Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
9149736 CV EXPL 21-13229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

lening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9149736 CV EXPL 21-13229

uitspraak: 1 oktober 2021 (bij vervroeging)

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. A. Dinç te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 1 april 2021, met producties;

  • -

    de aantekeningen van 20 mei 2021 van het mondelinge antwoord van [gedaagde], alsmede de daarbij door hem overgelegde producties;

  • -

    het tussenvonnis van 21 juni 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2021. [eiser] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[eiser] en [gedaagde] zijn aangetrouwde familie van elkaar geweest. De zus van [eiser] is getrouwd geweest met [gedaagde].

2.2

[eiser] heeft vanaf mei 2020 tot en met juli 2020 meerdere geldbedragen aan [gedaagde] overgemaakt of contant voorgeschoten; het totaalbedrag van € 15.000,00 is als volgt opgebouwd:

Datum:

Bank of voorgeschoten:

Bedrag:

25 mei 2020

[bankrekeningnummer]

€ 3.600,00

26 mei 2020

[bankrekeningnummer]

€ 6.400,00

24 juni 2020

[bankrekeningnummer]

€ 2.500,00

11 juli 2020

[bankrekeningnummer]

€ 2.000,00

Verschillend

Voorgeschoten

€ 500,00

2.3

Op 31 juli 2020 heeft [gedaagde] een bedrag van € 100,00 overgemaakt aan [eiser]. [gedaagde] heeft bij deze betaling als omschrijving opgenomen: ‘nog 13.000 euro verschuldigd aan [eiser]’.

2.4

Verder heeft [gedaagde] op 6 oktober 2020 aan [eiser] een bedrag van € 2.700,00 betaald. Dit is door beide partijen via Whatsapp bevestigd, waarbij ook is aangegeven dat nog € 9.000,00 van het totaalbedrag resteert.

2.5

Vervolgens hebben beide partijen op 9 november 2020 over en weer berichten gestuurd waaruit afgeleid kan worden dat [gedaagde] aan [eiser] in totaal nog een bedrag van € 4.500,00 verschuldigd is.

3. De vordering

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 5.198,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

Tussen partijen is op 25 mei 2020 een onderhandse geldlening gesloten voor in totaal € 15.000,00. Uit hoofde van deze geldlening is [gedaagde] gehouden het nog openstaande bedrag van in totaal € 4.500,00 aan [eiser] terug te betalen. Op 1 februari 2021 heeft [gedaagde] voor dit resterende gedeelte een betalingsvoorstel gedaan. Met dit voorstel is [eiser] akkoord gegaan; [gedaagde] is de betalingsregeling niet nagekomen.

3.2.2

Door de wanbetaling van [gedaagde] zag [eiser] zich genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van € 695,75 komen voor rekening van [gedaagde].

4. Het verweer

4.1

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. Daartoe heeft [gedaagde] – zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende aangevoerd.

4.2

In juni 2020 heeft [gedaagde] samen met [eiser] een meubelwinkel geopend. Formeel hebben partijen hierover niks op papier gezet. Voordat de winkel was geopend heeft [eiser] een geldbedrag van € 15.000,00 ingelegd. [gedaagde] heeft ter hoogte van dat bedrag spullen uit zijn fabriek ingelegd. Alles ging goed totdat de vakantieperiode aanbrak. Vanuit Turkije heeft [gedaagde] meerdere keren telefonisch contact gehad met [eiser] om verschillende dingen te bespreken. Uiteindelijk heeft [eiser] op aandringen van [gedaagde] de winkel gesloten totdat [gedaagde] terug zou zijn van vakantie. Een week nadat [eiser] de winkel had gesloten wilde [eiser] het eerder door hem ingelegde geldbedrag ineens terug hebben. [gedaagde] betwist echter enig bedrag aan [eiser] verschuldigd te zijn. De betalingen die [gedaagde] wel aan [eiser] heeft gedaan, waren onder druk van zijn (inmiddels ex-)partner, de zus van [eiser].

4.3

Voor zover [gedaagde] enig bedrag verschuldigd zou zijn moet dit worden verrekend met de betalingen die [eiser] heeft gedaan met de bankpas van de winkel en de bankpas van [gedaagde]. Verder dient [eiser] ook de kosten die zijn gemaakt voor het repareren van de deur, die door toedoen van [eiser] is beschadigd, te vergoeden.

5. De beoordeling

5.1

Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] nog een bedrag van € 4.500,00 aan [eiser] verschuldigd is.

5.2

[eiser] heeft zijn vordering tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. Het verweer van [gedaagde] dat het totaalbedrag van € 15.000,00, waar de € 4.500,00 onderdeel van is, was bedoeld als inleg voor een gezamenlijke meubelwinkel heeft [eiser] betwist. Ook heeft [eiser] betwist verantwoordelijk te zijn voor de door [gedaagde] beschreven beschadiging aan de deur; [eiser] heeft de beschadigingen wel gezien maar deze niet veroorzaakt. Tot slot heeft [eiser] toegelicht dat de betalingen, die met de door [gedaagde] aangehaalde pinpassen, zijn gedaan voor de winkel. Hij heeft daarbij expliciet benoemd dat het niet gaat om betalingen voor privédoeleinden van [eiser] zelf. [gedaagde] is, hoewel daartoe naar behoren opgeroepen, niet bij de mondelinge behandeling verschenen en heeft daardoor geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn verweer nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen. [gedaagde] heeft overigens geen feiten en omstandigheden aangedragen die zijn verweer aannemelijk maken. Het verweer van [gedaagde] zal daarom als onvoldoende gemotiveerd worden gepasseerd.

5.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] gehouden is het resterende bedrag van € 4.500,00 te betalen. De vordering ter zake zal dan ook worden toegewezen.

5.4

[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verzonden, die voldoet aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen. Nu [gedaagde] de ontvangst van deze aanmaning niet heeft betwist, zal van de ontvangst daarvan door [gedaagde] worden uitgegaan. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. Het gevorderde bedrag van € 695,75 is conform de staffel bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, waarmee is gegeven dat de kosten redelijk zijn. Deze vordering wordt dan ook eveneens toegewezen.

5.5

De gevorderde wettelijke rente wordt, als onbetwist en op de wet gegrond, toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiser] deze kosten reeds aan zijn (incasso)gemachtigde betaald heeft.

5.6

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 5.198,75, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 4.500,00 vanaf de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 343,83 aan verschotten en € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485