Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10126

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
C/10/626599 / KG ZA 21-865
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, executiegeschil ontruiming (mondeling vonnis), gevorderd verbod op ontruiming hangende hoger beroep wordt afgewezen, aangezien er geen omstandigheden zijn die uitzondering op de door de kantonrechter gemotiveerde uitvoerbaarverklaring bij voorraad rechtvaardigden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/626599 / KG ZA 21-865

Vonnis in kort geding van 11 oktober 2021

in de zaak van

[naam eiseres], H.O.D.N. [handelsnaam] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

advocaat mr. B. Temeltasch te Rotterdam,

tegen

de stichting

STICHTING WOONSTAD,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. R. van der Hoeff te Rotterdam.

Partijen worden hierna [naam eiseres] en Woonstad genoemd. Belanghebbende wordt hierna [naam] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de vrijwillige verschijning van partijen;

  • -

    de conclusie van eis, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 11 oktober 2021;

  • -

    de pleitnota van Woonstad.

1.2.

Na de sluiting van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter in verband met het spoedeisende karakter van de zaak mondeling een verkort vonnis met een verkorte motivering gewezen. Het onderstaande, afgegeven op 13 oktober 2021, vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

2.1.

Woonstad als verhuurder en [naam] als huurder hebben een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan [naam] met ingang van 8 december 2015 de woning aan de [adres] (hierna: de Woning) huurde van Woonstad.

2.2.

De politie, eenheid Rotterdam, is 23 februari 2021 de Woning binnengetreden en heeft daar het volgende aangetroffen:

- 14,5 gram cocaïne (93 gripzakjes en 8 wikkels in een slaapkamer);

- 0,6 gram heroïne (4 gripzakjes met bruin poeder en brokken);

- 58,5 gram henneptoppen (in de woonkamer);

- diverse telefoons (in meerdere vertrekken van de woning);

- 1.465,- euro aan contant geld (in de woonkamer);

- een vervalst biljet van 50,- euro;

- 135,8 gram henneptoppen (inclusief verpakkingsmateriaal, in de kelderbox van de woning).

2.3.

Bij brief van 22 april 2021 heeft Woonstad de huurovereenkomst voorwaardelijk buitengerechtelijk ontbonden, voor het geval de burgemeester van Rotterdam sluiting van de Woning zou bevelen.

2.4.

Bij besluit van 10 mei 2021 heeft de burgemeester van Rotterdam de woning op grond van artikel 13b Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden. [naam] heeft bezwaar aangetekend tegen dit besluit. De bestuursrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 11 juni 2021 in een voorlopige voorziening procedure geoordeeld dat het bezwaar van [naam] naar verwachting zal worden afgewezen en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.5.

Bij vonnis in kort geding van 7 juli 2021 (hierna: het Vonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank [naam eiseres] op vordering van Woonstad bevolen de Woning te ontruimen. De ontruimingstermijn is bepaald op zeven dagen na opheffing van de burgemeesterssluiting. In dit vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat te verwachten is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden dan wel dat die overeenkomst in de bodemprocedure zelf wordt ontbonden en dat het verantwoord is vooruitlopend daarop de ontruiming in kort geding toe te wijzen. In het Vonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [naam] verantwoordelijk is voor wat zich in de woning afspeelt, dat zij wist of behoorde te weten van de aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs en verpakkingsmaterialen en dat dit een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat [naam], mede gelet op zowel haar persoonlijke als financiële situatie, een groot belang heeft bij het behoud van haar woning, maar dat de belangen van Woonstad, waaronder haar verantwoordelijkheid voor de omwonenden en haar belangen om streng op te treden tegen de handel in verdovende middelen vanuit haar woningen, zwaarder wegen dan dat van [naam]. Het vonnis is, met ingang van de datum gelegen een week na eventuele gegrondverklaring van het bezwaar, uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op dit punt heeft de kantonrechter een gemotiveerde beslissing genomen.

2.6.

Tegen dit vonnis heeft [naam eiseres] hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is een mondelinge behandeling bepaald op 1 december 2021.

2.7.

Het tegen de sluiting gerichte bezwaar is bij besluit van 28 augustus 2021 ongegrond verklaard. [naam] heeft tijdig beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Op dit beroep is nog niet beslist.

2.8.

Bij exploot van 27 september 2021 heeft Woonstad de ontruiming aangezegd tegen 12 oktober 2021.

2.9.

Bij besluit van 28 september 2021 heeft de burgemeester van Rotterdam de sluiting van de Woning op verzoek van Woonstad opgeheven. In dit besluit is overwogen dat Woonstad te kennen heeft gegeven dat [naam] niet meer zal terugkeren in de Woning en dat Woonstad voornemens is de Woning te verhuren aan een andere huurder.

2.10.

Na een verzoek van [naam] om een verhuurdersverklaring heeft Woonstad op 6 oktober 2021 een verhuurdersverklaring afgegeven met onder meer de volgende inhoud:

Onze huurder heeft de huurbetalingen niet allemaal voldaan. Op woensdag 6 oktober 2021 heeft onze huurder huurachterstand.

Er is sprake van woonfraude/woonoverlast. Zie ontruimingsvonnis van 7 juli 2021 naar aanleiding van een burgemeestersluiting inzake drugs in de woning.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiseres] vordert, samengevat:

I. te bevelen dat Woonstad niet mag overgaan tot executie van het Vonnis en de tenuitvoerlegging van het Vonnis te schorsen zolang dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan c.q. in de bodemprocedure een beslissing is genomen, zulks op straffe van een dwangsom;

II. subsidiair: Woonstad te bevelen de ontruiming van de woning op te schorten tot het moment dat aan [naam] een noodwoning of andere woning is toegewezen, maar niet langer dan tot drie maanden na dit vonnis, althans de ontruiming op te schorten voor een door de voorzieningenrechter te bepalen duur en [naam] toe te staan in de Woning te verblijven.

3.2.

Aan deze vordering legt [naam eiseres] het volgende ten grondslag.

Nu de zoons van [naam] door de politierechter zijn vrijgesproken van drugshandel is de sluiting van de woning gebaseerd op een feitelijke en/of juridische misslag.

[naam] heeft op zeer korte termijn zicht op vervangende woonruimte. Daarvoor is wel van belang dat zij als woningverlater geldt. De ontruiming zal tot gevolg hebben dat het voor [naam] praktisch onmogelijk wordt een vervangende sociale huurwoning te vinden. Dit geldt temeer nu Woonstad een onjuiste verhuurdersverklaring heeft afgegeven, waarin ten onrechte staat dat [naam] een huurachterstand heeft, daar waar de betalingsverplichting slechts ziet op proceskosten. Indien [naam] na de ontruiming wel vervangende woonruimte vindt, dient zij dubbele verhuiskosten te maken.

3.3.

Woonstad voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [naam eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling ten uitvoer kan worden gelegd. Dit geldt ook wanneer het een feitelijk onherroepelijke veroordeling zoals een ontruiming betreft.

4.2.

In het Vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [naam] de Woning vooruitlopend op de beslissing in een eventuele bodemprocedure moet ontruimen en dat de belangen van Woonstad bij tenuitvoerlegging van die ontruiming zwaarder wegen dan die van [naam] bij opschorting van die ontruiming hangende een eventueel hoger beroep.

4.3.

Aangezien de kantonrechter in het Vonnis een gemotiveerde beslissing heeft genomen over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, is de door [naam eiseres] gevorderde schorsing van de executie alleen toewijsbaar indien aangenomen moet worden dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag en/of er sprake is van feiten of omstandigheden die bij het nemen van de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich pas na die uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

4.4.

De feiten en omstandigheden die door [naam eiseres] naar voren zijn gebracht leiden niet tot het oordeel dat het Vonnis berust op een kennelijke misslag en/of dat sprake is van nieuwe feiten die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Het feit dat de zoons van [naam] zijn vrijgesproken van de handel in verdovende middelen, neemt niet weg dat grote hoeveelheden verdovende middelen en gripzakjes in de Woning zijn aangetroffen. De aanwezigheid van deze zaken is te linken aan de handel in drugs en hierbij is niet relevant of deze handel vanuit de Woning en/of door de zoons van [naam] is verricht. Het is ook niet de handel maar de aanwezigheid van de zaken die aan de ontruiming ten grondslag is gelegd. Het feit dat de zoons van [naam] (deels) zijn vrijgesproken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat sprake is van een (kennelijke) misslag in het Vonnis.

4.6.

De financiële en persoonlijke gevolgen van de ontruiming voor [naam] zijn reeds meegewogen in het oordeel van de kantonrechter, zodat deze gevolgen niet zijn aan te merken als nieuwe omstandigheden in de zin van voormeld beoordelingscriterium. De omstandigheid dat [naam] bij opschorting van de ontruiming mogelijk op korte termijn vervangende woonruimte kan vinden, is wel nieuw. Daar staat tegenover dat dit een onzekere gebeurtenis betreft, zoals [naam eiseres] ter zitting ook heeft erkend. Dat [naam eiseres] mogelijk gebaat is bij opschorting van de executie weegt evenwel niet op tegen het belang van Woonstad bij het handhaven van haar zerotolerance-beleid en haar belang bij het opnieuw verhuren van de Woning. Hoewel denkbaar is dan Woonstad (wat) meer tegemoet komt aan de belangen van [naam], kan Woonstad onder voormelde omstandigheden niet worden gedwongen om (tijdelijk) van de ontruiming af te zien. Het feit dat de op 6 oktober 2021 door Woonstad afgegeven verhuurdersverklaring onzorgvuldig was, maakt dat niet anders. Op dat laatste punt heeft [naam eiseres] overigens geen voorziening gevorderd.

4.7.

De vorderingen van [naam eiseres] worden dus afgewezen. [naam eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonstad worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 656,00

Totaal € 1.323,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 1.323,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2021. De schriftelijke uitwerking is ondertekend door mr. Th. Veling.

3077/2009