties;

  • -

    de akte uitlaten en overlegging producties van Verzekeraars, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 11 maart 2021;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juli 2021 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling;

  • -

    de brief van mr. Zwijnenberg van 26 juli 2021 met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Orthocenter houdt een orthodontiepraktijk op de tweede verdieping van het pand aan de [adres] in Rotterdam (hierna: het pand), welk pand in eigendom is van de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: de Rabobank). Het pand heeft in totaal zes verdiepingen en de lokale Rabobank heeft de begane grond en eerste verdieping in gebruik.

2.2.

Orthocenter is verzekerd bij Verzekeraars.

2.3.

Alert is een beveiligings- en surveillancebedrijf dat in opdracht van de Rabobank brand- en sluitrondes maakt in het pand.

2.4.

SMC is een particulier beveiligingsbedrijf dat in opdracht van de lokale Rabobank zorgdraagt voor de overeengekomen alarmopvolging als zij een automatische alarmmelding binnenkrijgt ten aanzien van de lokale Rabobank.

2.5.

Op 4 augustus 2016 heeft een surveillant van Alert bij SMC telefonisch melding gemaakt van een lekkage op de vijfde (leegstaande) verdieping in het pand. De transcriptie van dit telefoongesprek luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Alert: Hé goeienavond. De afmeldcode 5498.

SMC: Even kijken, waar zou ik dan uit moeten komen?

Alert: Bij de Rabobank als het goed is. 5498.

SMC: Geeft ie hier bij mij niet aan. Welke plaats?

Alert: Uhhh de [naam locatie] in Rotterdam. Even kijken hoor, heb ik nou wel de goeie, ja SMC National Response als ik het goed heb.

SMC: Oooh National Response code, dan kan ik hem vaak niet vinden, klopt. Maar ik heb hem ondertussen gevonden hoor, geen probleem.

(…)

SMC: Hij staat bij mij trouwens in als 5499.

(…)

Alert: Ja, in ieder geval even het volgende. Daar hebben wij natuurlijk, nou ja zoals je al gemerkt hebt, de Rabobank zitten. Dat is een pand van 7 verdiepingen en nu kom ik daar aan en nu is een heel groot gedeelte van het plafond naar beneden gekomen en er is een flinke lekkage, maar het heeft niet 1 2 3 gelijk effect op de Rabobank. Maar wij hebben eigenlijk helemaal geen waarschuwingsadres, dit is eigenlijk het enige wat ik kon bedenken om uhhh, misschien dat jullie iemand kunnen bellen? Of misschien meer informatie hebben daarover?

SMC: Ik zit even te kijken, maar ik vrees dat wij echt alleen, ja wij hebben echt alleen mensen van de Rabobank daarvoor en die mogen wij tegenwoordig niet meer bellen.

Alert: Nee nee nee, nee nee, nou ja wat ik zeg, het heeft niet nadrukkelijk effect op de Rabobank, ja het hoost wel naar beneden moet ik zeggen, maar de Rabobank is schoon, zeg maar.

SMC: Nee precies, ja nee in dat geval vrees ik dat ik weinig kan betekenen daarin, nee. Voor mijn uhhh, voor mijn uhh, ik kan niet eens zien dat het meerdere bedrijven zijn die daarin zijn gevestigd, voor mijn idee is het alleen Rabobank, snap je?

Alert: Ik was er al bang voor, ik denk ik ga toch proberen.

SMC: Ja groot gelijk heb je, groot gelijk heb je, maar helaas, helaas kan ik niks voor je betekenen, vrees ik.

Alert: Nou bedankt toch voor zover!

SMC: Oké hé succes!

Alert: Dank je wel!

(…)”

2.6.

Na afloop van de brand- en sluitronde heeft de surveillant van Alert een rapport opgesteld. De inhoud van dit rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Door de surveillant zijn de volgende bijzonderheden gemeld : op de bovenste etage van het gebouw is een plafondplaat naar beneden gevallen dit door een flinke lekkage wat tot nu toe geen effect heeft op de afdeling van de rabobank centrale smc op de hoogte gebracht of hun misschien een wa van het pand konden inlichten meldkamer smc kon mij niet helpen hadden geen wa noch telefoonnummer a1 rotterdam op de hoogte gebracht.”

2.7.

Als gevolg van de lekkage zijn de praktijk, inboedel en voorraad van Orthocenter beschadigd geraakt. De lokale Rabobank heeft geen schade geleden als gevolg van de lekkage.

3. Het geschil

3.1.

Verzekeraars vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Alert en SMC (hoofdelijk) aansprakelijk zijn jegens Verzekeraars voor de schade die is ontstaan als gevolg van de lekkage en dat Alert en/of SMC gehouden zijn om Verzekeraars schadeloos te stellen en de schade, nader op te maken bij schadestaat te vergoeden, met veroordeling van Alert en/of SMC in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

Verzekeraars leggen – kort samengevat – het volgende aan hun vordering ten grondslag. De op Alert en SMC rustende verplichting strekt ertoe om schade aan het beveiligde object te voorkomen en actief te handelen in geval van een situatie die tot schade kan leiden. Door bij het vernemen van de gevaarsituatie (de lekkage) niet in te grijpen en deze niet op te heffen, hebben Alert en SMC onrechtmatig jegens Verzekeraars gehandeld. Alert en SMC dienen derhalve de schade die als gevolg van het uitstromende water is ontstaan te vergoeden.

3.3.

Alert en SMC voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Verzekeraars in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Verzekeraars verwijten Alert en SMC in de eerste plaats (zuiver) nalaten in verband met de lekkage. Zuiver nalaten kan als onrechtmatig worden aangemerkt indien dit nalaten in strijd is met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)). Voor onrechtmatigheid is in de eerste plaats vereist dat een persoon wetenschap heeft van een voor derden gevaarlijke situatie. Dan kan in bepaalde gevallen op die persoon een rechtsplicht rusten om deze situatie te (doen) beëindigen. Laat die persoon dat – in strijd met deze op hem rustende rechtsplicht – na, dan kan dat een onrechtmatige daad opleveren jegens degene die schade heeft geleden als gevolg van het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt.

4.2.

Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat zuiver nalaten slechts in uitzonderlijke gevallen onrechtmatigheid kan opleveren. Het nalaten is pas onrechtmatig op het moment dat het betreffende gevaar is doorgedrongen tot het bewustzijn van de waarnemer (vgl. HR 22 november 1974, NJ 1975/149 (Struikelende broodbezorger)), zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid zoals die kunnen voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de betrokken situatie zich voordoet. De volgende voorwaarden voor aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten zijn te geven: (i) de concrete kennis van een gevaarlijke situatie, (ii) de dreiging van ernstige schade, (iii) de mogelijkheid en de noodzaak om daadwerkelijk iets te doen (waarschuwen of helpen) en (iv) de reële verhouding tussen moeite en kosten en het gevaar. In deze voorwaarden zijn – in meer toegespitste vorm – de Kelderluikcriteria te herkennen. Verschil is dat in gevallen van zuiver nalaten de voorwaarden stringenter lijken te zijn, met name ten aanzien van het vereiste van de bewustheid van het gevaar. Aangenomen wordt dat zuiver nalaten eerst onrechtmatig is, indien vaststaat dat van concrete kennis van de waarnemer omtrent het bestaande of het op handen zijnde gevaar sprake was.

4.3.

Voor de waarnemer op wie een bijzondere verplichting tot zorg en oplettendheid rust, geldt de terughoudendheid bij het aannemen van onrechtmatigheid niet of althans in mindere mate. Hij kan dus ook buiten het geval dat hij zich daadwerkelijk van het bestaande gevaar bewust is geweest, wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm aansprakelijk worden gehouden, indien dat gevaar voor hem kenbaar was. De gevergde mate van zorg is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval. Zoals gezegd kan volgens de Hoge Raad het bestaan van de hier bedoelde zorgplichten (onder meer) voortvloeien uit een bijzondere relatie van de waarnemer met het slachtoffer of een bijzondere relatie van de waarnemer met de plaats waar het gevaar zich voordoet.

Alert

4.4.

Verzekeraars voeren ter onderbouwing van hun stelling, dat bij Alert sprake was van een duidelijke en concrete bekendwording met de gevaarlijke situatie en dat Alert derhalve een rechtsplicht had tot handelen, het volgende aan. Op het moment dat de surveillant van Alert de lekkage ontdekte, belde hij SMC met het doel om te waarschuwen en uit vrees dat de Rabobank schade zou lijden als gevolg van de lekkage. Door te spreken van een “flinke lekkage”, realiseerde de surveillant zich dat de lekkage dermate groot was dat deze ook de onderliggende verdiepingen kon beschadigen. Verder mag van een surveillant van een beveiligingsbedrijf worden verwacht dat hij zich bij het waarnemen van een lekkage realiseert dat een groot risico op schade dreigt. De surveillant had bovendien diverse betrekkelijk eenvoudige en geenszins bezwaarlijke mogelijkheden tot ingrijpen. Zo had de surveillant na zijn gesprek met SMC de bij Alert aanwezige alarmcentrale kunnen bellen en om advies kunnen vragen of 112 kunnen bellen.

4.5.

Alert voert – samengevat – het volgende verweer. In de literatuur en jurisprudentie wordt het leerstuk van zuiver nalaten vrijwel uitsluitend in verband gebracht met (aansprakelijkheid voor) letselschade. In deze zaak is enkel zaakschade en/of zuivere vermogensschade ontstaan die bovendien aan Orthocenter vergoed is door Verzekeraars in ruil waarvoor Verzekeraars premie hebben ontvangen. Het kan niet zo zijn dat Verzekeraars de gevolgen van een door hen gedekt risico dat zich heeft verwezenlijkt kunnen verhalen op Alert, een partij die voor € 20,48 per keer in opdracht van een ander een brand- en sluitronde uitvoert. Bovendien is van nalaten van Alert geen sprake. De surveillant van Alert heeft actie ondernomen door conform de instructies van de Rabobank de lekkage te melden bij de particuliere alarmcentrale (PAC) van SMC. Om meldingen gecentraliseerd te registreren en af te handelen behoort een surveillant niet eigenstandig – buiten de PAC om – derden, zoals hulpdiensten, in te schakelen. Zo nodig besluit de PAC om dit te doen. Verder is gesteld noch gebleken dat de surveillant op het moment dat hij de lekkage op de vijfde verdieping constateerde en geen bijzonderheden op de lagergelegen verdiepingen had waargenomen, kon – laat staan moest – bevroeden dat het water een lagergelegen verdieping zou bereiken. De surveillant vermoedde niet – noch behoorde te vermoeden – dat de lekkage via de leegstaande vierde en derde verdieping de tweede verdieping zou bereiken. Een surveillant is geen (water)schade-expert die is getraind om de oorzaak en ernst van een lekkage te herkennen en daarnaar te handelen. De uiteindelijke ernst van de lekkage en de omvang van de schade was niet doorgedrongen bij de surveillant, laat staan de voor Orthocenter opgetreden schade.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.7.

Van een surveillant die een brand- en sluitronde uitvoert mag een bepaalde alertheid worden verwacht als het gaat om gevaarlijke situaties. Dat geldt te meer in situaties als in deze zaak aan de orde, waar de surveillant op het moment van uitvoeren van de brand- en sluitronde, de enige aanwezige was in het pand en dus als enige kon inschatten wat de ernst van de situatie was. Op de surveillant van Alert rustte dan ook een bijzondere verplichting tot zorg en oplettendheid. Deze verplichting geldt niet enkel ten opzichte van de Rabobank maar ook ten aanzien van de andere in het pand aanwezige huurders, zoals Orthocenter, waarvan Alert ook het bestaan kende.

4.8.

Het gevaar was voorts kenbaar voor de surveillant van Alert. Specifieke kennis over (water)schade is, anders dan Alert aanvoert, daarvoor niet vereist. Van een (mbo) geschoolde surveillant mag worden verwacht dat hij inziet dat een lekkage schade veroorzaakt en dat water, als het in aanraking komt met elektriciteit, bovendien kortsluiting kan veroorzaken met brand tot gevolg. Dat de gevaarlijke situatie voor de surveillant kenbaar was, blijkt uit het feit dat hij na constatering van de lekkage SMC belde en blijkt voorts uit de inhoud van het telefoongesprek met de alarmcentrale van SMC. Aan het begin van het gesprek meldt de surveillant dat een heel groot gedeelte van het plafond naar beneden is gekomen en dat sprake is van een flinke lekkage. Bijna aan het einde van het gesprek geeft de surveillant aan dat het ‘naar beneden hoost’. Tijdens de mondelinge behandeling is namens Alert verklaard dat de surveillant dit zei om zijn verhaal kracht bij te zetten zodat hij hulp zou krijgen. Ook daaruit blijkt dat hij inzag dat de lekkage verholpen moest worden. Na beëindiging van het gesprek met SMC, heeft de surveillant geen nadere actie ondernomen. De surveillant had echter kunnen overleggen met een collega of leidinggevende of iemand anders van Alert die op dat tijdstip bereikbaar was. Daarnaast had de surveillant zelf de brandweer kunnen bellen. Dat dit niet gebruikelijk en niet de afspraak is, regardeert (Verzekeraars van) Orthocenter niet omdat dit een afspraak tussen Alert en de Rabobank is. Gezien de geringe moeite die voornoemde acties kosten, had van de surveillant verwacht mogen worden dat hij na beëindiging van het gesprek met SMC (waarvan hij, ondanks zijn poging daartoe, geen hulp hoefde te verwachten) nadere actie zou ondernemen. Het enkele feit dat een brand- en sluitronde Alert € 20,48 oplevert is geen reden om geen nadere actie te ondernemen. De rechtbank kan zich overigens voorstellen dat eventuele extra werkzaamheden van Alert ter voorkoming van verdere schade aan het pand separaat aan de Rabobank in rekening gebracht hadden kunnen worden. Wat daar ook van zij, het achterwege laten van nadere actie acht de rechtbank nalatig, gelet op de ernst van de door de surveillant geconstateerde lekkage, de bijzondere verplichtingen die de surveillant heeft ten opzichte van de gebruikers van het pand en de geringe moeite om verdere actie ter voorkoming van schade te nemen.

4.9.

Ter zake het causaal verband hebben Verzekeraars aangevoerd dat bij Orthocenter geen schade was opgetreden indien Alert actie had ondernomen toen zij op 4 augustus 2016 rond 21:30 uur in het pand aanwezig was. Uit de sluitrapportage van Alert volgt immers dat de lekkage op dat moment plaatsvond op de bovenste verdieping van het pand en dat het nog niet op lager gelegen verdiepingen terecht was gekomen terwijl het water de volgende ochtend de tweede verdieping had bereikt. Het water heeft dus enige tijd nodig gehad om de verdieping te bereiken waarop Orthocenter is gevestigd.

4.10.

Alert betwist het door Verzekeraars gestelde causaal verband en voert daartoe het volgende aan. In het geval van wateroverlast diende de PAC van SMC het waarschuwingsadres van de Rabobank te attenderen. Als SMC dat in de avond van 4 augustus 2016 had gedaan, staat niet vast dat die avond (of nacht) een gevolg aan die melding was gegeven door de Rabobank. Tijdens een eerdere melding op 14 januari 2016 is immers ook besloten pas de volgende ochtend gevolg te geven aan een melding. Mogelijk was daartoe in dit geval ook besloten zodat de schade ondanks het informeren van het waarschuwingsadres evengoed was ingetreden. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat er een gradueel verloop zat in de lekkage, in die zin dat het ernstiger is gaan lekken nadat de surveillant is vertrokken.

4.11.

De rechtbank verwerpt het verweer van Alert en overweegt daartoe als volgt.

Gelet op de ernst van de lekkage, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het waarschuwingsadres van de Rabobank geen nadere actie zou hebben ondernomen nadat hij was gealarmeerd door de surveillant. De lekkage veroorzaakte schade en mogelijk brandgevaar en is daarom niet vergelijkbaar met de melding van 14 januari 2016, die inhield dat een tussendeur bij het trappenhuis niet in het slot viel. Tussen partijen is niet in geschil dat de brandweer in ieder geval op het pand zou zijn afgekomen als de surveillant hen van de lekkage-situatie op de hoogte had gebracht.

Wat betreft het tijdsverloop tussen de constateringen van de surveillant en de schade aan de praktijk van Orthocenter, overweegt de rechtbank het volgende. Op 4 augustus 2016 omstreeks 21:30 uur neemt de surveillant van Alert op de vijfde verdieping een kapot plafond en een plas water waar. De ondergelegen verdiepingen zijn op dat moment nog droog. Op 5 augustus 2016 omstreeks 8:00 uur constateert Orthocenter dat het water haar praktijk op de tweede verdieping van het pand heeft bereikt en voor schade heeft gezorgd. Het is zeer aannemelijk dat het enige tijd heeft gekost voordat het water vanaf de vijfde verdieping de tweede verdieping had bereikt. Wanneer Alert wordt gevolgd in haar redenering dat er een gradueel verloop zat in de lekkage, en dus (snel) erger werd na de brand- en sluitronde van de surveillant, valt niet in te zien waarom het water in de ochtend van 5 augustus 2016 de eerste verdieping en de begane grond van de Rabobank nog niet had bereikt. Alert heeft geen enkele onderbouwing van haar niet voor zich sprekende stelling gegeven, wat wel op zijn plaats was geweest. De rechtbank gaat dan ook bij gebreke aan een voldoende gemotiveerde betwisting er vanuit dat het enige tijd kostte voordat het water de tweede verdieping had bereikt, en dat binnen die tijd de surveillant, door het nemen van verdere actie, de uiteindelijke schade aan de praktijk van Orthocenter had kunnen voorkomen.

4.12.

Dit leidt tot de conclusie dat er causaal verband bestaat tussen het nalaten om te handelen van de surveillant en de opgetreden schade. De vordering van Verzekeraars om voor recht te verklaren dat Alert aansprakelijk is jegens Verzekeraars voor de schade die is ontstaan als gevolg van de lekkage, wordt derhalve toegewezen.

4.13.

De hoogte van de schade bedraagt volgens Verzekeraars ongeveer € 99.500,00 exclusief gemaakte kosten voor schadevaststelling en buitengerechtelijke kosten. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een rapport van Dekra in het geding gebracht. Verzekeraars vorderen verwijzing naar de schadestaatprocedure. Alert stelt zich onder verwijzing naar artikel 612 Rv op het standpunt dat de schade in dit vonnis kan worden begroot nu Verzekeraars zich op het standpunt stellen dat zij de door Dekra vastgestelde schade aan Orthocenter hebben uitgekeerd.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 612 Rv is bepaald dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis hem niet mogelijk is, spreekt de rechter een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat. Verzekeraars hebben zich niet uitgelaten over de gemaakte kosten voor schadevaststelling en eventuele buitengerechtelijke kosten. Daarnaast hebben Verzekeraars nog niet kunnen reageren op het door Alert gevoerde verweer omtrent het rapport van Dekra. Nu op dit punt onvoldoende partijdebat heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank het niet mogelijk de schade in dit vonnis te begroten en zal Alert worden veroordeeld de schade te vergoeden, op te maken bij staat.

SMC

4.15.

Verzekeraars stellen zich ten aanzien van SMC eveneens op het standpunt dat zij op 4 augustus 2016 concreet en daadwerkelijk op de hoogte was van de ernst van het gevaar dat de situatie meebracht en dat dit tot haar bewustzijn zal zijn doorgedrongen. Doordat SMC kennis had genomen van de gevaarsituatie, ontstond een rechtsplicht tot handelen. SMC heeft echter nagelaten om te waarschuwen of anderszins actie – bijvoorbeeld het inschakelen van de hulpdiensten – te ondernemen. Als SMC niet in eenzelfde mate als Alert op de hoogte was van de ernst van de lekkage of zich niet daadwerkelijk bewust was van de ernst van het gevaar van de lekkage, doet dat, gelet op haar positie als alarmcentrale, niet af aan haar aansprakelijkheid. Verzekeraars wijzen in dit verband op de “bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid” wanneer sprake is van “een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de gevaarsituatie zich voordoet”, wat volgt uit het hiervoor genoemde Struikelende broodbezorger-arrest. Op het moment dat SMC werd gebeld door de surveillant van Alert die in het pand aanwezig is en vraagt naar het waarschuwingsadres in verband met een waterlekkage, dan mag van SMC worden verlangd dat zij doorvraagt om te achterhalen waar de lekkage zich voordeed en hoe ernstig deze was. Van SMC mocht tevens worden verwacht dat zij weet dat een lekkage op een bovengelegen verdieping in het tijdsbestek van een nacht veel schade aan het gehele pand kan aanrichten. Als redelijk handelende alarmcentrale had SMC, ook als de noodsituatie niet direct ziet op de verdiepingen waarvoor zij zou zijn aangesteld, de contactpersoon van haar opdrachtgever of de hulpdiensten moeten waarschuwen. Door dit na te laten, heeft SMC onrechtmatig jegens Verzekeraars gehandeld.

Verzekeraars hebben zich tevens op het standpunt gesteld dat, ook al had SMC een overeenkomst met de Rabobank, SMC jegens Verzekeraars aansprakelijk kan zijn wegens het verwaarlozen van de nauw bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken belangen van derden, in dit geval Orthocenter. Mede uit eerdere alarmmeldingen was het SMC bekend dat niet alleen de lokale Rabobank kantoor hield in het pand. Naar aanleiding van deze eerdere alarmmeldingen heeft SMC actie ondernomen terwijl deze alarmmeldingen betrekking hadden op verdiepingen waarop huurders van de Rabobank waren gevestigd. Daarmee heeft SMC laten zien dat zij ook de eigenaarsbelangen van de Rabobank en de belangen van de andere gebruikers van het pand in het oog hield en waarborgde. Daar mochten de gebruikers van uitgaan en op vertrouwen. Het nalaten om deze belangen te waarborgen, levert eveneens een onrechtmatige daad op.

4.16.

SMC voert – samengevat – het volgende verweer. Voor aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten is onvoldoende dat SMC op de hoogte kon of behoorde te zijn van de ernst van het gevaar van de lekkage. Het is niet daadwerkelijk en uit eigen waarneming tot SMC doorgedrongen dat er een concrete aanleiding bestond tot handelen. Het enkele feit dat de surveillant van Alert contact heeft opgenomen met SMC over de lekkage, maakt niet dat de ernst van het gevaar van de lekkage tot het bewustzijn van de centralist is doorgedrongen en dat hij actie had moeten ondernemen. De surveillant van Alert noemt aan het begin van het telefoongesprek code 5498, terwijl bij SMC enkel code 5499 bekend was, welke code zag op de lokale Rabobank en de geldautomaat. Code 5498 betrof de rest van het pand. SMC was er niet van op de hoogte wat er verder in pand was gevestigd, zodat zij geen mogelijkheid had om het risico in te schatten. De toon en inhoud van het telefoongesprek gaven SMC bovendien geen aanleiding om te denken dat er gevaar was waarvoor van haar kant actie nodig was. SMC was naar aanleiding van het gesprek met de surveillant van Alert in de gerechtvaardigde veronderstelling dat Alert zelf verdere actie zou ondernemen. Van een op SMC rustende bijzondere zorgplicht is evenmin sprake.

Het beroep van Verzekeraars op het arrest Vleesmeesters/Alog gaat niet op omdat uit dit arrest volgt dat een contractspartij zijn gedrag mede moet laten bepalen door de belangen van een betrokken derde, als de overeenkomst een schakel is gaan vormen in het rechtsverkeer waarmee de belangen van die derde nauw zijn verbonden. Er bestaat echter geen samenhang tussen de overeenkomsten tussen SMC en Rabobank Nederland enerzijds en Orthocenter en Rabobank Nederland anderzijds. De incidenten waar Verzekeraars aan refereren, hadden weliswaar betrekking op andere verdiepingen dan de begane grond maar in die gevallen werd de veiligheid van de lokale Rabobank direct bedreigd terwijl in het onderhavige geval de surveillant van Alert benadrukte dat de lekkage in het pand de lokale Rabobank nu juist niet bedreigde.

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.18.

De onderhavige procedure is aangespannen door Verzekeraars van Orthocenter. SMC kan aansprakelijk worden gehouden voor zover sprake is van een normschending door haar jegens Orthocenter. Anders dan Verzekeraars stellen, maakt het enkele feit dat SMC door de surveillant van Alert op de hoogte werd gebracht van de lekkage en vervolgens geen actie heeft ondernomen nog niet dat een zorgvuldigheidsnorm is overtreden. Daartoe is immers vereist dat het gevaar voor schade aan Orthocenter is doorgedrongen tot SMC. Gesteld noch gebleken is echter dat SMC bekend was met andere huurders van het pand. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat SMC enkel bekend was met de (lokale) Rabobank als gebruiker van het pand en niet met Orthocenter. Dit blijkt ook uit het door de centralist van SMC met de surveillant van Alert gevoerde telefoongesprek waarin de centralist van SMC opmerkt dat hij niet kan zien dat er meerdere bedrijven in het pand zijn gevestigd. Op het moment dat SMC door de surveillant van Alert op de hoogte werd gebracht van de lekkage, was zij dus niet bekend met de situatie en de opzet van het pand. Daarnaast geldt dat SMC, gelet op de inhoud van het telefoongesprek met de surveillant, erop mocht vertrouwen dat de surveillant van Alert geen verdere actie verwachtte op het moment dat SMC de surveillant niet kon helpen met een waarschuwingsadres. SMC mocht er ook op vertrouwen dat de surveillant vervolgens zelf verder de nodige actie zou ondernemen terzake van de door hem geconstateerde lekkage nu hij beter inzicht had in de situatie ter plaatse. Verzekeraars worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat SMC concreet en daadwerkelijk op de hoogte was van de ernst van het gevaar dat de situatie meebracht en dat dit tot haar bewustzijn is doorgedrongen. In hun standpunt dat op SMC een bijzondere zorgplicht rust, worden Verzekeraars evenmin gevolgd. Verzekeraars hebben ter onderbouwing van dit standpunt gerefereerd aan een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 september 2008 (ECLI:NL:RBZLY:2008:BF0802). In deze uitspraak staat (onder meer) het handelen van de brandweer centraal. De rechtbank is met SMC van oordeel dat op haar niet een met de brandweer te vergelijken bijzondere zorgplicht rust. Het beroep van Verzekeraars op deze uitspraak kan hen dan ook niet baten.

4.19.

Voorts dient beoordeeld te worden of SMC haar gedrag mede had moeten laten bepalen door de belangen van Orthocenter (de betrokken derde). Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop. In HR 24 september 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO9069 (Vleesmeesters/Alog)) heeft de Hoge Raad overwogen dat indien de belangen van een derde zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in de uitvoering van die overeenkomst tekortschiet, de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kunnen meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door deze belangen te laten bepalen, waarbij de rechter de ter zake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling zal dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en de strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

4.20.

Hiervoor is reeds overwogen dat SMC niet op de hoogte was van het feit dat Orthocenter in het pand was gevestigd. Het was voor SMC bij de uitvoering van de overeenkomst met de Rabobank dan ook niet mogelijk om haar gedrag mede te laten bepalen door de belangen van Orthocenter. Reeds hierom gaat het beroep van Verzekeraars op het Vleesmeesters/Alog-arrest niet op. Daarnaast geldt het volgende. SMC heeft toegelicht dat op 4 augustus 2016 een mantelovereenkomst bestond tussen haar en Rabobank Nederland. Lokale Rabobanken konden binnen het kader van deze overeenkomst naar eigen inzicht afspraken met SMC maken. Op basis van de overeenkomst tussen haar en de lokale Rabobank was SMC gehouden tot automatische alarmopvolging en alarmafhandeling. In geval van een automatische alarmmelding diende SMC enkel binnen kantooruren contact op te nemen met een daartoe opgegeven waarschuwingsadres van de lokale Rabobank. Voor de opvolging van een automatische alarmmelding buiten kantooruren, diende SMC zelf opdracht te verlenen aan een alarmopvolgingsbedrijf. SMC verleende dan ook alleen diensten ten aanzien van de lokale Rabobank en niet ten aanzien van andere delen van het pand. Dat neemt niet weg dat SMC, zoals zij eerder deed, in het belang van de lokale Rabobank opvolging kan geven aan meldingen die betrekking hebben op andere gedeelten van het pand en de (directe) veiligheid van de lokale Rabobank betreffen. Aan dergelijk incidenteel handelen van SMC kunnen andere huurders in het pand, zoals Orthocenter, echter niet het vertrouwen ontlenen dat SMC hun belangen op dezelfde wijze als de belangen van de Rabobank in het oog hield en waarborgde. Het verwaarlozen van de nauw bij de uitvoering van de overeenkomst tussen SMC en de Rabobank betrokken belangen van Orthocenter is derhalve niet vast komen te staan. De vordering jegens SMC zal worden afgewezen.

Proceskostenveroordelingen

4.21.

Alert zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Verzekeraars worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.882,89

4.22.

Verzekeraars zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van SMC worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.782,00

4.23.

Bij vonnis in incident van 4 november 2020 heeft de rechtbank op vordering van Verzekeraars Alert veroordeeld om Verzekeraars een afschrift te verschaffen van de berichten dan wel communicatie anderszins waarmee de rapportage van de surveillant van 4 augustus 2016 door Alert aan SMC en/of de Rabobank is verzonden. Tevens is Verzekeraars verzocht de correspondentie die verband houdt met hun verzoeken aan SMC om de geluidsopname en/of (integrale) uitwerking van het volledige gesprek tussen de surveillant van Alert en de centrale van SMC van 4 augustus 2016 te verstrekken. Verzekeraars hebben bij akte van 17 februari 2021 aan dit verzoek van de rechtbank voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft SMC zich op het standpunt gesteld dat Verzekeraars buiten rechte niet hebben gevraagd om de opname van het telefoongesprek. Uit de door Verzekeraars bij akte van 17 februari 2021 overgelegde correspondentie blijkt echter het tegendeel. Uiteindelijk heeft SMC per e-mail van 27 augustus 2020, en dus pas na de vordering in het incident van Verzekeraars, aan Verzekeraars te kennen gegeven bereid te zijn de gespreksopname te verstrekken. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft SMC de gespreksopname en het transcript in het geding gebracht. Het vorenstaande brengt met zich dat Alert en SMC als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten in het incident zullen worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Verzekeraars begroot op € 844,50 (1,5 x tarief € 563,00).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat Alert aansprakelijk is jegens Verzekeraars voor de schade die is ontstaan als gevolg van de lekkage,

5.2.

veroordeelt Alert om aan Verzekeraars de schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Alert, op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt Alert in de proceskosten van Verzekeraars welke tot op heden begroot worden op € 1.882,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Verzekeraars in de proceskosten van SMC welke tot op heden begroot worden op € 1.782,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Alert en SMC in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Verzekeraars tot op heden begroot op € 844,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Alert in de voor Verzekeraars na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Alert niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van vijftien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

veroordeelt Verzekeraars in de voor SMC na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Verzekeraars niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van vijftien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2021.

3078/2054